Kan iemand zich beroepen op een richtlijn?
Stap 1: art. 288 VWEU
O.g.v. art. 288 VWEU is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken
resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale
instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.
Dit betekent dat een richtlijn omgezet moet worden naar nationale wetgeving.
Stap 2: omzettingstermijn en rechtstreekse werking
Vanaf de inwerkingtreding is de omzettingstermijn over het algemeen 2 jaar.
Voor de omzettingstermijn heeft een richtlijn nog geen rechtstreekse werking.
Vanaf het tijdstip v.d. inwerkingtreding mag een nationale rechter het nationale
recht niet uitleggen dat de verwezenlijking v.d. doelstelling v.d. richtlijn ernstig in
gevaar zou kunnen worden gebracht.
(Tussenconclusie: is aan deze termijn voldaan en is er dus sprake van rechtstreekse
werking?
Zo nee: ga naar eindconclusie
Zo ja: ga naar stap 3))
Stap 3: voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk?
- Is de bepaling voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk
(Becker)?
- Betreft het een horizontaal geschil (Faccini Dori)?
(Tussenconclusie: is de bepaling voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk?
Zo nee: ga naar eindconclusie
Zo ja: ga naar stap 4))
Stap 4: om wat voor type geschil gaat het?
- Verticaal: dan kan er een beroep op de bepaling worden gedaan.
- Omgekeerde verticale werking: dan kan er geen beroep op de bepaling worden
gedaan.
- Horizontaal: dan kan er geen beroep op de bepaling worden gedaan (Faccini Dori).
- Driehoeksverhouding: dan kan er wel een beroep op de bepaling worden gedaan
(Wells).
(Tussenconclusie)
Stap 5: eindconclusie
,Vrij verkeer van goederen – is het verbod in overeenstemming met het recht v.d.
EU?
Stap 1: kwalificatie
Hier is het vrije verkeer van goederen in het geding nu het gaat om fysieke
goederen art. 30 t/m 37 VWEU jo. 110 VWEU.
(tussenconclusie)
Stap 2: belemmering
Verbod op tarifaire belemmeringen (art. 30 & 110 VWEU)
Verbod op non- tarifaire belemmeringen (art. 35 jo. 35 VWEU)
Tarifaire belemmeringen art. 30 VWEU
In- en uitvoerrechten op HGW zijn tussen lidstaten verboden. Zulks geldt
eveneens voor douanerechten van fiscale aard.
- HGW: elke eenzijdige opgelegde last, ongeacht de benaming of de
structuur ervan die wegens grensoverschrijding over goederen worden
geheven en geen douanerecht stricto sensu is.
- Douanerechten en HGW kunnen NOOIT worden gerechtvaardigd, tenzij
sprake is van 1 v.d. 2 uitzonderingen (geen rechtvaardigingen, maar dit
wordt uitgesloten v.h. begrip gelijke werking):
1. Heffingen die bestaan uit de betaling van een vergoeding die
verschuldigd is o.g.v. een regel van EU-recht (uniforme toepassing en
daadwerkelijk gemaakte kosten).
2. Betalingen voor diensten die daadwerkelijk aan importeur verleend
worden.
Binnenlandse belastingen art. 110 VWEU
- Verbod op discriminatie t.a.v. ingevoerde producten.
- Verbod op indirecte bescherming producten.
- Een maatregel behoort tot een algemeen stelsel van binnenlandse
belastingen waardoor categorieën producten stelselmatig worden
getroffen volgens objectieve, onafhankelijke v.d. oorsprong v.d.
producten toegepaste criteria.
o Deze maatregelen zijn verboden wanneer ze een hogere
belasting heffen op ingevoerde producten die substitueerbaar
zijn met de categorieën binnenlandse producten.
Maatregelen zijn ook verboden indien zij binnenlandse
producten indirect beschermen. Dat kan door het heffen van
belastingen die eigenlijk niet worden gemaakt in het land zelf,
maar die wel zouden concurreren met producten die wel in de
lidstaat worden gemaakt. Differentiatie tussen producten is
dus wel mogelijk, zolang die maar op objectieve gronden
plaatsvindt.
Het is van belang goed te onderscheiden wanneer een maatregel een HGW (art.
30 VWEU) is en wanneer het onderdeel is van een stelsel van binnenlandse
belastingen (art. 110 VWEU). Heffingen onder art. 30 VWEU zijn namelijk NOOIT
toegestaan, belastingen onder art. 110 VWEU mogen alleen niet discrimineren.
Non-tarifaire belemmeringen
Art. 34 VWEU (zie ook art. 35 VWEU) (Mickelsson en Roos)
, Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking
zijn tussen de lidstaten verboden.
Maatregel van gelijke werking (MGW) (Dassonville)
“Iedere handelsregeling der-Lid-staaten die de intracommunautaire handel
al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren”.
- Dubbele last theorie: er mogen geen dubbele lasten worden opgelegd.
Het moet niet zo zijn dat er eisen zijn aan producten die afwijken van
een eis die is gebaseerd op de wetgeving v.d. lidstaat waar het product
zijn oorsprong vindt.
- Focus op markttoegang (Mickelsson en Roos)
Maatregelen van gelijke werking – verkoopmodaliteiten
Mithouard en Keck
Van belang onderscheid tussen verkoopmodaliteiten en producteisen.
Verkoopmodaliteiten vallen niet onder MGW wanneer:
1. Zij voor alle marktdeelnemers gelden
2. Rechtens en feitelijk dezelfde gevolgen hebben voor ingevoerde en
binnenlandse producten.
(tussenconclusie: gaat het om een douanerecht, HGW of MGW. Mocht er sprake
zijn van een MGW is dan sprake van de Keck-uitzondering?)
Stap 3: rechtvaardiging
Rechtvaardigingsgronden (in relatie tot art. 34 en 35 VWEU)
Gronden in art. 36 VWEU (wanneer geen harmonisatie)
Bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de
openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of
planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit
hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom.
- De lidstaat kan zich alleen op deze belangen beroepen zolang er geen
harmonisatiemaatregelen op EU-niveau zijn genomen. Zijn die er wel,
dan gelden die maatregelen als toetsingskader voor de nationale
maatregelen van de lidstaten. Ook wanneer een lidstaat zich nog wel
op de belangen van art. 36 VWEU kan beroepen, zal de
evenredigheidstoets wel vaak streng zijn.
Evenredigheidstoets
Rechtvaardigingsgronden (in relatie tot art. 34 en 35 VWEU)
Cassis-rechtvaardiging (Zie ook Deense flessen)
De volgende vragen worden gesteld om te achterhalen of een belemmering
gerechtvaardigd kan worden.
1. Geen relevante (geharmoniseerde) regel op EU-niveau?
- Zo ja, dan geldt de geharmoniseerde regel op EU-niveau
2. Directe discriminatie?
- Zo ja, dan kan het niet worden gerechtvaardigd o.g.v. de Cassis-
rechtvaardiging.
3. Dwingende reden van algemeen belang?
4. Evenredigheidstoets (3 stappen):
1) Geschiktheid
Kan het doel ook daadwerkelijk worden bereikt met die maatregel?
2) Noodzakelijkheid
Kan het doel zonder de maatregel niet worden bereikt?
3) Evenredigheid stricto sensu
Stap 1: art. 288 VWEU
O.g.v. art. 288 VWEU is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken
resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale
instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.
Dit betekent dat een richtlijn omgezet moet worden naar nationale wetgeving.
Stap 2: omzettingstermijn en rechtstreekse werking
Vanaf de inwerkingtreding is de omzettingstermijn over het algemeen 2 jaar.
Voor de omzettingstermijn heeft een richtlijn nog geen rechtstreekse werking.
Vanaf het tijdstip v.d. inwerkingtreding mag een nationale rechter het nationale
recht niet uitleggen dat de verwezenlijking v.d. doelstelling v.d. richtlijn ernstig in
gevaar zou kunnen worden gebracht.
(Tussenconclusie: is aan deze termijn voldaan en is er dus sprake van rechtstreekse
werking?
Zo nee: ga naar eindconclusie
Zo ja: ga naar stap 3))
Stap 3: voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk?
- Is de bepaling voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk
(Becker)?
- Betreft het een horizontaal geschil (Faccini Dori)?
(Tussenconclusie: is de bepaling voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk?
Zo nee: ga naar eindconclusie
Zo ja: ga naar stap 4))
Stap 4: om wat voor type geschil gaat het?
- Verticaal: dan kan er een beroep op de bepaling worden gedaan.
- Omgekeerde verticale werking: dan kan er geen beroep op de bepaling worden
gedaan.
- Horizontaal: dan kan er geen beroep op de bepaling worden gedaan (Faccini Dori).
- Driehoeksverhouding: dan kan er wel een beroep op de bepaling worden gedaan
(Wells).
(Tussenconclusie)
Stap 5: eindconclusie
,Vrij verkeer van goederen – is het verbod in overeenstemming met het recht v.d.
EU?
Stap 1: kwalificatie
Hier is het vrije verkeer van goederen in het geding nu het gaat om fysieke
goederen art. 30 t/m 37 VWEU jo. 110 VWEU.
(tussenconclusie)
Stap 2: belemmering
Verbod op tarifaire belemmeringen (art. 30 & 110 VWEU)
Verbod op non- tarifaire belemmeringen (art. 35 jo. 35 VWEU)
Tarifaire belemmeringen art. 30 VWEU
In- en uitvoerrechten op HGW zijn tussen lidstaten verboden. Zulks geldt
eveneens voor douanerechten van fiscale aard.
- HGW: elke eenzijdige opgelegde last, ongeacht de benaming of de
structuur ervan die wegens grensoverschrijding over goederen worden
geheven en geen douanerecht stricto sensu is.
- Douanerechten en HGW kunnen NOOIT worden gerechtvaardigd, tenzij
sprake is van 1 v.d. 2 uitzonderingen (geen rechtvaardigingen, maar dit
wordt uitgesloten v.h. begrip gelijke werking):
1. Heffingen die bestaan uit de betaling van een vergoeding die
verschuldigd is o.g.v. een regel van EU-recht (uniforme toepassing en
daadwerkelijk gemaakte kosten).
2. Betalingen voor diensten die daadwerkelijk aan importeur verleend
worden.
Binnenlandse belastingen art. 110 VWEU
- Verbod op discriminatie t.a.v. ingevoerde producten.
- Verbod op indirecte bescherming producten.
- Een maatregel behoort tot een algemeen stelsel van binnenlandse
belastingen waardoor categorieën producten stelselmatig worden
getroffen volgens objectieve, onafhankelijke v.d. oorsprong v.d.
producten toegepaste criteria.
o Deze maatregelen zijn verboden wanneer ze een hogere
belasting heffen op ingevoerde producten die substitueerbaar
zijn met de categorieën binnenlandse producten.
Maatregelen zijn ook verboden indien zij binnenlandse
producten indirect beschermen. Dat kan door het heffen van
belastingen die eigenlijk niet worden gemaakt in het land zelf,
maar die wel zouden concurreren met producten die wel in de
lidstaat worden gemaakt. Differentiatie tussen producten is
dus wel mogelijk, zolang die maar op objectieve gronden
plaatsvindt.
Het is van belang goed te onderscheiden wanneer een maatregel een HGW (art.
30 VWEU) is en wanneer het onderdeel is van een stelsel van binnenlandse
belastingen (art. 110 VWEU). Heffingen onder art. 30 VWEU zijn namelijk NOOIT
toegestaan, belastingen onder art. 110 VWEU mogen alleen niet discrimineren.
Non-tarifaire belemmeringen
Art. 34 VWEU (zie ook art. 35 VWEU) (Mickelsson en Roos)
, Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking
zijn tussen de lidstaten verboden.
Maatregel van gelijke werking (MGW) (Dassonville)
“Iedere handelsregeling der-Lid-staaten die de intracommunautaire handel
al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren”.
- Dubbele last theorie: er mogen geen dubbele lasten worden opgelegd.
Het moet niet zo zijn dat er eisen zijn aan producten die afwijken van
een eis die is gebaseerd op de wetgeving v.d. lidstaat waar het product
zijn oorsprong vindt.
- Focus op markttoegang (Mickelsson en Roos)
Maatregelen van gelijke werking – verkoopmodaliteiten
Mithouard en Keck
Van belang onderscheid tussen verkoopmodaliteiten en producteisen.
Verkoopmodaliteiten vallen niet onder MGW wanneer:
1. Zij voor alle marktdeelnemers gelden
2. Rechtens en feitelijk dezelfde gevolgen hebben voor ingevoerde en
binnenlandse producten.
(tussenconclusie: gaat het om een douanerecht, HGW of MGW. Mocht er sprake
zijn van een MGW is dan sprake van de Keck-uitzondering?)
Stap 3: rechtvaardiging
Rechtvaardigingsgronden (in relatie tot art. 34 en 35 VWEU)
Gronden in art. 36 VWEU (wanneer geen harmonisatie)
Bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de
openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of
planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit
hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom.
- De lidstaat kan zich alleen op deze belangen beroepen zolang er geen
harmonisatiemaatregelen op EU-niveau zijn genomen. Zijn die er wel,
dan gelden die maatregelen als toetsingskader voor de nationale
maatregelen van de lidstaten. Ook wanneer een lidstaat zich nog wel
op de belangen van art. 36 VWEU kan beroepen, zal de
evenredigheidstoets wel vaak streng zijn.
Evenredigheidstoets
Rechtvaardigingsgronden (in relatie tot art. 34 en 35 VWEU)
Cassis-rechtvaardiging (Zie ook Deense flessen)
De volgende vragen worden gesteld om te achterhalen of een belemmering
gerechtvaardigd kan worden.
1. Geen relevante (geharmoniseerde) regel op EU-niveau?
- Zo ja, dan geldt de geharmoniseerde regel op EU-niveau
2. Directe discriminatie?
- Zo ja, dan kan het niet worden gerechtvaardigd o.g.v. de Cassis-
rechtvaardiging.
3. Dwingende reden van algemeen belang?
4. Evenredigheidstoets (3 stappen):
1) Geschiktheid
Kan het doel ook daadwerkelijk worden bereikt met die maatregel?
2) Noodzakelijkheid
Kan het doel zonder de maatregel niet worden bereikt?
3) Evenredigheid stricto sensu