Kernbegrippen Premaster: Methoden en technieken van onderzoek |
MB0126-252612B
Blok 1: wetenschappelijk onderzoek
• Wetenschappelijk onderzoek: Wat maakt onderzoek wetenschappelijk? Het moet
wetenschappelijk relevant zijn. Het bouwt voor op bestaande wetenschappelijke
kennis én daar kennis aan toevoegt. Het onderzoek beantwoordt vragen, maar roept
tegelijker>jd weer nieuwe (onderzoeks)vragen op. Om te kunnen beargumenteren
waarom onderzoek ‘wetenschappelijk relevant’ is, is literatuurstudie nodig.
Daarnaast moet het wetenschappelijk verantwoord zijn. Het moet bronvermelding
bevaEen, de gevolgde methode van onderzoek is duidelijk en een verantwoording
van keuzes (waarom is gekozen voor casestudies? Hoe zijn de cases geselecteerd? Op
basis van welke criteria?).
• Fundamenteel onderzoek (basic research): Fundamenteel onderzoek stelt zich ten
doel nieuwe kennis te genereren over algemene managementproblemen,
bijvoorbeeld het reduceren van verspilling in produc>eprocessen in algemene zin. Dit
type onderzoek vindt meestal plaats in universiteiten en met meer vrijheid voor de
onderzoeker in de keuze van het onderzoeksprobleem en de >jd die beschikbaar is
voor het onderzoek.
• Toepassingsgericht onderzoek (applied research - prak=sch): Het doel van toegepast
onderzoek is het genereren van nieuwe kennis die een oplossing biedt voor een
specifiek managementprobleem. Bijvoorbeeld het reduceren van verspilling in een
produc>eproces van een bepaalde organisa>e. Wordt over het algemeen uitgevoerd
door adviesbureaus en hogescholen. Vaak heeK de oplossing van het probleem
urgen>e voor betrokkenen
• Indeling van fundamenteel of toepassingsgericht onderzoek: In de wetenschap zijn
er geluiden dat het onderscheid tussen fundamenteel en toegepast onderzoek erg
zwart-wit is. Een betere weergave van verschillende soorten onderzoeken krijgen we
wanneer we wanneer we onderzoek typeren aan de hand van twee criteria:
StreeK dit onderzoek naar fundamenteel begrip van een onderzoeksprobleem?
StreeK dit onderzoek naar prak>sche toepassingen van de nieuwe kennis over het
onderzoeksprobleem?
o Is het antwoord op beide vragen ‘nee’, dan is er geen sprake van onderzoek.
o Is het antwoord op één of beide vragen ‘ja’, dan kan er sprake zijn van:
§ Zuiver fundamenteel onderzoek
Hier staat enkel het verkrijgen van fundamenteel begrip centraal. Ook
‘Bohr-type’ onderzoek genoemd.
, § Zuiver toegepast onderzoek
Hier staat enkel het vinden van prak>sche toepassingen van de nieuwe
kennis centraal. Vaak wordt dit ‘Edison-type’ onderzoek genoemd.
§ Toepassingsgericht fundamenteel onderzoek
Hier staat zowel het verkrijgen van fundamenteel begrip als het
bijdragen aan een oplossing van een prak>jkprobleem centraal. Vaak
wordt dit ‘Pasteur-type’ onderzoek genoemd.
§ In managementwetenschappen bestaat geen zuiver fundamenteel
onderzoek, omdat het al>jd prak>sch nut nastreeK. Het kenmerkt zich
als toepassingsgericht onderzoek.
• Deduc=e: Het is een redeneervorm waarbij men van het algemene naar het
bijzondere redeneert. Als de premissen waar zijn, is de conclusie noodzakelijk en
100% zeker waar. Een bekend voorbeeld is:
Alle mensen zijn sterfelijk (premisse 1)
Socrates is een mens (premisse 2)
Dus: Socrates is sterfelijk (conclusie)
• Induc=e: Induc>e is de redeneervorm waarbij men van het bijzondere naar het
algemene redeneert. Dit houdt in dat men een conclusie of algemene regel afleidt uit
een aantal specifieke, empirische waarnemingen, ook wel generalisa>e genoemd.
Een voorbeeld hiervan is als je heel veel verschillende zwanen ziet, die allemaal wit
zijn. Als je zoveel verschillende zwanen hebt gezien, dan kun je hieruit concluderen
dat alle zwanen wit zijn. Je weet bij induc>e nooit helemaal zeker of je conclusie juist
is, want het zou zo kunnen zijn dat er ergens een paarse of zwarte zwaan rondloopt,
die je toevallig niet hebt gezien.
• Induc=eprobleem: De conclusie volgt bij induc>e noodzakelijkerwijs uit de
waarnemingen, onder andere omdat we nooit alle gevallen kunnen waarnemen
(bijvoorbeeld alle zwanen). Dit staat bekend als het induc>eprobleem.
Waarnemingen in het verleden bieden geen garan>e voor conclusies in de toekomst.
• Falsifica=e: De oplossing voor het induc>eprobleem heet falsifica>e. Wetenschappers
moeten werken met toetsbare hypothesen, oKewel hypothesen die falsificeerbaar
zijn (het moet weerlegbaar zijn).
Zolang het tegendeel niet is bewezen, nemen we voorlopig aan dat iets waar is.
De hypothese dat alle zwanen wit zijn, kan niet geverifieerd worden, alleen maar
gefalsifieerd. De onderzoekers moeten juist proberen te bewijzen dat theorieën
onwaar zijn, om zo de wetenschap vooruit te helpen door theorieën te vervangen
door betere. Als een zwarte zwaan wordt gezien, is de hypothese "alle zwanen zijn
wit" gefalsifieerd.
De geldigheid van een induc>eve redenering is sterker, naarmate:
, o Regelma>gheden onder veel en verschillende omstandigheden zijn
waargenomen
o De extrapola>e naar niet-onderzochte eenheden beperkt is
o Grotere steekproeven de kans op fouten verkleinen
• Causaliteit: Is het aannemelijk maken van oorzaak-gevolgrela>es.
Een sta=sche correla=e is echter geen bewijs voor een causaal verband.
Bijvoorbeeld het aantal ooievaars en geboorten.
Om een causaal verband tussen X (oorzaak) en Y (gevolg) aannemelijk te maken,
moet aan drie eisen worden voldaan:
o De vermeende oorzaak covarieert met het gevolg. Als X s>jgt, dan s>jgt Y ook
o De vermeende oorzaak X treedt in de >jd eerder op dan het gevolg Y. Er kan
sprake zijn van vrijwel gelijk>jdigheid, wanneer Y zeer snel volgt op X
o Het sta>s>sch verband tussen X en Y is niet ontstaan doordat een andere
variabele de samenhang tot stand brengt. Er zijn geen alterna>eve, mogelijke
oorzaken aanwezig of ac>ef
• Correla=e: een sta>s>sche maatstaf die de mate en rich>ng van het verband tussen
twee of meer variabelen beschrijK, zonder te beweren dat er een oorzaak-
gevolgrela>e is. Voorbeeld van het aantal ooievaars en geboorten. Correla=e is geen
causaliteit.
• Mul=-causaliteit: Meerdere oorzaken voor één gevolg.
• Onderzoeksproces en de fasering hierin volgens Gelderman en Van Zanten (2013):
Om voldoende recht te doen aan de specifieke eigenschappen van een
onderzoeksproject is het gebruikelijk de fasen aan te duiden als:
o Probleemstelling: Een algemeen probleem wordt gepreciseerd tot een
afgebakende centrale vraag.
o Onderzoeksplan: De onderzoeker bepaalt de strategie en aanpak om de
probleemstelling te beantwoorden.
o Gegevensverzameling: Data analyseren en verwerken om de probleemstelling
te beantwoorden.
o Rapportage: Resultaten en conclusies worden gepresenteerd aan vakgenoten
of een opdrachtgever.
• Onderdelen introduc=e ar=kel: probleemstelling,
onderzoeksvraag, onderzoeksdoelstelling, wetenschappelijke en prak=sche
relevan=e: Moet aanleiding en doel van het onderzoek beschrijven.
Wetenschappelijke relevan>e is het toevoegen van nieuwe kennis aan bestaande
kennis. Mo>veren van wetenschappelijke en prak>sche relevante kan via de theorie:
‘So What’, ‘Who Cares?’ (Voor wie maakt het uit?), ‘What do we know?’ (Wat weten
we?), ‘What don’t we know?’ (Wat weten we nog niet?) en ‘What will we learn?’
(Wat willen we leren?)
, • Gap spoQng: de gebruikelijke en meest succesvolle manier om tot een relevante
probleemstelling te komen is ‘Gap-spodng’.
o Confusion spoQng: De onderzoeker beargumenteert dat er sprake is van een
zekere verwarring of onduidelijkheid in de bestaande kennis.
o Neglect spoQng: De meest gebruikte methode. Zoeken naar onderwerpen of
gebieden waar onvoldoende, geen of geen degelijk onderzoek naar is gedaan.
Er zijn 3 varianten
§ Neglect spoQng: overlooked areas (Over het hoofd gezien)
§ Neglect spoQng: Under-researched (Te weinig bestudeerd)
§ Neglect spoQng: lack of empirical support (Gebrek aan empirisch
bewijs).
o Applica=on spoQng: Zoeken naar een nieuwe toepassing binnen de
bestaande literatuur. De onderzoeker is op zoek naar een tekortkoming van
een bepaalde theorie of een bepaald perspec>ef binnen een specifiek
onderzoeksgebied.
• Redeneervormen: In het dagelijks leven en in de wetenschap trekken we
voortdurend conclusies. Deduc>e en induc>e zijn alterna>eve manieren om te komen
tot conclusies, ofwel redeneervormen.
Vraag Induc=ef redeneren Deduc=ef redeneren
Waar gaat je onderzoek Over de toekomst. Over het heden of verleden.
over?
Hoeveel literatuur is er? Weinig literatuur Veel literatuur beschikbaar.
beschikbaar.
Wat wil je bereiken? Een nieuwe theorie Een bestaande theorie
opzeEen. toetsen.
Soort onderzoek? Verkennend onderzoek/ Verklarend onderzoek/
theorieontwikkeling. theorietoetsing.
• Kwan=ta=ef, kwalita=ef en mixed-methods research design:
o Kwan=ta=ef onderzoek: Gebruik van numerieke data. Vaak verklarend,
deduc>ef.
o Kwalita=ef onderzoek: Gebruik van niet-numerieke data. Zoals woorden.
Vaak verkennend, induc>ef.
o Mixed-methods: Combineert kwan>ta>eve en kwalita>eve data. Er zijn vier
‘designmogelijkheden’
§ Concurrerend: Tegelijk
§ Sequen=al exploratory: Eerst kwalita>ef dan kwan>ta>ef
§ Sequen=al explanatory: Eerst kwan>ta>ef dan kwalita>ef
§ Sequen=al mul=phase: Meerdere fasen afwisselend
MB0126-252612B
Blok 1: wetenschappelijk onderzoek
• Wetenschappelijk onderzoek: Wat maakt onderzoek wetenschappelijk? Het moet
wetenschappelijk relevant zijn. Het bouwt voor op bestaande wetenschappelijke
kennis én daar kennis aan toevoegt. Het onderzoek beantwoordt vragen, maar roept
tegelijker>jd weer nieuwe (onderzoeks)vragen op. Om te kunnen beargumenteren
waarom onderzoek ‘wetenschappelijk relevant’ is, is literatuurstudie nodig.
Daarnaast moet het wetenschappelijk verantwoord zijn. Het moet bronvermelding
bevaEen, de gevolgde methode van onderzoek is duidelijk en een verantwoording
van keuzes (waarom is gekozen voor casestudies? Hoe zijn de cases geselecteerd? Op
basis van welke criteria?).
• Fundamenteel onderzoek (basic research): Fundamenteel onderzoek stelt zich ten
doel nieuwe kennis te genereren over algemene managementproblemen,
bijvoorbeeld het reduceren van verspilling in produc>eprocessen in algemene zin. Dit
type onderzoek vindt meestal plaats in universiteiten en met meer vrijheid voor de
onderzoeker in de keuze van het onderzoeksprobleem en de >jd die beschikbaar is
voor het onderzoek.
• Toepassingsgericht onderzoek (applied research - prak=sch): Het doel van toegepast
onderzoek is het genereren van nieuwe kennis die een oplossing biedt voor een
specifiek managementprobleem. Bijvoorbeeld het reduceren van verspilling in een
produc>eproces van een bepaalde organisa>e. Wordt over het algemeen uitgevoerd
door adviesbureaus en hogescholen. Vaak heeK de oplossing van het probleem
urgen>e voor betrokkenen
• Indeling van fundamenteel of toepassingsgericht onderzoek: In de wetenschap zijn
er geluiden dat het onderscheid tussen fundamenteel en toegepast onderzoek erg
zwart-wit is. Een betere weergave van verschillende soorten onderzoeken krijgen we
wanneer we wanneer we onderzoek typeren aan de hand van twee criteria:
StreeK dit onderzoek naar fundamenteel begrip van een onderzoeksprobleem?
StreeK dit onderzoek naar prak>sche toepassingen van de nieuwe kennis over het
onderzoeksprobleem?
o Is het antwoord op beide vragen ‘nee’, dan is er geen sprake van onderzoek.
o Is het antwoord op één of beide vragen ‘ja’, dan kan er sprake zijn van:
§ Zuiver fundamenteel onderzoek
Hier staat enkel het verkrijgen van fundamenteel begrip centraal. Ook
‘Bohr-type’ onderzoek genoemd.
, § Zuiver toegepast onderzoek
Hier staat enkel het vinden van prak>sche toepassingen van de nieuwe
kennis centraal. Vaak wordt dit ‘Edison-type’ onderzoek genoemd.
§ Toepassingsgericht fundamenteel onderzoek
Hier staat zowel het verkrijgen van fundamenteel begrip als het
bijdragen aan een oplossing van een prak>jkprobleem centraal. Vaak
wordt dit ‘Pasteur-type’ onderzoek genoemd.
§ In managementwetenschappen bestaat geen zuiver fundamenteel
onderzoek, omdat het al>jd prak>sch nut nastreeK. Het kenmerkt zich
als toepassingsgericht onderzoek.
• Deduc=e: Het is een redeneervorm waarbij men van het algemene naar het
bijzondere redeneert. Als de premissen waar zijn, is de conclusie noodzakelijk en
100% zeker waar. Een bekend voorbeeld is:
Alle mensen zijn sterfelijk (premisse 1)
Socrates is een mens (premisse 2)
Dus: Socrates is sterfelijk (conclusie)
• Induc=e: Induc>e is de redeneervorm waarbij men van het bijzondere naar het
algemene redeneert. Dit houdt in dat men een conclusie of algemene regel afleidt uit
een aantal specifieke, empirische waarnemingen, ook wel generalisa>e genoemd.
Een voorbeeld hiervan is als je heel veel verschillende zwanen ziet, die allemaal wit
zijn. Als je zoveel verschillende zwanen hebt gezien, dan kun je hieruit concluderen
dat alle zwanen wit zijn. Je weet bij induc>e nooit helemaal zeker of je conclusie juist
is, want het zou zo kunnen zijn dat er ergens een paarse of zwarte zwaan rondloopt,
die je toevallig niet hebt gezien.
• Induc=eprobleem: De conclusie volgt bij induc>e noodzakelijkerwijs uit de
waarnemingen, onder andere omdat we nooit alle gevallen kunnen waarnemen
(bijvoorbeeld alle zwanen). Dit staat bekend als het induc>eprobleem.
Waarnemingen in het verleden bieden geen garan>e voor conclusies in de toekomst.
• Falsifica=e: De oplossing voor het induc>eprobleem heet falsifica>e. Wetenschappers
moeten werken met toetsbare hypothesen, oKewel hypothesen die falsificeerbaar
zijn (het moet weerlegbaar zijn).
Zolang het tegendeel niet is bewezen, nemen we voorlopig aan dat iets waar is.
De hypothese dat alle zwanen wit zijn, kan niet geverifieerd worden, alleen maar
gefalsifieerd. De onderzoekers moeten juist proberen te bewijzen dat theorieën
onwaar zijn, om zo de wetenschap vooruit te helpen door theorieën te vervangen
door betere. Als een zwarte zwaan wordt gezien, is de hypothese "alle zwanen zijn
wit" gefalsifieerd.
De geldigheid van een induc>eve redenering is sterker, naarmate:
, o Regelma>gheden onder veel en verschillende omstandigheden zijn
waargenomen
o De extrapola>e naar niet-onderzochte eenheden beperkt is
o Grotere steekproeven de kans op fouten verkleinen
• Causaliteit: Is het aannemelijk maken van oorzaak-gevolgrela>es.
Een sta=sche correla=e is echter geen bewijs voor een causaal verband.
Bijvoorbeeld het aantal ooievaars en geboorten.
Om een causaal verband tussen X (oorzaak) en Y (gevolg) aannemelijk te maken,
moet aan drie eisen worden voldaan:
o De vermeende oorzaak covarieert met het gevolg. Als X s>jgt, dan s>jgt Y ook
o De vermeende oorzaak X treedt in de >jd eerder op dan het gevolg Y. Er kan
sprake zijn van vrijwel gelijk>jdigheid, wanneer Y zeer snel volgt op X
o Het sta>s>sch verband tussen X en Y is niet ontstaan doordat een andere
variabele de samenhang tot stand brengt. Er zijn geen alterna>eve, mogelijke
oorzaken aanwezig of ac>ef
• Correla=e: een sta>s>sche maatstaf die de mate en rich>ng van het verband tussen
twee of meer variabelen beschrijK, zonder te beweren dat er een oorzaak-
gevolgrela>e is. Voorbeeld van het aantal ooievaars en geboorten. Correla=e is geen
causaliteit.
• Mul=-causaliteit: Meerdere oorzaken voor één gevolg.
• Onderzoeksproces en de fasering hierin volgens Gelderman en Van Zanten (2013):
Om voldoende recht te doen aan de specifieke eigenschappen van een
onderzoeksproject is het gebruikelijk de fasen aan te duiden als:
o Probleemstelling: Een algemeen probleem wordt gepreciseerd tot een
afgebakende centrale vraag.
o Onderzoeksplan: De onderzoeker bepaalt de strategie en aanpak om de
probleemstelling te beantwoorden.
o Gegevensverzameling: Data analyseren en verwerken om de probleemstelling
te beantwoorden.
o Rapportage: Resultaten en conclusies worden gepresenteerd aan vakgenoten
of een opdrachtgever.
• Onderdelen introduc=e ar=kel: probleemstelling,
onderzoeksvraag, onderzoeksdoelstelling, wetenschappelijke en prak=sche
relevan=e: Moet aanleiding en doel van het onderzoek beschrijven.
Wetenschappelijke relevan>e is het toevoegen van nieuwe kennis aan bestaande
kennis. Mo>veren van wetenschappelijke en prak>sche relevante kan via de theorie:
‘So What’, ‘Who Cares?’ (Voor wie maakt het uit?), ‘What do we know?’ (Wat weten
we?), ‘What don’t we know?’ (Wat weten we nog niet?) en ‘What will we learn?’
(Wat willen we leren?)
, • Gap spoQng: de gebruikelijke en meest succesvolle manier om tot een relevante
probleemstelling te komen is ‘Gap-spodng’.
o Confusion spoQng: De onderzoeker beargumenteert dat er sprake is van een
zekere verwarring of onduidelijkheid in de bestaande kennis.
o Neglect spoQng: De meest gebruikte methode. Zoeken naar onderwerpen of
gebieden waar onvoldoende, geen of geen degelijk onderzoek naar is gedaan.
Er zijn 3 varianten
§ Neglect spoQng: overlooked areas (Over het hoofd gezien)
§ Neglect spoQng: Under-researched (Te weinig bestudeerd)
§ Neglect spoQng: lack of empirical support (Gebrek aan empirisch
bewijs).
o Applica=on spoQng: Zoeken naar een nieuwe toepassing binnen de
bestaande literatuur. De onderzoeker is op zoek naar een tekortkoming van
een bepaalde theorie of een bepaald perspec>ef binnen een specifiek
onderzoeksgebied.
• Redeneervormen: In het dagelijks leven en in de wetenschap trekken we
voortdurend conclusies. Deduc>e en induc>e zijn alterna>eve manieren om te komen
tot conclusies, ofwel redeneervormen.
Vraag Induc=ef redeneren Deduc=ef redeneren
Waar gaat je onderzoek Over de toekomst. Over het heden of verleden.
over?
Hoeveel literatuur is er? Weinig literatuur Veel literatuur beschikbaar.
beschikbaar.
Wat wil je bereiken? Een nieuwe theorie Een bestaande theorie
opzeEen. toetsen.
Soort onderzoek? Verkennend onderzoek/ Verklarend onderzoek/
theorieontwikkeling. theorietoetsing.
• Kwan=ta=ef, kwalita=ef en mixed-methods research design:
o Kwan=ta=ef onderzoek: Gebruik van numerieke data. Vaak verklarend,
deduc>ef.
o Kwalita=ef onderzoek: Gebruik van niet-numerieke data. Zoals woorden.
Vaak verkennend, induc>ef.
o Mixed-methods: Combineert kwan>ta>eve en kwalita>eve data. Er zijn vier
‘designmogelijkheden’
§ Concurrerend: Tegelijk
§ Sequen=al exploratory: Eerst kwalita>ef dan kwan>ta>ef
§ Sequen=al explanatory: Eerst kwan>ta>ef dan kwalita>ef
§ Sequen=al mul=phase: Meerdere fasen afwisselend