Samenvatting Respiratie (longfysio)
1. Inleiding – Waarom ademen we?
Ademhaling (respiratie): zorgt voor
o zuurstof (O₂) opname,
o afgifte van koolstofdioxide (CO₂),
o behoud van pH (zuurgraad) in het bloed.
Belangrijke begrippen:
o pH = maat voor zuurgraad in bloed (normaal 7,35–7,45). Lager = zuur (acidose),
hoger = basisch (alkalose).
o Ventilatie (V) = verplaatsing van lucht in de longen.
o Perfusie (Q) = doorstroming van bloed door de longen.
o Oxygenatie = opname van O₂ in het bloed.
2. Spontane ademhaling
Centrale en perifere aansturing
Centraal (75%): ademcentrum in de hersenstam.
o Reageert direct op pCO₂ (koolzuurspanning) en pH.
o Reageert indirect op pO₂ (zuurstofspanning).
Perifeer (25%): sensoren in arteria carotis (halsslagader) en aortaboog meten O₂.
Overige receptoren:
o Rekreceptoren = meten uitrekking van de longen.
o Bewegingsreceptoren = meten activiteit van spieren.
o Irritatiereceptoren = reageren op prikkels (bijv. rook, stof).
o J-receptoren (juxtacapillaire receptoren) = in alveoli, reageren op verhoogde druk of
vocht.
Termen uitgelegd:
pCO₂ = hoeveelheid opgeloste koolzuurgas in het bloed.
pO₂ = hoeveelheid opgeloste zuurstof in het bloed.
Spierarbeid
Samenvatting Respiratie
Minor: Acute zorg
, Inspiratie (inademing): actief proces → spieren trekken samen, lucht wordt naar binnen
gezogen.
Expiratie (uitademing): passief proces → spieren ontspannen, lucht stroomt naar buiten.
Hulpspieren: worden ingezet bij inspanning of benauwdheid.
Thorax en long
Thorax (borstkas): stijf, elastisch kraakbeen, duwt naar
buiten (thoraxveer) negatieve druk.
Longen: zacht weefsel, trekken naar binnen (longveer)
positieve druk
Pleuraholte: ruimte tussen long en borstwand met
negatieve druk → zorgt dat longen tegen de borstwand
blijven en meebewegen.
3. Anatomie van de longen
Trachea (luchtpijp): geleidt lucht naar de longen.
Hoge luchtweg:
functie: zorgt voor geleiding, filteren, reinigen, temperatuur en bevochtigen.
generaties: 0–16.
Diameter: 19 -> 0.6mm
Gaswisseling: nee.
Lage luchtweg (respiratoire zone):
Functie: gaswisseling
generaties 16–23
Diameter: 0.5
Respiratoire bronchiolen ➔ alveolaire buisjes ➔ alveoli
Alveoli (longblaasjes) = kleine blaasjes waar zuurstof en koolstofdioxide worden uitgewisseld.
± 480 miljoen bij volwassenen (kind maakt
alveolen aan tot aan pubertijd)
Type 1 cellen: zorgen voor gaswisseling (O₂ ↔
CO₂).
Type 2 cellen: maken surfactant (vloeistof die
oppervlaktespanning verlaagt).
Samenvatting Respiratie
Minor: Acute zorg
, Macrofagen: afweercellen die bacteriën opruimen.
Surfactant = soort “zeepstofje” dat voorkomt
dat alveoli inklappen.
Effect van surfactant
▪ Verlaagt oppervlaktespanning
▪ Makkelijker opening alveoli bij inspiratie
▪ Voorkomt collaps van alveoli bij expiratie
▪ Verlaagt longelasticiteit
▪ Afname ademarbeid
4. Gaswisseling (diffusie)
Diffusie = verplaatsing van stoffen van hoge naar lage concentratie.
Respiratoire zone:
- Alveoli
- Alveolaire buisjes
- Bronchioli
Factoren die diffusie beïnvloeden:
o Concentratieverschil: groter verschil = snellere uitwisseling.
o Oppervlak: - Meer m2 = betere diffusie - Minder m2 = minder diffusie
o Afstand: dunnere wand = snellere diffusie.
o Gaseigenschappen: CO₂ diffundeert 20× sneller dan O₂.
5. Druk en volume
Belangrijke longvolumes
Teugvolume (TV): lucht per ademhaling (~500 ml).
Vitale capaciteit (VC): max. in- en uitademing.
Functionele residu capaciteit (FRC): lucht die achterblijft na rustige uitademing.
Totale longcapaciteit (TLC): totaal volume in de long.
Residuaal volume: lucht die nooit uitgeademd kan worden.
Weerstand (R): tegenwerking die volumestroom (flow) in een buis ondervindt
o Halvering van diameter → weerstand ×16.
Samenvatting Respiratie
Minor: Acute zorg
1. Inleiding – Waarom ademen we?
Ademhaling (respiratie): zorgt voor
o zuurstof (O₂) opname,
o afgifte van koolstofdioxide (CO₂),
o behoud van pH (zuurgraad) in het bloed.
Belangrijke begrippen:
o pH = maat voor zuurgraad in bloed (normaal 7,35–7,45). Lager = zuur (acidose),
hoger = basisch (alkalose).
o Ventilatie (V) = verplaatsing van lucht in de longen.
o Perfusie (Q) = doorstroming van bloed door de longen.
o Oxygenatie = opname van O₂ in het bloed.
2. Spontane ademhaling
Centrale en perifere aansturing
Centraal (75%): ademcentrum in de hersenstam.
o Reageert direct op pCO₂ (koolzuurspanning) en pH.
o Reageert indirect op pO₂ (zuurstofspanning).
Perifeer (25%): sensoren in arteria carotis (halsslagader) en aortaboog meten O₂.
Overige receptoren:
o Rekreceptoren = meten uitrekking van de longen.
o Bewegingsreceptoren = meten activiteit van spieren.
o Irritatiereceptoren = reageren op prikkels (bijv. rook, stof).
o J-receptoren (juxtacapillaire receptoren) = in alveoli, reageren op verhoogde druk of
vocht.
Termen uitgelegd:
pCO₂ = hoeveelheid opgeloste koolzuurgas in het bloed.
pO₂ = hoeveelheid opgeloste zuurstof in het bloed.
Spierarbeid
Samenvatting Respiratie
Minor: Acute zorg
, Inspiratie (inademing): actief proces → spieren trekken samen, lucht wordt naar binnen
gezogen.
Expiratie (uitademing): passief proces → spieren ontspannen, lucht stroomt naar buiten.
Hulpspieren: worden ingezet bij inspanning of benauwdheid.
Thorax en long
Thorax (borstkas): stijf, elastisch kraakbeen, duwt naar
buiten (thoraxveer) negatieve druk.
Longen: zacht weefsel, trekken naar binnen (longveer)
positieve druk
Pleuraholte: ruimte tussen long en borstwand met
negatieve druk → zorgt dat longen tegen de borstwand
blijven en meebewegen.
3. Anatomie van de longen
Trachea (luchtpijp): geleidt lucht naar de longen.
Hoge luchtweg:
functie: zorgt voor geleiding, filteren, reinigen, temperatuur en bevochtigen.
generaties: 0–16.
Diameter: 19 -> 0.6mm
Gaswisseling: nee.
Lage luchtweg (respiratoire zone):
Functie: gaswisseling
generaties 16–23
Diameter: 0.5
Respiratoire bronchiolen ➔ alveolaire buisjes ➔ alveoli
Alveoli (longblaasjes) = kleine blaasjes waar zuurstof en koolstofdioxide worden uitgewisseld.
± 480 miljoen bij volwassenen (kind maakt
alveolen aan tot aan pubertijd)
Type 1 cellen: zorgen voor gaswisseling (O₂ ↔
CO₂).
Type 2 cellen: maken surfactant (vloeistof die
oppervlaktespanning verlaagt).
Samenvatting Respiratie
Minor: Acute zorg
, Macrofagen: afweercellen die bacteriën opruimen.
Surfactant = soort “zeepstofje” dat voorkomt
dat alveoli inklappen.
Effect van surfactant
▪ Verlaagt oppervlaktespanning
▪ Makkelijker opening alveoli bij inspiratie
▪ Voorkomt collaps van alveoli bij expiratie
▪ Verlaagt longelasticiteit
▪ Afname ademarbeid
4. Gaswisseling (diffusie)
Diffusie = verplaatsing van stoffen van hoge naar lage concentratie.
Respiratoire zone:
- Alveoli
- Alveolaire buisjes
- Bronchioli
Factoren die diffusie beïnvloeden:
o Concentratieverschil: groter verschil = snellere uitwisseling.
o Oppervlak: - Meer m2 = betere diffusie - Minder m2 = minder diffusie
o Afstand: dunnere wand = snellere diffusie.
o Gaseigenschappen: CO₂ diffundeert 20× sneller dan O₂.
5. Druk en volume
Belangrijke longvolumes
Teugvolume (TV): lucht per ademhaling (~500 ml).
Vitale capaciteit (VC): max. in- en uitademing.
Functionele residu capaciteit (FRC): lucht die achterblijft na rustige uitademing.
Totale longcapaciteit (TLC): totaal volume in de long.
Residuaal volume: lucht die nooit uitgeademd kan worden.
Weerstand (R): tegenwerking die volumestroom (flow) in een buis ondervindt
o Halvering van diameter → weerstand ×16.
Samenvatting Respiratie
Minor: Acute zorg