Hoorcollege 1: Wet en regelgeving jeugdhulp, MC.
Kinsey 7S-model
Wat is een organisatie?
- Organisatie = min of meer duurzaam samenwerkingsverband van
mensen en middelen om een gemeenschappelijk doel te bereiken
- Een hulpmiddel om iets te bereiken
- Een doelgericht samenwerkingsverband
- Organisatiedoel: een lustrumfeest, ziekenzorg, een politieke visie
realiseren etc.
- Om een organisatiedoel te bereiken heb je niet alleen personen
nodig, maar ook hulpmiddelen, zoals een gebouw/kantoor
Instelling = iets is opgericht met een specifiek doel – een school (instelling
voor onderwijs)
Fayol (h13) heeft rond 1900 al de belangrijkste functies van de manager
geformuleerd en die zijn nog steeds van toepassing: plannen, organiseren,
leidinggeven, coördineren, controleren, innoveren (door blijven
ontwikkelen) en representeren (netwerken, andere organisaties ontmoeten
en daarvan leren)
Een maatschappij vol organisaties: Hoofdstuk 1
Je kunt de relatie tussen maatschappij en organisatie op twee manieren
bekijken
1. Vanuit de organisatie is de maatschappij de omgeving waarop de
organisatie goed moet zijn afgestemd om te kunnen functioneren (of
het nu gaat om een product of een dienst, met of zonder winstdoel)
2. Vanuit de maatschappij gezien zijn organisaties nodig om allerlei
maatschappelijke doelen te realiseren: zorg, onderwijs etc.
Soorten organisaties
Profitororganisaties – commercieel, ondernemingen – ondernemingen die
goederen of diensten verkopen aan klanten met het doel er winst aan over
te houden – Albert Heijn (supermarktketen)
Non-profitororganisatie – maatschappelijk – een organisatie die zonder
winstoogmerk (=winstdoel) ideële doelen nastreeft – rode kruis
(hulpverlening)
Non-for-profitororganisaties – mengvorm van profit en non-profit –
organisaties die een ideëel doel proberen te realiseren aan de hand van
bedrijfseconomische principes - ANWB (biedt hulpdiensten zoals pechhulp
en reizen, maar met ideële doelen, zoals verkeersveiligheid)
Dienstverlenende organisatie – een duurzaam samenwerkingsverband van
mensen en middelen dat als gemeenschappelijk doel heeft diensten te
verlenen aan klanten die daar behoeften aan hebben
,Organisatie rechtsvormen: Ideële organisaties
Stichting – een rechtspersoon waarin een bestuur een vermogen of andere
middelen aanwendt voor een ideële doel (heeft geen leden)
Vereniging – een samenwerkingsverband van leden die een
gemeenschappelijk ideële doel nastreven (vereniging is ook een
rechtspersoon)
Ideële doelen – een doel dat niet gericht is op winst maken, maar op het
bereiken van een maatschappelijk, sociaal of menselijk belang – waarden
zoals opvoeding, ontwikkeling, gelijkheid, welzijn, gezondheid, cultuur of
milieu
Een rechtspersoon – een organisatie die door de wet als zelfstandig
‘persoon’ wordt gezien – de organisatie heeft zelf rechten en plichten
Professionalisering en kwaliteit
Professionalisering: de ontwikkeling van vrijwillige inspanning om een
ideëel doel te bereiken naar betaald werk van geschoolde en
gespecialiseerde hulpverleners binnen een instelling
Beleid: een gedragslijn voor het handelen van een organisatie. Het is de
manier waarop de organisatie zijn doelen wil bereiken en richtlijnen voor
het (dagelijks) handelen zoals een pedagogisch beleid
7S-model: gemaakt om een organisatie te kunnen doorlichten
Strategie: hoe willen we het bereiken, de strategie volgt op de visie
,De hoofdvraag luidt: Hoe kunnen we ons als organisatie
handhaven?
Visie: (waarvoor we gaan) Hoe gaan wij de wereld van morgen
beïnvloeden zodat wij succes hebben?
Missie: (waarvoor we staan) wie zijn we, wat zijn onze waarden, hoe
willen we met onze klanten en medewerkers omgaan?
Doelen: intern/extern
Strategie: acties om deze doelen te bereiken
Structuur: de vormgeving van de organisatie
Hoe is de taakverdeling?
Wie is waarvoor bevoegd
Wie rapporteert aan wie?
Wie is waarvoor verantwoordelijk
Hoeveel hiërarchische niveaus?
Hoeveel vrijheid hebben medewerkers om zelf te beslissen?
Systemen: alles wat geregeld is – zo gaan we het doen:
Onregelmatig werken
Beloningssystemen
Protocollen
Pedagogische methodieken
Vastgelegde werkwijzen
Hantering participatiemodel bij gespreksvoering
Management informatiesystemen (MIS)
Kwaliteitssystemen
Stijl: leidinggevende stijl
Hoe gaan leidinggevenden om met kritiek en conflicten?
Wat vinden medewerkers van hun leidinggevenden?
In hoeverre is er sprake van delegeren?
Wat is de reactie op fouten van medewerkers?
In hoeverre is er aandacht voor het betrekkingsniveau/persoonlijke
zaken?
Gemeenschappelijke waarden
Waar zijn medewerkers trots op?
Wat zijn de zaken die je niet kun maken?
Welke slogan past bij het doel van de organisatie?
In hoeverre is er sprake van gedeelde waarden/visie?
Wat wordt gedaan om eigen identiteit te bewaken?
In hoeverre komen de gedeelde waarden terug in de andere S-en
Omgeving (S-factoren)
Het gaat hier om de belangrijkste factoren in de maatschappij die van
invloed zijn op het functioneren van de organisatie
, Toelichting: deze afbeelding toont een schema van invloeden op een
organisatie. In het midden staat de organisatie, en daaromheen zie je
allerlei externe factoren die
invloed hebben op het
functioneren ervan.
Directe omgeving:
partijen waarmee de
organisatie rechtstreeks
te maken heeft, zoals,
werknemers, vakbonden,
concurrenten, banken,
consumenten,
leveranciers en
aandeelhouders
Indirecte omgeving: bredere invloeden zoals het weer, de
technologische ontwikkelingen, maatschappelijke behoeften,
conjunctuur (economie) en de arbeidsmarkt
Toelichting: een SWOT-analyse is een hulpmiddel om de sterke en
zwakke punten van een organisatie te begrijpen en de kansen en
bedreigingen uit de omgeving te herkennen.
S(Strenghts) – sterke punten binnen de organisatie (goed personeel,
sterke reputatie)
W (Weakness) – zwakke punten binnen de organisatie (weinig
ervaring, hoge kosten)
O (Oppertunites) – kansen buiten de organisatie (groeiende markt,
nieuwe technologie)
T (Threats) – bedreigingen van buitenaf (sterke concurrentie,
veranderende wetgeving)
Waar staat de client en waar sta jij? Wet- en regelgeving JHV
Je legt uit welke huidige (zorg)wetten van invloed zijn op het werk
van de (ortho)pedagoog
Kinsey 7S-model
Wat is een organisatie?
- Organisatie = min of meer duurzaam samenwerkingsverband van
mensen en middelen om een gemeenschappelijk doel te bereiken
- Een hulpmiddel om iets te bereiken
- Een doelgericht samenwerkingsverband
- Organisatiedoel: een lustrumfeest, ziekenzorg, een politieke visie
realiseren etc.
- Om een organisatiedoel te bereiken heb je niet alleen personen
nodig, maar ook hulpmiddelen, zoals een gebouw/kantoor
Instelling = iets is opgericht met een specifiek doel – een school (instelling
voor onderwijs)
Fayol (h13) heeft rond 1900 al de belangrijkste functies van de manager
geformuleerd en die zijn nog steeds van toepassing: plannen, organiseren,
leidinggeven, coördineren, controleren, innoveren (door blijven
ontwikkelen) en representeren (netwerken, andere organisaties ontmoeten
en daarvan leren)
Een maatschappij vol organisaties: Hoofdstuk 1
Je kunt de relatie tussen maatschappij en organisatie op twee manieren
bekijken
1. Vanuit de organisatie is de maatschappij de omgeving waarop de
organisatie goed moet zijn afgestemd om te kunnen functioneren (of
het nu gaat om een product of een dienst, met of zonder winstdoel)
2. Vanuit de maatschappij gezien zijn organisaties nodig om allerlei
maatschappelijke doelen te realiseren: zorg, onderwijs etc.
Soorten organisaties
Profitororganisaties – commercieel, ondernemingen – ondernemingen die
goederen of diensten verkopen aan klanten met het doel er winst aan over
te houden – Albert Heijn (supermarktketen)
Non-profitororganisatie – maatschappelijk – een organisatie die zonder
winstoogmerk (=winstdoel) ideële doelen nastreeft – rode kruis
(hulpverlening)
Non-for-profitororganisaties – mengvorm van profit en non-profit –
organisaties die een ideëel doel proberen te realiseren aan de hand van
bedrijfseconomische principes - ANWB (biedt hulpdiensten zoals pechhulp
en reizen, maar met ideële doelen, zoals verkeersveiligheid)
Dienstverlenende organisatie – een duurzaam samenwerkingsverband van
mensen en middelen dat als gemeenschappelijk doel heeft diensten te
verlenen aan klanten die daar behoeften aan hebben
,Organisatie rechtsvormen: Ideële organisaties
Stichting – een rechtspersoon waarin een bestuur een vermogen of andere
middelen aanwendt voor een ideële doel (heeft geen leden)
Vereniging – een samenwerkingsverband van leden die een
gemeenschappelijk ideële doel nastreven (vereniging is ook een
rechtspersoon)
Ideële doelen – een doel dat niet gericht is op winst maken, maar op het
bereiken van een maatschappelijk, sociaal of menselijk belang – waarden
zoals opvoeding, ontwikkeling, gelijkheid, welzijn, gezondheid, cultuur of
milieu
Een rechtspersoon – een organisatie die door de wet als zelfstandig
‘persoon’ wordt gezien – de organisatie heeft zelf rechten en plichten
Professionalisering en kwaliteit
Professionalisering: de ontwikkeling van vrijwillige inspanning om een
ideëel doel te bereiken naar betaald werk van geschoolde en
gespecialiseerde hulpverleners binnen een instelling
Beleid: een gedragslijn voor het handelen van een organisatie. Het is de
manier waarop de organisatie zijn doelen wil bereiken en richtlijnen voor
het (dagelijks) handelen zoals een pedagogisch beleid
7S-model: gemaakt om een organisatie te kunnen doorlichten
Strategie: hoe willen we het bereiken, de strategie volgt op de visie
,De hoofdvraag luidt: Hoe kunnen we ons als organisatie
handhaven?
Visie: (waarvoor we gaan) Hoe gaan wij de wereld van morgen
beïnvloeden zodat wij succes hebben?
Missie: (waarvoor we staan) wie zijn we, wat zijn onze waarden, hoe
willen we met onze klanten en medewerkers omgaan?
Doelen: intern/extern
Strategie: acties om deze doelen te bereiken
Structuur: de vormgeving van de organisatie
Hoe is de taakverdeling?
Wie is waarvoor bevoegd
Wie rapporteert aan wie?
Wie is waarvoor verantwoordelijk
Hoeveel hiërarchische niveaus?
Hoeveel vrijheid hebben medewerkers om zelf te beslissen?
Systemen: alles wat geregeld is – zo gaan we het doen:
Onregelmatig werken
Beloningssystemen
Protocollen
Pedagogische methodieken
Vastgelegde werkwijzen
Hantering participatiemodel bij gespreksvoering
Management informatiesystemen (MIS)
Kwaliteitssystemen
Stijl: leidinggevende stijl
Hoe gaan leidinggevenden om met kritiek en conflicten?
Wat vinden medewerkers van hun leidinggevenden?
In hoeverre is er sprake van delegeren?
Wat is de reactie op fouten van medewerkers?
In hoeverre is er aandacht voor het betrekkingsniveau/persoonlijke
zaken?
Gemeenschappelijke waarden
Waar zijn medewerkers trots op?
Wat zijn de zaken die je niet kun maken?
Welke slogan past bij het doel van de organisatie?
In hoeverre is er sprake van gedeelde waarden/visie?
Wat wordt gedaan om eigen identiteit te bewaken?
In hoeverre komen de gedeelde waarden terug in de andere S-en
Omgeving (S-factoren)
Het gaat hier om de belangrijkste factoren in de maatschappij die van
invloed zijn op het functioneren van de organisatie
, Toelichting: deze afbeelding toont een schema van invloeden op een
organisatie. In het midden staat de organisatie, en daaromheen zie je
allerlei externe factoren die
invloed hebben op het
functioneren ervan.
Directe omgeving:
partijen waarmee de
organisatie rechtstreeks
te maken heeft, zoals,
werknemers, vakbonden,
concurrenten, banken,
consumenten,
leveranciers en
aandeelhouders
Indirecte omgeving: bredere invloeden zoals het weer, de
technologische ontwikkelingen, maatschappelijke behoeften,
conjunctuur (economie) en de arbeidsmarkt
Toelichting: een SWOT-analyse is een hulpmiddel om de sterke en
zwakke punten van een organisatie te begrijpen en de kansen en
bedreigingen uit de omgeving te herkennen.
S(Strenghts) – sterke punten binnen de organisatie (goed personeel,
sterke reputatie)
W (Weakness) – zwakke punten binnen de organisatie (weinig
ervaring, hoge kosten)
O (Oppertunites) – kansen buiten de organisatie (groeiende markt,
nieuwe technologie)
T (Threats) – bedreigingen van buitenaf (sterke concurrentie,
veranderende wetgeving)
Waar staat de client en waar sta jij? Wet- en regelgeving JHV
Je legt uit welke huidige (zorg)wetten van invloed zijn op het werk
van de (ortho)pedagoog