PEDAGOGIEK
1 Pedagogiek en opvoeden ............................................................................................ 3
1.1 Pedagogiek: een wetenschappelijk kennisdomein over opvoeden .......................... 3
1.2 Omschrijving van opvoeden en algemeen pedagogische handelen ........................ 3
1.3 Pedagogische basisbegrippen ................................................................................ 3
1.3.1 Opvoedingsdoelen ........................................................................................... 4
1.3.2 Opvoedingsstijlen ............................................................................................. 5
1.3.3 Pedagogische leefklimaat................................................................................. 6
1.3.4 Referentiekader en normatief opvoeden........................................................... 9
1.4 Pedagogische verantwoordelijkheid ........................................................................ 9
1.5 Perspectieven ten aanzien van opvoeden ..............................................................10
1.5.1 Ontwikkelingsperspectief .................................................................................10
1.5.2 Nature – nurture ..............................................................................................11
1.5.3 Sociaal maatschappelijk perspectief ................................................................11
1.6 Opvoedingscontexten.............................................................................................12
1.6.1 Maatschappij ...................................................................................................12
1.6.2 Gezin ..............................................................................................................12
1.6.3 Kinderopvang ..................................................................................................13
1.6.4 School .............................................................................................................13
1.6.5 Buurt, leeftijdsgroep ........................................................................................13
1.6.6 Digitale wereld.................................................................................................13
2 Pedagogische visies ...................................................................................................14
2.1 Een inleiding in de theorie van Kok en Langeveld ..................................................14
2.1.1 opvoeden is een functioneel proces van in relatie staan (kok) .........................14
2.1.2 Opvoeden is een intentionele ontmoeting (Langveld) ......................................16
2.2 Zelf-determinatietheorie in de opvoeding................................................................16
2.2.1 Ontwikkeling voeden .......................................................................................17
2.2.2 De bouwstenen van een behoefte ondersteunende opvoeding .......................17
2.2.3 Straffen en belonen uit de zelf-determinatietheorie .........................................21
2.3 Nieuwe autoriteit ....................................................................................................23
2.3.1 Principes nieuwe autoriteit...............................................................................24
2.3.2 Nieuwe autoriteit in opvoedingsondersteuning ................................................25
1
,3 De historische dimensies van opvoeden...................................................................26
3.1 Inleiding..................................................................................................................26
3.2 Voor jeugdland: grote mensen in zakformaat (ca. 1250 – 1750) .............................26
3.3 Grootbrengen door kleinhouden (1750 – 1940) ......................................................28
3.4 De eeuw van het kind (1900-2000).........................................................................30
3.5 Het IVRK (1989) .....................................................................................................31
3.6 Het kind in de huidige maatschappij (ca. 2000 - …)................................................32
3.7 Superdiversiteit ......................................................................................................32
3.8 Niet-begeleide minderjarige vluchtelingen en daklozen ..........................................33
4 Modellen voor analyse van opvoedingscontexten en opvoedingsvragen ..............33
4.1 Opvoeden gaat (niet altijd) vanzelf .........................................................................33
4.2 Een gezinspedagogische kader (Hellinckx & Gesquiere, 1988) ..............................34
4.2.1 Het opvoeden als complementair en circulair proces.......................................34
4.2.2 Hoe het opvoedproces analyseren aan de hand van dit model .......................35
4.3 Ecologische systeemmodel (Bromfenbrenner) .......................................................37
4.4 Balansmodel ..........................................................................................................38
4.5 Sociaal competentiemodel .....................................................................................40
4.6 Sociale steuntheorie ...............................................................................................41
4.7 Opvoedingskompas (Vansteenkiste & Soenens) ....................................................42
5 Waar kennisgebieden doorstromen: pedagogiek en orthopedagogiek ..................44
5.1 Het model van kousemaker ....................................................................................44
5.2 Van pedagogiek naar orthopedagogiek ..................................................................46
2
,1 PEDAGOGIEK EN OPVOEDEN
1.1 PEDAGOGIEK: EEN WETENSCHAPPELIJK KENNISDOMEIN OVER
OPVOEDEN
o Pedagogiek: een zelfstandige wetenschap met eigen theorieën en methoden over
opvoeden/wetenschap over opvoeding.
o Pedagogie: de handelingspraktijk van het opvoeden of het opvoedend bezig zijn in
een context of situatie.
o Opvoeder: de persoon die aan het opvoeden is.
o Pedagoog: de persoon die over opvoeden onderwijst, onderzoek doet of over
opvoeden schrijft.
o Pedagogische wetenschappen: bestuderen de opvoeding, het onderwijs en de
hulpverlening aan kinderen en jeugdigen, met het oog op verbetering van de praktijk.
Verbinding sociologie → opvoedingscontext
Verbinding levenslooppsychologie → ontwikkelingsfase
verbinding filosofie en ethiek → mensbeeld, waarden en normen
1.2 OMSCHRIJVING VAN OPVOEDEN EN ALGEMEEN PEDAGOGISCHE
HANDELEN
Malschaert en Traas: opvoeden is een bepaalde vorm van omgang tussen volwassenen en
jeugdigen die erop gericht is steun en richting te geven aan het proces van
volwassenwording.
Algemeen pedagogische handelen geeft beter weer dat er ook professioneel opgevoed
wordt. We denken hierbij aan het pedagogisch handelen in een leefgroep, in de school of in
het jeugdwerk.
Het algemeen pedagogisch handelen: is gericht op het bevorderen van het welzijn en de
ontwikkeling van kinderen, zodat zij opgroeien tot individuen die zelfstandig kunnen
functioneren in de samenleving.
1.3 PEDAGOGISCHE BASISBEGRIPPEN
Opvoeden vindt plaats in het gezin maar ook op school en in de samenleving. We kunnen
stellen dat opvoeden altijd in een opvoedingscontext plaatsheeft. Deze context kan heel
verschillend zijn. De opvoeder gaat een opvoedingsrelatie aan met het kind en creëert een
pedagogisch leefklimaat. Hij hanteert opvoedingsmiddelen en streeft opvoedingsdoelen
na. Opvoeden is een complementair en circulair proces. Dit wil zeggen dat opvoeder en
kind elkaar wederzijds beïnvloeden. De opvoeder draagt hierbij de pedagogische
verantwoordelijkheid die afneemt naarmate het kind ouder wordt. De opvoeder moet een
bepaalde mate van pedagogische sensitiviteit hebben om in te kunnen spelen op de noden
van kind. Dit proces wordt ook wel eens omschreven als de afstemming van het
pedagogisch aanbod van de opvoeder op de pedagogische vraag van het kind.
De opvoeder zal steeds keuzes moeten maken in de opvoeding. Deze keuzes worden onder
meer beïnvloed door normen en waarden. We zeggen dan ook dat opvoeden normatief is.
De professionele opvoeder/begeleider maakt deze keuzes vanuit een professioneel
denkkader. Het is dan ook ‘normatieve professional’.
3
, Extra verduidelijking:
o Complementair: een eigen inbreng hebben in eigen opvoeding, men past de
opvoeding aan het kind
o Circulair: het kind beïnvloedt zijn opvoeders en de opvoeders beïnvloeden het kind
vb. LGBTQ uitleggen aan ouders en hun mening hierover beïnvloeden.
o Normatief: waarden en normen die je hebt over opvoeding bv, ouders kiezen om hun
kind een losse of strenge opvoeding te geven naar mate hun normen en waarden vb.
sommige helpen in het huishouden vanaf de lagere school en ander helpen pas
vanaf hun 18 jaar.
1.3.1 OPVOEDINGSDOELEN
Opvoedingsdoelen hebben te maken met de mate waarin opvoeding bewust verloopt.
Bewust iets willen bereiken met opvoeden noemen we het intentioneel karakter van
opvoeden. Voorbeelden van opvoedingsdoelen zijn het dragen van verantwoordelijkheid,
ontwikkelen van een eigen identiteit,…
o Vroeger: gehoorzamen
o Nu: kritische zijn, voor jezelf opkomen
Doelen van ouders hangen samen met hun maatschappelijke positie, historische
ontwikkelingen en culturele achtergrond. De samenhang met culturele achtergrond kunnen
we bestuderen aan de hand van culturele modellen.
In cultuur zitten elementen van opvoeding want → ‘een patroon van gedrag, kennis en
attitudes die van generatie op generatie worden doorgegeven’.
De culturele context waarin een kind opgroeit wordt ook wel de ‘developmental niche’
genoemd en bestaat uit:
o de materiële en sociale kenmerken van de omgeving
o de ideeën die ouders hebben over de opvoeding en ontwikkeling van kinderen
o het gedrag van ouders als opvoeders
Onderscheid tussen individualistische en collectivistische culturen:
o Proximale interactie: het brengt mensen samen, veel fysiek contact (met iedereen)
o Distale interacties: meer afstand vb. baby’s apart in bed in aparte slaapkamer
Regio’s Focus Opvoedingsdoel Opvoedingsstijl
Collectivistisch Niet-westers, Groep Gehoorzaamheid Proximale
platteland en respect interacties
Individualistisch Westers, Individu Autonomie en Distale
stedelijk prestaties interacties
Autonome-relatiegerichte culturele model → een mengvorm van de twee culturele
oriëntaties. Dit komt vaak voor in gemigreerde populaties die oorspronkelijk collectivistische
waren maar nu in een individualistisch context wonen.
4
1 Pedagogiek en opvoeden ............................................................................................ 3
1.1 Pedagogiek: een wetenschappelijk kennisdomein over opvoeden .......................... 3
1.2 Omschrijving van opvoeden en algemeen pedagogische handelen ........................ 3
1.3 Pedagogische basisbegrippen ................................................................................ 3
1.3.1 Opvoedingsdoelen ........................................................................................... 4
1.3.2 Opvoedingsstijlen ............................................................................................. 5
1.3.3 Pedagogische leefklimaat................................................................................. 6
1.3.4 Referentiekader en normatief opvoeden........................................................... 9
1.4 Pedagogische verantwoordelijkheid ........................................................................ 9
1.5 Perspectieven ten aanzien van opvoeden ..............................................................10
1.5.1 Ontwikkelingsperspectief .................................................................................10
1.5.2 Nature – nurture ..............................................................................................11
1.5.3 Sociaal maatschappelijk perspectief ................................................................11
1.6 Opvoedingscontexten.............................................................................................12
1.6.1 Maatschappij ...................................................................................................12
1.6.2 Gezin ..............................................................................................................12
1.6.3 Kinderopvang ..................................................................................................13
1.6.4 School .............................................................................................................13
1.6.5 Buurt, leeftijdsgroep ........................................................................................13
1.6.6 Digitale wereld.................................................................................................13
2 Pedagogische visies ...................................................................................................14
2.1 Een inleiding in de theorie van Kok en Langeveld ..................................................14
2.1.1 opvoeden is een functioneel proces van in relatie staan (kok) .........................14
2.1.2 Opvoeden is een intentionele ontmoeting (Langveld) ......................................16
2.2 Zelf-determinatietheorie in de opvoeding................................................................16
2.2.1 Ontwikkeling voeden .......................................................................................17
2.2.2 De bouwstenen van een behoefte ondersteunende opvoeding .......................17
2.2.3 Straffen en belonen uit de zelf-determinatietheorie .........................................21
2.3 Nieuwe autoriteit ....................................................................................................23
2.3.1 Principes nieuwe autoriteit...............................................................................24
2.3.2 Nieuwe autoriteit in opvoedingsondersteuning ................................................25
1
,3 De historische dimensies van opvoeden...................................................................26
3.1 Inleiding..................................................................................................................26
3.2 Voor jeugdland: grote mensen in zakformaat (ca. 1250 – 1750) .............................26
3.3 Grootbrengen door kleinhouden (1750 – 1940) ......................................................28
3.4 De eeuw van het kind (1900-2000).........................................................................30
3.5 Het IVRK (1989) .....................................................................................................31
3.6 Het kind in de huidige maatschappij (ca. 2000 - …)................................................32
3.7 Superdiversiteit ......................................................................................................32
3.8 Niet-begeleide minderjarige vluchtelingen en daklozen ..........................................33
4 Modellen voor analyse van opvoedingscontexten en opvoedingsvragen ..............33
4.1 Opvoeden gaat (niet altijd) vanzelf .........................................................................33
4.2 Een gezinspedagogische kader (Hellinckx & Gesquiere, 1988) ..............................34
4.2.1 Het opvoeden als complementair en circulair proces.......................................34
4.2.2 Hoe het opvoedproces analyseren aan de hand van dit model .......................35
4.3 Ecologische systeemmodel (Bromfenbrenner) .......................................................37
4.4 Balansmodel ..........................................................................................................38
4.5 Sociaal competentiemodel .....................................................................................40
4.6 Sociale steuntheorie ...............................................................................................41
4.7 Opvoedingskompas (Vansteenkiste & Soenens) ....................................................42
5 Waar kennisgebieden doorstromen: pedagogiek en orthopedagogiek ..................44
5.1 Het model van kousemaker ....................................................................................44
5.2 Van pedagogiek naar orthopedagogiek ..................................................................46
2
,1 PEDAGOGIEK EN OPVOEDEN
1.1 PEDAGOGIEK: EEN WETENSCHAPPELIJK KENNISDOMEIN OVER
OPVOEDEN
o Pedagogiek: een zelfstandige wetenschap met eigen theorieën en methoden over
opvoeden/wetenschap over opvoeding.
o Pedagogie: de handelingspraktijk van het opvoeden of het opvoedend bezig zijn in
een context of situatie.
o Opvoeder: de persoon die aan het opvoeden is.
o Pedagoog: de persoon die over opvoeden onderwijst, onderzoek doet of over
opvoeden schrijft.
o Pedagogische wetenschappen: bestuderen de opvoeding, het onderwijs en de
hulpverlening aan kinderen en jeugdigen, met het oog op verbetering van de praktijk.
Verbinding sociologie → opvoedingscontext
Verbinding levenslooppsychologie → ontwikkelingsfase
verbinding filosofie en ethiek → mensbeeld, waarden en normen
1.2 OMSCHRIJVING VAN OPVOEDEN EN ALGEMEEN PEDAGOGISCHE
HANDELEN
Malschaert en Traas: opvoeden is een bepaalde vorm van omgang tussen volwassenen en
jeugdigen die erop gericht is steun en richting te geven aan het proces van
volwassenwording.
Algemeen pedagogische handelen geeft beter weer dat er ook professioneel opgevoed
wordt. We denken hierbij aan het pedagogisch handelen in een leefgroep, in de school of in
het jeugdwerk.
Het algemeen pedagogisch handelen: is gericht op het bevorderen van het welzijn en de
ontwikkeling van kinderen, zodat zij opgroeien tot individuen die zelfstandig kunnen
functioneren in de samenleving.
1.3 PEDAGOGISCHE BASISBEGRIPPEN
Opvoeden vindt plaats in het gezin maar ook op school en in de samenleving. We kunnen
stellen dat opvoeden altijd in een opvoedingscontext plaatsheeft. Deze context kan heel
verschillend zijn. De opvoeder gaat een opvoedingsrelatie aan met het kind en creëert een
pedagogisch leefklimaat. Hij hanteert opvoedingsmiddelen en streeft opvoedingsdoelen
na. Opvoeden is een complementair en circulair proces. Dit wil zeggen dat opvoeder en
kind elkaar wederzijds beïnvloeden. De opvoeder draagt hierbij de pedagogische
verantwoordelijkheid die afneemt naarmate het kind ouder wordt. De opvoeder moet een
bepaalde mate van pedagogische sensitiviteit hebben om in te kunnen spelen op de noden
van kind. Dit proces wordt ook wel eens omschreven als de afstemming van het
pedagogisch aanbod van de opvoeder op de pedagogische vraag van het kind.
De opvoeder zal steeds keuzes moeten maken in de opvoeding. Deze keuzes worden onder
meer beïnvloed door normen en waarden. We zeggen dan ook dat opvoeden normatief is.
De professionele opvoeder/begeleider maakt deze keuzes vanuit een professioneel
denkkader. Het is dan ook ‘normatieve professional’.
3
, Extra verduidelijking:
o Complementair: een eigen inbreng hebben in eigen opvoeding, men past de
opvoeding aan het kind
o Circulair: het kind beïnvloedt zijn opvoeders en de opvoeders beïnvloeden het kind
vb. LGBTQ uitleggen aan ouders en hun mening hierover beïnvloeden.
o Normatief: waarden en normen die je hebt over opvoeding bv, ouders kiezen om hun
kind een losse of strenge opvoeding te geven naar mate hun normen en waarden vb.
sommige helpen in het huishouden vanaf de lagere school en ander helpen pas
vanaf hun 18 jaar.
1.3.1 OPVOEDINGSDOELEN
Opvoedingsdoelen hebben te maken met de mate waarin opvoeding bewust verloopt.
Bewust iets willen bereiken met opvoeden noemen we het intentioneel karakter van
opvoeden. Voorbeelden van opvoedingsdoelen zijn het dragen van verantwoordelijkheid,
ontwikkelen van een eigen identiteit,…
o Vroeger: gehoorzamen
o Nu: kritische zijn, voor jezelf opkomen
Doelen van ouders hangen samen met hun maatschappelijke positie, historische
ontwikkelingen en culturele achtergrond. De samenhang met culturele achtergrond kunnen
we bestuderen aan de hand van culturele modellen.
In cultuur zitten elementen van opvoeding want → ‘een patroon van gedrag, kennis en
attitudes die van generatie op generatie worden doorgegeven’.
De culturele context waarin een kind opgroeit wordt ook wel de ‘developmental niche’
genoemd en bestaat uit:
o de materiële en sociale kenmerken van de omgeving
o de ideeën die ouders hebben over de opvoeding en ontwikkeling van kinderen
o het gedrag van ouders als opvoeders
Onderscheid tussen individualistische en collectivistische culturen:
o Proximale interactie: het brengt mensen samen, veel fysiek contact (met iedereen)
o Distale interacties: meer afstand vb. baby’s apart in bed in aparte slaapkamer
Regio’s Focus Opvoedingsdoel Opvoedingsstijl
Collectivistisch Niet-westers, Groep Gehoorzaamheid Proximale
platteland en respect interacties
Individualistisch Westers, Individu Autonomie en Distale
stedelijk prestaties interacties
Autonome-relatiegerichte culturele model → een mengvorm van de twee culturele
oriëntaties. Dit komt vaak voor in gemigreerde populaties die oorspronkelijk collectivistische
waren maar nu in een individualistisch context wonen.
4