HOOFDSTUK 1: ONTSTAAN EN BRONNEN.................................................................................4
1.1 ONTSTAAN EN FINALITEIT......................................................................................................4
A. Historische inleiding..............................................................................................................4
1.2 STRUCTUUR............................................................................................................................. 5
1.3 BRONNEN................................................................................................................................. 5
A. Internationale bronnen..........................................................................................................5
B. Nationale bronnen.................................................................................................................7
C. Hiërarchie............................................................................................................................. 8
1.4 AARD......................................................................................................................................... 9
1.5 AUTONOMIE............................................................................................................................ 11
1.6 TAALGEBRUIK........................................................................................................................ 11
HOOFDSTUK 2 : COLLECTIEF ARBEIDSRECHT.......................................................................12
2.1 ALGEMEEN............................................................................................................................. 12
2.2 PARTIJEN OVERLEG.............................................................................................................. 12
A. Algemeen............................................................................................................................ 12
B. Werknemersorganisaties....................................................................................................12
C. Werkgeversorganisaties.....................................................................................................15
1.3 NIVEAUS EN INSTELLINGEN.................................................................................................15
A. Interprofessioneel............................................................................................................... 15
B. Sectoraal............................................................................................................................. 18
C. Onderneming...................................................................................................................... 19
1.4 CAO25
A. Binding (!!).......................................................................................................................... 27
1.5 COLLECTIEVE GESCHILLEN.................................................................................................29
A. Werkstaking........................................................................................................................ 29
B. Uitsluiting............................................................................................................................ 32
C. Beheersen conflict.............................................................................................................. 32
1.6 ARBEIDSREGLEMENT........................................................................................................... 34
A. Opstellen van een arbeidsreglement...................................................................................34
B. Inhoud................................................................................................................................. 34
1.6 HERSTRUCTUERERING........................................................................................................ 35
A. Collectief ontslag................................................................................................................. 35
B. Sluiting onderneming.......................................................................................................... 36
c. Overdracht onderneming.....................................................................................................36
HOOFDSTUK 3: ARBEIDSMARKTRECHT..................................................................................37
3.1 WERKGELEGENHEIDSBEVORDERING................................................................................37
A. Beleid.................................................................................................................................. 37
B. Financiële voordelen........................................................................................................... 37
C. Tewerkstelling..................................................................................................................... 38
3.2 Werving en selectie.................................................................................................................. 38
A. Arbeidsbemiddeling............................................................................................................ 38
B. Uitzendarbeid (tijdelijke arbeid)...........................................................................................39
C. Terbeschikkingstelling........................................................................................................ 41
,D. Outplacement..................................................................................................................... 41
E. Buitenlands......................................................................................................................... 42
F. Sollicitatie en werving.......................................................................................................... 44
,Soorten examenvragen
Zie UFORA voor puntenverdeling
Casus fictief geval – verschillende onderdelen van de cursus nodig om ze op te
lossen
Open vraag – actualiteit (!) – situatie die zich op dit ogenblik voordoet –
juridisch fout krantenartikel geven en kunnen uitleggen waarom dit fout is
8 keuzevragen – stellingen – peilen naar leesvaardigheid, inzicht, verbanden,
toepassingen, …
Juist/fout
Korte motivering (!!)
Geen giscorrectie
Voorbeelden op ufora
Kijk naar welke woorden er in de zin gebruikt worden : ‘altijd’ → soms
uitzonderingen …
CODEX volstaat voor het examen, indien er een bepaalde CAO niet opgenomen is in
de codex, dan zal dit niet bevraagd worden.
, HOOFDSTUK 1: ONTSTAAN EN BRONNEN
1.1 ONTSTAAN EN FINALITEIT
A. Historische inleiding
Vroeger: meerderheid van de mensen waren slaven en werden niet betaald voor hun
inspanningen. Hierdoor is het arbeidsrecht slechts een zeer jonge rechtstak (cfr. RR)
Franse revolutie: introductie van vrijheid en nijverheid (einde van Ancien Regime),
maar ook vele belastingen
Liberté, fraternité et égalité → iedereen gelijke wijze en kansen om zich te
ontwikkelen/werken en niet alleen de rijken. Dan kunnen we de égalité gaan toepassen
als een vorm van liberté; je moet de totale vrijheid krijgen om te ondernemen.
→ Dit leidde tot het Decreet d’Allarde (2/3/1791) : je moet de totale/ absolute
vrijheid (liberté) krijgen om te ondernemen, om arbeidsvoorwaarden en -
omstandigheden te ontwikkelen en te bepalen
→ De droom van de slechte weg: werkgevers waren volledig vrij om te kiezen
wanneer wie werkt en voor welke verloning, zeer nadelig voor de werkkrachten
19e E: misbruik van de vrijheid van de nijverheid
Gentse katoenindustrie: werkdagen van 12 tot 14 uur, 7 op 7
Kinderarbeid
Vakbonden mochten niet opgericht worden – coalitieverbod tot 1866 –
tegenreactie: verbod tot staken (van 1866 – 1921) – Belgische Werklieden Partij
deed toch stakingen om stemrecht te verwerven + betere
arbeidsomstandigheden (1885) – sociale onrusten + staken (Charleroi, 1886)
wegens dramatische omstandigheden, vuren zijn geopend op degenen die aan
het staken waren – tegenreactie: staken werd toegestaan mits dit niet de
werkwilligen verstoorde (1892) – Koninklijk Besluit 15/4/1886: Commissie voor
Nijverheidsarbeid
Einde 19e E: resultaten begonnen zichtbaar te worden, er komen eerste sociale wetten
˃ 1887: verbod truck1 systeem
˃ 1889: verbod op vrouwen2- en kinderarbeid3
˃ 1896: werkplaatsreglement4
˃ 1900: wet op arbeidscontract5
˃ 1905: wet op zondagsrust
Na WO1 → algemeen enkelvoudig stemrecht (alleen voor mannen)
→ wet vrijheid van vereniging (1921) : je mag wel degelijk vakbonden
oprichten en zo ontstaat er een discussie over wat vakbonden al dan niet
kunnen doen (overleggen-onderhandelen over arbeidsvoorwaarden)
1
Je krijgt bonnen die je kan besteden bij de onderneming van de baas of een van zijn partners.
2
Nog steeds van toepassing, bijvoorbeeld voor zwangere vrouwen
3
Hedendaagse discussie: mama’s die hun kinderen tiktoks laten maken met gesponsorde
kledij, waarvoor zij dus een vergoeding krijgen
4
Hoe moet de werkplaats eruit zien? Welke maatregelen heb je genomen ter bescherming van
de werknemers?
5
Begin: alleen voor arbeiders (niet voor bediendes), slechts een aantal regels → de partijen
bleven redelijk vrij om het contract zelf in te vullen zoals ze wouden