Uitwerkingen
Hoofdstuk 2 Straling
2.1 Elektromagnetische straling
A1
a Onjuist, want infraroodstraling is ook een vorm van elektromagnetische straling.
b Juist, want microgolfstraling ligt in figuur 2.1 verder naar rechts.
c Onjuist, want alleen te veel uv-straling is gevaarlijk.
A2
a Door elektrische stroom in een antenne snel van richting te laten veranderen.
b Radiogolven en microstraling
c Natuurlijke bron: zon
Kunstmatige bron: uv-lamp
A3
a De verzameling van alle verschillende soorten elektromagnetische straling.
b De energiepakketjes in röntgenstraling hebben wel voldoende energie om door zacht weefsel te
gaan maar onvoldoende energie om door botten heen te gaan.
B4
a De plaatsen waar de foto wit is, zijn de plaatsen waar vullingen zitten.
b Hoe meer röntgenstraling door het weefsel komt, hoe donkerder de foto. Vullingen laten geen
röntgenstraling door, waardoor de foto op die plekken wit is
B5
a Hoe lager de temperatuur, hoe roder het uitgezonden licht. De gele lava heeft dus een hogere
temperatuur dan de rode lava.
C6
lichaamsdeel veel weinig
wervelkolom x
darmen x
ribben x
longen x
hart x
onderkaak x
C7
Een laserstraal is een kleine, maar wel zéér felle bundel zichtbaar licht. De energiepakketjes hebben
per stuk niet veel energie, maar doordat het er zeer veel zijn, is de totale energie erg groot en kan er
toch permanente schade aan het oog ontstaan als je erin kijkt.
+8
a Omdat je ondanks de zonnebrandcrème de warmte van de zon nog steeds kunt voelen.
b Glas, zoals bijvoorbeeld een raam, laat van het zonlicht wel de warmte door (ir-straling) en het
zichtbaar licht, maar houdt een deel van de uv-straling tegen.
© Noordhoff Uitgevers Overal NaSk 3 H – uitwerkingen hoofdstuk 2 1
, 2.2 Het atoom
A9
a Juist, want het alfadeeltje is veel zwaarder dan het bètadeeltje (ca. 2000 keer zwaarder).
1
b Onjuist, want drie halveringstijden is de helft van de helft van de helft dus in totaal.
8
c Onjuist, want het is andersom: moleculen zijn opgebouwd uit atomen.
d Juist, want bij een chemische reactie vallen de moleculen uit elkaar en ontstaan er nieuwe
moleculen.
e Juist, want een stabiel atoom is niet radioactief.
f Juist, want dat kan alfa-, bèta- of gammastraling zijn.
g Onjuist, want bij alfa- en bètastraling is de energie afkomstig van snel bewegende deeltjes.
A10
a Er komen 94 natuurlijke atoomsoorten voor op aarde.
b De kunstmatig gemaakte atoomsoorten zijn instabiel (radioactief) en zullen vervallen door het
uitzenden van straling.
A11
a Na 8 dagen is nog maar de helft van de oorspronkelijke hoeveelheid joodatomen over.
b alfa-, bèta- en gammastraling
A12
a Zowel alfa- als bètastraling bestaat uit snel bewegende deeltjes.
b Het alfadeeltje is een veel zwaarder deeltje dan het bètadeeltje.
B13
a Radio is een ander woord voor straling. Het atoom is dus stralingsactief.
b Voorbeelden van goede antwoorden zijn:
- radio: een ontvanger van radiostraling (radiogolven)
- radium: een radioactieve atoomsoort.
- radioloog: een arts die gespecialiseerd is in het gebruik van straling in de geneeskunde.
B14
a Bij radioactief verval valt het atoom uit elkaar. Een deeltje wordt met hoge snelheid weggeschoten
en uit wat er achterblijft ontstaat een nieuw atoom.
b Bij een chemische reactie blijven de atomen bestaan en vormen alleen nieuwe moleculen. Bij een
vervalreactie veranderen de atomen in nieuwe atomen.
c Alle atomen links van de pijl zie je ook rechts, dus het is een chemische reactie.
B15
a In het begin is er 100 gram. Na 8 minuten is hier de helft (50 gram) van over. De halveringstijd is
dus 8 minuten.
Ter controle: op tijdstip 8 minuten is er 50 g massa. De tijd aflezen bij 25 g geeft 16 minuten. Ook
dan is de halveringstijd 8 minuten.
1
b 6,25 gram is deel van 100 gram. Hiervoor is 4 keer een halvering nodig. De verstreken tijd is dan
16
4 x 8 = 32 minuten.
c Na 40 minuten zijn er = 5 halveringtijden verstreken, dus is er nog de helft van 6,25 gram
(wat er nog over is na 4 halveringstijden) over en dat is 3,125 gram.
© Noordhoff Uitgevers Overal NaSk 3 H – uitwerkingen hoofdstuk 2 2