Samenvatting geschiedenisdidactiek de basis
2.3. Begrippen.
Om kennis overzichtelijk te kunnen weergeven en interpreteren, wordt in het geschiedenisonderwijs veel
gewerkt met begrippen. Hierdoor ontstaat een bepaald soort taal die typerend is voor
geschiedenisboeken.
Gebeurtenissen en verschijnselen worden op een hoger abstractieniveau weergegeven. Met behulp van
abstracte begrippen wordt betekenis gegeven aan de concrete gebeurtenissen en verschijnselen. Dit
wordt gedaan door deze begrippen in een verband te plaatsen. Door middel van begrippen kun je dus
geschiedenis leren. Het beheersen van begrippen en het bevorderen van begripsvorming is dus belangrijk
voor het geschiedenisonderwijs.
2.3.1. Abstractieniveaus.
Bij geschiedenisonderwijs komt het eropaan steeds op en af te dalen langs ladders die lopen van
abstracte- en concrete begrippen.
2.3.2. Uniek en generiek.
Uniek = begrip hoort bij één specifiek onderwerp en keert verder niet terug in de geschiedenis.
Generiek = begrippen die niet bij één specifiek horen.
Zo ontstaan voor het indelen van begrippen 2 dimensies: van concreet naar abstract en van uniek naar
generiek. Er kan een categorisering van begrippen worden gemaakt, op basis van 4 categorieën:
1. Concrete(re) unieke begrippen (soort A).
2. Abstracte(re) unieke begrippen (soort B).
3. Concrete(re) generieke begrippen (soort C).
4. Abstracte(re) generieke begrippen (soort D).
2.3.3. Sleutelbegrippen.
Hoe meer generiek begrippen zijn, hoe belangrijker ze worden voor het onderwijs. Hierdoor kan men
nagaan bij slecht presterende leerling, of het ligt aan hun beheersing van bepaalde generieke begrippen.
Voor meer algemeen toepasbare begrippen, hebben we de naam sleutelbegrip bedacht. Dit zijn
begrippen die sleutels vormen voor vele (historische) werkelijkheden.
Historici zijn geneigd om zich te concentreren op het bijzondere van iedere situatie en niet op de
algemene, of vergelijkbare aspecten ervan. Er zijn geschiedenisdocenten die van mening zijn, dat door de
nadruk op sleutelbegrippen het vak een soort maatschappijleer dreigt te worden.
2.3.4. Begripsvorming.
Voor een geschiedeniscurriculum zou het wenselijk zijn dat begrippen planmatig aan de orde komen.
Regelmatig terugkerend, maar steeds op een hoger niveau. In de beheersing van begrippen zijn de
volgende 5 niveaus te onderscheiden:
1. Zaken kennen waarnaar het begrip verwijst.
2. Een definitie van het begrip kennen.
3. Relaties kunnen leggen tussen het begrip en andere begrippen.
4. Begrippen (wendbaar) kunnen toepassen.
5. Begrippen kritisch kunnen evalueren.
2.3. Begrippen.
Om kennis overzichtelijk te kunnen weergeven en interpreteren, wordt in het geschiedenisonderwijs veel
gewerkt met begrippen. Hierdoor ontstaat een bepaald soort taal die typerend is voor
geschiedenisboeken.
Gebeurtenissen en verschijnselen worden op een hoger abstractieniveau weergegeven. Met behulp van
abstracte begrippen wordt betekenis gegeven aan de concrete gebeurtenissen en verschijnselen. Dit
wordt gedaan door deze begrippen in een verband te plaatsen. Door middel van begrippen kun je dus
geschiedenis leren. Het beheersen van begrippen en het bevorderen van begripsvorming is dus belangrijk
voor het geschiedenisonderwijs.
2.3.1. Abstractieniveaus.
Bij geschiedenisonderwijs komt het eropaan steeds op en af te dalen langs ladders die lopen van
abstracte- en concrete begrippen.
2.3.2. Uniek en generiek.
Uniek = begrip hoort bij één specifiek onderwerp en keert verder niet terug in de geschiedenis.
Generiek = begrippen die niet bij één specifiek horen.
Zo ontstaan voor het indelen van begrippen 2 dimensies: van concreet naar abstract en van uniek naar
generiek. Er kan een categorisering van begrippen worden gemaakt, op basis van 4 categorieën:
1. Concrete(re) unieke begrippen (soort A).
2. Abstracte(re) unieke begrippen (soort B).
3. Concrete(re) generieke begrippen (soort C).
4. Abstracte(re) generieke begrippen (soort D).
2.3.3. Sleutelbegrippen.
Hoe meer generiek begrippen zijn, hoe belangrijker ze worden voor het onderwijs. Hierdoor kan men
nagaan bij slecht presterende leerling, of het ligt aan hun beheersing van bepaalde generieke begrippen.
Voor meer algemeen toepasbare begrippen, hebben we de naam sleutelbegrip bedacht. Dit zijn
begrippen die sleutels vormen voor vele (historische) werkelijkheden.
Historici zijn geneigd om zich te concentreren op het bijzondere van iedere situatie en niet op de
algemene, of vergelijkbare aspecten ervan. Er zijn geschiedenisdocenten die van mening zijn, dat door de
nadruk op sleutelbegrippen het vak een soort maatschappijleer dreigt te worden.
2.3.4. Begripsvorming.
Voor een geschiedeniscurriculum zou het wenselijk zijn dat begrippen planmatig aan de orde komen.
Regelmatig terugkerend, maar steeds op een hoger niveau. In de beheersing van begrippen zijn de
volgende 5 niveaus te onderscheiden:
1. Zaken kennen waarnaar het begrip verwijst.
2. Een definitie van het begrip kennen.
3. Relaties kunnen leggen tussen het begrip en andere begrippen.
4. Begrippen (wendbaar) kunnen toepassen.
5. Begrippen kritisch kunnen evalueren.