8 t/m 8.5 10 t/m 10.1 13 t/m 13.1 14 t/m 14.5
Hf 1 elektrische energie
1. De student kan de verschillende termen zoals: energievormen, lading, stroom, spanning, vermogen
en energie herkennen en toelichten.
2. De student kan berekeningen uitvoeren aan een stroomkring en onderscheid maken tussen de
grootheden. Hierbij kan de student relaties leggen tussen de spanning, stroom en weerstand.
3. De student kan berekeningen uitvoeren t.b.v. het elektrisch vermogen.
Elektronen gaan van – naar +
Elektrische stroom gaat van + naar –
Mega = 106
E = bronspanning
Als er naar de stroom wordt gevraagd reken dan I uit
Hf 2 spanningbronnen
Leerdoelen =
• De student berekend de ontlaadtijd van een Batterij/Accu.
• De student maakt onderscheid tussen Capaciteit in Ah en Wh.
• De student beschrijft,in de basis, hoe een Brandstofcel werkt.
• De student beschrijft de werking van een Zonnecel
• De student berekend de opbrengst van een zonnecel
• De student herkent een ster of driehoekschakeling
• De student beschrijft de werking van een generator
Serie:
, Utot = U1 +U2
Itot = I1 = I2
Rtot = R1 + R2
Parallel:
Utot = U1 = U2
Itot = I1 +I2
Gtot = G1 + G2
R = U / I neem ook Ri mee bij R
Uv = spanningsverlies
Ri = inwendige weerstand
U = klemspanning
E = bronspanning in volt
Uv = I*Ri
U=E-I*Ri = spanning op de klemmen van de batterij
η = Wa / Wi
Inwendige energie = Wi = E * I * t
Afgegeven energie = Wa = U * I * t
Wh = Ah * E (in volt)
Wh = capaciteit in Wh
Ah = ampère-uur
U = spanning van de spanningsbron
Kortsluitstroom I = Ustartmoter/Rtot