DIDACTIEK NEDERLANDS 2
VORIG JAAR KORTE SAMENVATTING + INTRODUCTIE
KRACHTIG TAALONDERWIJS, DE HELE DAG: ZEVEN PRINCIPES
PRINCIPE 1: TAALKRACHTIG ONDERWIJS STIMULEERT EEN POSITIEVE TALIGE
GRONDHOUDING
Kenmerken Veilige oefencontext bieden (positieve omgeving)
Experimenteren met taal
Fouten maken mag
Het talige repertoire van leerlingen omarmen
Eigen tempo
Hen aanvaarden zoals ze zijn (interesse in talen van de lln, waarderen
dat ze zoveel talen kennen)
Hoge verwachtingen koesteren
Geloven in taalvermogen van de lln
Door hoge verwachtingen geef je hun het nodige zelfvertrouwen
Rijk taalaanbod en uitdagende talige taken
Voorbeeld Juf Isha daagt de leerlingen uit door hen zelfstandig een moeilijke tekst te laten
verwerken. Ze zorgt echter ook voor veiligheid, door de lln in groepjes te laten
samenwerken en ondersteuning te bieden als ze daar nood aan hebben. De
leerlingen mogen het brugje maken naar hun thuistaal als dat kan helpen om
de tekst beter te begrijpen.
PRINCIPE 2: TAALKRACHTIG ONDERWIJS IS CONTEXTRIJK
Kenmerken Betekenisvolle context
Interesses en voorkennis lln
Aansluiten bij hun leefwereld (waardering en inspelen om motivatie)
Ondersteunende context
Visuele ondersteuning
Talige ondersteuning: schooltaal
Voorkennis
Vertrekken vanuit concrete materialen, vragen en situaties en die verbinden
met abstracte inhouden
Voorbeeld Jus Isha vertrekt vanuit de eigen gemeente van de lln en vanuit de brieven die
ze geschreven hebben aan leeftijdsgenootjes in andere gemeenten. Daaraan
koppelt ze nieuwe kennis: de verschillende provincies in België. Ze daagt de
leerlingen uit om de nieuwe kennis meteen in te zetten.
PRINCIPE 3: TAALKRACHTIG ONDERWIJS IS FUNCTIONEEL
Kenmerken Taal als middel= betekenisvolle taak
Dient om andere doelen te bereiken
Samenwerking= functioneel
Motivatie van leerlingen vergroten – betrokkenheid verhoogt
Voorbeeld De leerlingen van juf Isha lezen en overleggen met elkaar, zodat ze er samen
voor kunnen zorgen dat hun brieven op de juiste plaats terechtkomen.
PRINCIPE 4: TAALKRACHTIG ONDERWIJS IS (INTER)ACTIEF
Kenmerken Leraar- leerlinginteractie
Persoonlijke input
Feedback
Taalstimulerend reageren (prikkelende vragen, rijkere verwoording en
terugverwijzen naar het doel)
Leerling- leerlinginteractie
Werkvormen goed kiezen
Groepjes: homogeen of heterogeen
Voorbeeld Juf Isha maakt heterogene groepjes op basis van voorkennis en laat leerlingen
samen aan een opdracht werken. Zij ondersteunt de leerlingen door
taalaanbod, feedback en ondersteuning te voorzien.
PRINCIPE 5: TAALKRACHTIG ONDERWIJS GEEFT ONDERSTEUNING
Kenmerken Kwaliteitsvolle feedback
, Feedback
Feedup
Feedforward
Nodige ondersteuning bieden: scaffolding en/of modeling
Differentiëren
Kloof dichten van wat ze wel al kennen en kennen en wat nog niet
Gerichte ondersteuning
Bal terugkaatsen
Betekenisonderhandeling doen (bv in welke zin staat dat moeilijk woord
weer? Wat zou het kunnen betekenen?)
Ander probleem waardoor ze moeten reflecteren
Voorbeeld Juf Isha ondersteunt de lln terwijl ze de tekst over provincies lezen. Dat doet ze
door heterogene groepjes te maken, zodat leerlingen elkaar kunnen
ondersteunen en door tijdens het groepswerk feedback te geven op wat ze ziet
en hoort gebeuren.
PRINCIPE 6: TAALKRACHTIG ONDERWIJS HEEFT AANDACHT VOOR HET IMPLICIET EN
EXPLECIET LEREN
Kenmerken Impliciet leren
Nieuwe taal onbewust opnemen
Expliciet leren
Bewust stilstaan bij vormelijke en theoretische aspecten
Incidenteel vs. intentioneel taal leren
Incidenteel:
Woorden, constructies… komen per toeval aan bod (niet gepland)
Als lln vragen stellen of leraar ergens dieper op ingaat
Intentioneel:
Doelbewust en gepland ingaan op talige aspecten, je plant het in.
Strategieën:
Als leraar rolmodel (modeling – zo goed mogelijk voorbereiden)
Focus on form
Inschatten wanneer en met wie je inzoomt op welk aspect
Voorbeeld Juf Isha zoomt in op taal terwijl de leerlingen bezig zijn met een contextrijke,
functionele opdracht: ze geeft strategie-instructies, wijst op spellingsregels en
modelt gesprekstechnieken.
PRINCIPE 7: TAALKRACHTIG ONDERWIJS BIEDT KANSEN TOT REFLECTIE
Kenmerken Door reflecteren werk je expliciet aan taalcompetenties + individuele
vooruitgang.
Leerproces ondersteunen en gericht en gemotiveerd verder laten
werken
Hetgeen ze impliciet opnemen, kunnen ze aanvullen met de aandacht
die ze moeten geven aan het expliciete.
Reflectie op initiatief van de leraar:
Voor:
Voorkennis + welke vragen zijn er? + lesdoel koppelen
Tijdens (betekenisvolle taak):
Hoe willen ze iets aanpakken, wat heeft dit al opgeleverd + zichzelf
bijsturen
Product en proces – reflecteren
Reflectie door medeleerlingen
Ze geven feedback, stellen vragen en bouwen verder op elkaars ideeën
Tijd en ruimte om te reflecteren
Voorbeeld Wanneer leerlingen moeilijkheden ondervinden met een complexte tekst,
reflecteert juf Isha tijdens het groepswerk samen met de leerlingen over de
leesopdracht. Aan het einde van de les blikt ze terug op de verschillende
taalcompetenties die de leerlingen hebben ingezet, en benoemen ze samen
wat ze volgende keer anders zullen aanpakken.
, WAARVOOR DIENT TAAL?
Taalcompetentie= geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om geschreven,
gesproken en multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te gebruiken, zodat:
Volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk wordt
De eigen doelen gerealiseerd kunnen worden
De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden ontwikkeld
Functies=
Conceptualiserende functie
Communicatieve functie
Sociale functie
Expressieve functie
Functies van taal die onlosmakelijk verbonden zijn met de ontwikkeling van identiteit
SCHRIJVEN
WAT IS SCHRIJVEN?
Behoort samen met lezen tot schriftelijke vaardigheden
En is ook een productieve vaardigheid zoals spreken.
Afstand = uitdaging
Bij schrijven kan je niet zien of de leerling het snappen= uitdaging
Bij spreken kan je wel zien of ze het begrijpen aan de hand van hun houding,
gezichtsuitdrukking…
Bij het eerste leerjaar is de schrijfmotivatie hoog. Alleen kan de schrijfmotivatie naar de tweede graad
toe snel aftakelen.
Je moet schrijfopdrachten geven die functioneel, motiverend zijn voor de kinderen.
Functies van schrijven=
De communicatieve functie
o Je schrijft om te communiceren
o In brieven, mails… geef je een concrete boodschap door aan iemand anders
De expressieve functie
o Emoties uiten
o Je gevoelens en gedachten uiten op papier (Je schrijft voor jezelf)
De conceptualiserende functie
o Wat je denkt ga je vastzetten, dingen die je wil onthouden
o Schrijven helpt om je ideeën te ordenen
De sociale functie
o Dezelfde taal spreken, schrijven: dit zorgt voor verbinding.
o Hoe je schrijft, bepaalt tot welke groep je behoort.
De schrijver
Inhoudelijke kennis
o Een leerling moet iets weten over het onderwerp waarover hij schrijft (bv. wat er moet
gebeuren, voor wie de tekst is… )
Voorkennis
o De leerling vertrekt vanuit wat hij al weet en begrijpt. Hoe meer voorkennis, hoe
makkelijker hij een tekst kan opbouwen.
Motivatie
o Willen schrijven helpt om beter te schrijven. Een leerling die betrokken is, schrijft
doelgerichter en nauwkeuriger.
Woordenschat en taalbegrip
o Om te kunnen schrijven moet een leerling voldoende woorden kennen en begrijpen.
Zelfsturing
o Schrijven vraagt regie over het proces: plannen, vooruitdenken, keuzes maken, fouten
opsporen en herwerken.
o Sommigen kunnen dit goed, anderen vinden dit moeilijk.
VORIG JAAR KORTE SAMENVATTING + INTRODUCTIE
KRACHTIG TAALONDERWIJS, DE HELE DAG: ZEVEN PRINCIPES
PRINCIPE 1: TAALKRACHTIG ONDERWIJS STIMULEERT EEN POSITIEVE TALIGE
GRONDHOUDING
Kenmerken Veilige oefencontext bieden (positieve omgeving)
Experimenteren met taal
Fouten maken mag
Het talige repertoire van leerlingen omarmen
Eigen tempo
Hen aanvaarden zoals ze zijn (interesse in talen van de lln, waarderen
dat ze zoveel talen kennen)
Hoge verwachtingen koesteren
Geloven in taalvermogen van de lln
Door hoge verwachtingen geef je hun het nodige zelfvertrouwen
Rijk taalaanbod en uitdagende talige taken
Voorbeeld Juf Isha daagt de leerlingen uit door hen zelfstandig een moeilijke tekst te laten
verwerken. Ze zorgt echter ook voor veiligheid, door de lln in groepjes te laten
samenwerken en ondersteuning te bieden als ze daar nood aan hebben. De
leerlingen mogen het brugje maken naar hun thuistaal als dat kan helpen om
de tekst beter te begrijpen.
PRINCIPE 2: TAALKRACHTIG ONDERWIJS IS CONTEXTRIJK
Kenmerken Betekenisvolle context
Interesses en voorkennis lln
Aansluiten bij hun leefwereld (waardering en inspelen om motivatie)
Ondersteunende context
Visuele ondersteuning
Talige ondersteuning: schooltaal
Voorkennis
Vertrekken vanuit concrete materialen, vragen en situaties en die verbinden
met abstracte inhouden
Voorbeeld Jus Isha vertrekt vanuit de eigen gemeente van de lln en vanuit de brieven die
ze geschreven hebben aan leeftijdsgenootjes in andere gemeenten. Daaraan
koppelt ze nieuwe kennis: de verschillende provincies in België. Ze daagt de
leerlingen uit om de nieuwe kennis meteen in te zetten.
PRINCIPE 3: TAALKRACHTIG ONDERWIJS IS FUNCTIONEEL
Kenmerken Taal als middel= betekenisvolle taak
Dient om andere doelen te bereiken
Samenwerking= functioneel
Motivatie van leerlingen vergroten – betrokkenheid verhoogt
Voorbeeld De leerlingen van juf Isha lezen en overleggen met elkaar, zodat ze er samen
voor kunnen zorgen dat hun brieven op de juiste plaats terechtkomen.
PRINCIPE 4: TAALKRACHTIG ONDERWIJS IS (INTER)ACTIEF
Kenmerken Leraar- leerlinginteractie
Persoonlijke input
Feedback
Taalstimulerend reageren (prikkelende vragen, rijkere verwoording en
terugverwijzen naar het doel)
Leerling- leerlinginteractie
Werkvormen goed kiezen
Groepjes: homogeen of heterogeen
Voorbeeld Juf Isha maakt heterogene groepjes op basis van voorkennis en laat leerlingen
samen aan een opdracht werken. Zij ondersteunt de leerlingen door
taalaanbod, feedback en ondersteuning te voorzien.
PRINCIPE 5: TAALKRACHTIG ONDERWIJS GEEFT ONDERSTEUNING
Kenmerken Kwaliteitsvolle feedback
, Feedback
Feedup
Feedforward
Nodige ondersteuning bieden: scaffolding en/of modeling
Differentiëren
Kloof dichten van wat ze wel al kennen en kennen en wat nog niet
Gerichte ondersteuning
Bal terugkaatsen
Betekenisonderhandeling doen (bv in welke zin staat dat moeilijk woord
weer? Wat zou het kunnen betekenen?)
Ander probleem waardoor ze moeten reflecteren
Voorbeeld Juf Isha ondersteunt de lln terwijl ze de tekst over provincies lezen. Dat doet ze
door heterogene groepjes te maken, zodat leerlingen elkaar kunnen
ondersteunen en door tijdens het groepswerk feedback te geven op wat ze ziet
en hoort gebeuren.
PRINCIPE 6: TAALKRACHTIG ONDERWIJS HEEFT AANDACHT VOOR HET IMPLICIET EN
EXPLECIET LEREN
Kenmerken Impliciet leren
Nieuwe taal onbewust opnemen
Expliciet leren
Bewust stilstaan bij vormelijke en theoretische aspecten
Incidenteel vs. intentioneel taal leren
Incidenteel:
Woorden, constructies… komen per toeval aan bod (niet gepland)
Als lln vragen stellen of leraar ergens dieper op ingaat
Intentioneel:
Doelbewust en gepland ingaan op talige aspecten, je plant het in.
Strategieën:
Als leraar rolmodel (modeling – zo goed mogelijk voorbereiden)
Focus on form
Inschatten wanneer en met wie je inzoomt op welk aspect
Voorbeeld Juf Isha zoomt in op taal terwijl de leerlingen bezig zijn met een contextrijke,
functionele opdracht: ze geeft strategie-instructies, wijst op spellingsregels en
modelt gesprekstechnieken.
PRINCIPE 7: TAALKRACHTIG ONDERWIJS BIEDT KANSEN TOT REFLECTIE
Kenmerken Door reflecteren werk je expliciet aan taalcompetenties + individuele
vooruitgang.
Leerproces ondersteunen en gericht en gemotiveerd verder laten
werken
Hetgeen ze impliciet opnemen, kunnen ze aanvullen met de aandacht
die ze moeten geven aan het expliciete.
Reflectie op initiatief van de leraar:
Voor:
Voorkennis + welke vragen zijn er? + lesdoel koppelen
Tijdens (betekenisvolle taak):
Hoe willen ze iets aanpakken, wat heeft dit al opgeleverd + zichzelf
bijsturen
Product en proces – reflecteren
Reflectie door medeleerlingen
Ze geven feedback, stellen vragen en bouwen verder op elkaars ideeën
Tijd en ruimte om te reflecteren
Voorbeeld Wanneer leerlingen moeilijkheden ondervinden met een complexte tekst,
reflecteert juf Isha tijdens het groepswerk samen met de leerlingen over de
leesopdracht. Aan het einde van de les blikt ze terug op de verschillende
taalcompetenties die de leerlingen hebben ingezet, en benoemen ze samen
wat ze volgende keer anders zullen aanpakken.
, WAARVOOR DIENT TAAL?
Taalcompetentie= geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om geschreven,
gesproken en multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te gebruiken, zodat:
Volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk wordt
De eigen doelen gerealiseerd kunnen worden
De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden ontwikkeld
Functies=
Conceptualiserende functie
Communicatieve functie
Sociale functie
Expressieve functie
Functies van taal die onlosmakelijk verbonden zijn met de ontwikkeling van identiteit
SCHRIJVEN
WAT IS SCHRIJVEN?
Behoort samen met lezen tot schriftelijke vaardigheden
En is ook een productieve vaardigheid zoals spreken.
Afstand = uitdaging
Bij schrijven kan je niet zien of de leerling het snappen= uitdaging
Bij spreken kan je wel zien of ze het begrijpen aan de hand van hun houding,
gezichtsuitdrukking…
Bij het eerste leerjaar is de schrijfmotivatie hoog. Alleen kan de schrijfmotivatie naar de tweede graad
toe snel aftakelen.
Je moet schrijfopdrachten geven die functioneel, motiverend zijn voor de kinderen.
Functies van schrijven=
De communicatieve functie
o Je schrijft om te communiceren
o In brieven, mails… geef je een concrete boodschap door aan iemand anders
De expressieve functie
o Emoties uiten
o Je gevoelens en gedachten uiten op papier (Je schrijft voor jezelf)
De conceptualiserende functie
o Wat je denkt ga je vastzetten, dingen die je wil onthouden
o Schrijven helpt om je ideeën te ordenen
De sociale functie
o Dezelfde taal spreken, schrijven: dit zorgt voor verbinding.
o Hoe je schrijft, bepaalt tot welke groep je behoort.
De schrijver
Inhoudelijke kennis
o Een leerling moet iets weten over het onderwerp waarover hij schrijft (bv. wat er moet
gebeuren, voor wie de tekst is… )
Voorkennis
o De leerling vertrekt vanuit wat hij al weet en begrijpt. Hoe meer voorkennis, hoe
makkelijker hij een tekst kan opbouwen.
Motivatie
o Willen schrijven helpt om beter te schrijven. Een leerling die betrokken is, schrijft
doelgerichter en nauwkeuriger.
Woordenschat en taalbegrip
o Om te kunnen schrijven moet een leerling voldoende woorden kennen en begrijpen.
Zelfsturing
o Schrijven vraagt regie over het proces: plannen, vooruitdenken, keuzes maken, fouten
opsporen en herwerken.
o Sommigen kunnen dit goed, anderen vinden dit moeilijk.