Lesweek 1: Ondersteuning bij leefstijl
Stress
Stress is de lichamelijke én psychische reactie van een persoon op een situatie die als
bedreigend of veeleisend wordt ervaren
- De oorzaak kan van alles zijn – bijvoorbeeld tijdsdruk, conflict, gevaar – en zo’n
oorzaak noemen we een stressfactor of stressor
- Wanneer iemand stress heeft, brengt dat het lichaam in een alarmtoestand: het
stresssysteem activeert hormonen zoals adrenaline en cortisol om je klaar te
maken voor actie (de bekende “vecht-of-vlucht” reactie). Hierdoor versnelt je
hartslag, span je spieren zich aan, gaat je ademhaling omhoog en kun je gaan
zweten
- Tegelijk reageren ook je gedachten en gevoelens: je kunt je nerveus, angstig of
gespannen voelen omdat je de situatie als bedreigend inschat.
Stress op zichzelf is niet altijd negatief – een beetje spanning kan helpen om alert te zijn
– maar langdurige of zeer intense stress is schadelijk. Chronische stress (stress die te
lang aanhoudt) put lichaam en geest uit en kan leiden tot klachten zoals vermoeidheid,
concentratieproblemen of uiteindelijk een burn-out
Belangrijk is het verschil tussen de draaglast (de eisen of druk van de situatie) en
iemands draagkracht (wat men aankan). Stress ontstaat vooral wanneer de draaglast
groter wordt geacht dan de draagkracht, m.a.w. wanneer iemand het gevoel heeft dat
wat er gevraagd of gebeurt zijn vermogen te boven gaat.
In de context van sociaal werk is kennis van stress belangrijk. Veel cliënten van sociaal
werk verkeren in stressvolle omstandigheden (bijvoorbeeld door armoede, trauma,
conflictsituaties). Stress kan hun functioneren beïnvloeden – onder stress reageren
mensen soms impulsiever of trekken ze zich juist terug, en langdurige stress kan leiden
tot gezondheidsproblemen. Een sociaal werker moet stresssignalen kunnen herkennen
en begrijpen. Zo kunnen ze stress-sensitief werken: rekening houden met de impact van
stress op iemands gedrag en beslissingen. Bijvoorbeeld, iemand die onder hoge stress
staat, heeft mogelijk minder ruimte om rationele beslissingen te nemen of informatie te
verwerken. De sociaal werker kan dan ondersteuning bieden bij het verminderen van
stress (bijv. door praktische hulp of emotiesteun) en cliënten leren om beter met stress
om te gaan (stressmanagement). Ook de sociaal werker zelf moet op zijn stress letten,
omdat het werk emotioneel belastend kan zijn.
1
,Copingstijlen (zeven typen)
Wanneer we geconfronteerd worden met stress of tegenslag, gebruiken we
allemaal coping strategieën: manieren om met die stress om te gaan. Deze
verschillende manieren worden copingstijlen genoemd
- Coping komt van het Engelse to cope with, wat betekent “ergens mee kunnen
omgaan” of “er tegen opgewassen zijn”
- In de psychologie maakt men vaak onderscheid tussen probleemgerichte
coping en emotiegerichte coping
Bij probleemgerichte coping probeert iemand de situatie zelf aan te pakken of op te
lossen; bij emotiegerichte coping probeert men de eigen emoties onder controle te
krijgen die door de stressor veroorzaakt worden
- Geen enkele copingstijl is per definitie goed of fout – wat effectief is, hangt af van
de persoon en de situatie. Het hebben van meerdere coping strategieën is
handig, zodat je kunt wisselen als een bepaalde aanpak niet werkt
- In het boek worden zeven copingstijlen onderscheiden. Hieronder staan deze 7
stijlen, met een korte toelichting per stijl:
1. Actief aanpakken: Dit is een probleemgerichte coping stijl waarbij je direct in
actie komt om het probleem op te lossen. Je analyseert het probleem, verzint
verschillende oplossingen en voert die stap voor stap uit
Iemand die actief coping, zet de schouders eronder en probeert de oorzaak van de
stress weg te nemen. Voordeel is dat dit vaak tot concrete oplossingen leidt en zo de
stress vermindert. Nadeel kan zijn dat niet alle problemen oplosbaar zijn; bij zaken waar
je geen controle over hebt (bv. het overlijden van iemand) schiet actief aanpakken tekort
en is emotieverwerking belangrijker
2. Palliatieve coping / “Verdoving” zoeken: Bij deze emotiegerichte stijl pak je
het probleem zelf niet direct aan, maar zoek je verlichting of troost om de
stress te dempen
. Men neemt als het ware emotioneel afstand of “vlucht” even uit de realiteit. Dit kan
door afleiding te zoeken of zichzelf te “verdoven”, bijvoorbeeld zich storten op hard
werken, of tijdelijk de zorgen vergeten met alcohol, drugs, gamen of andere pleziertjes
. Palliatieve coping kan op korte termijn helpen als een situatie overweldigend is en je er
nú toch niets aan kunt veranderen. Maar het risico is dat men problemen ontwijkt;
bovendien kunnen ongezonde troostmiddelen (zoals alcohol/drugs) nieuwe problemen
veroorzaken (verslaving).
2
, 3. Vermijding: Bij deze stijl ontkent of vermijdt iemand het probleem volledig
. Men doet alsof er niets aan de hand is, praat er niet over en steekt als het ware “de kop
in het zand”
. Door het probleem te ontkennen ervaar je even minder spanning, omdat je jezelf
wijsmaakt dat er geen bedreiging is. Maar meestal lost dit niets op – het probleem blijft
bestaan en kan ongemerkt groter worden, totdat de spanning zich op een ongezond
moment ontlaadt. Vermijdingscoping is zelden effectief als blijvende strategie, al kan
heel kort even ontkennen soms helpen om niet overweldigd te raken.
4. Sociale steun zoeken: Dit houdt in dat je bij andere mensen steun, hulp of
troost gaat zoeken
➢ Bijvoorbeeld je hart luchten bij een vriend(in), advies vragen aan familie, of
samen met anderen een oplossing proberen te vinden. Deze coping stijl kan
opluchten – het delen van je zorgen maakt dat je je minder alleen voelt en
anderen kunnen praktische steun of nieuwe inzichten geven
. Een risico is wel dat je (te) afhankelijk kunt worden van die ander of dat je in een
negatieve spiraal blijft als je elkaar alleen bevestigt in sombere gedachten. Over het
algemeen is sociale steun een positieve coping stijl in sociaal opzicht, mits het
probleem niet volledig bij anderen wordt neergelegd.
5. Passief reactiepatroon (machteloze passiviteit): Dit is een stijl waarbij
iemand zich in zichzelf terugtrekt en verlamd raakt door de stress. Aan de
buitenkant lijkt het misschien alsof hij/zij rustig of onbewogen blijft, maar van
binnen piekert die persoon voortdurend
. Men voelt zich machteloos, geeft zichzelf misschien de schuld en gelooft niet dat er
iets aan de situatie te doen valt
. Daardoor onderneemt men geen actie. Deze passieve coping lijkt op vermijding, maar
hier gaat het vaak gepaard met intern malen (denk aan depressief reageren). Dit patroon
lost niets op en problemen kunnen erger worden. Soms kunnen bepaalde problemen
zichzelf oplossen in de tijd, maar doorgaans is het een ineffectieve stijl omdat
belangrijke zaken blijven liggen.
3
, 6. Expressie van emoties (emoties uiten): Bij deze coping stijl laat iemand
duidelijk merken wat hij/zij voelt
➢ Bijvoorbeeld huilen, schreeuwen, boos worden of je frustratie eruit gooien. Voor
de persoon zelf kan dit een opluchting geven – de spanning komt eruit. Voor de
omgeving is het niet altijd prettig: emotionele uitbarstingen kunnen overkomen
als agressief of ongepast gedrag
. Toch is het vaak gezonder om emoties te uiten dan om alles op te kroppen. Na het uiten
kan iemand weer kalmer worden en eventueel helderder nadenken. Deze stijl is vooral
behulpzaam om de innerlijke druk te verlagen; het lost het probleem zelf niet op, maar
het geeft emotionele ontlading waardoor men daarna andere coping kan inzetten.
7. Geruststellende gedachten: Dit is een stijl waarbij iemand zichzelf kalmeert
door positieve of relativerende gedachten te gebruiken
. Men praat zichzelf moed in of minimaliseert het probleem in gedachten: “Het komt
allemaal wel goed, het had erger gekund, anderen hebben het zwaarder, er zit ook een
leerzame kant aan deze situatie”, of men legt zich neer bij een hoger plan (“het heeft zo
moeten zijn”). Door op deze manier te denken, vermindert de ervaren stress – je stelt
jezelf gerust en behoudt zo optimisme
. Dit is over het algemeen een gezonde copingstijl omdat het paniek voorkomt en
veerkracht geeft. Wel moet men oppassen dat het geen ontkenning wordt: als een
situatie snel actie vereist, is alleen geruststellend denken niet effectief (je moet dan
juist doen).
Copingstijlen in sociaal werk: Sociaal werkers zullen bij cliënten vaak verschillende
copingstijlen herkennen. Het is voor een hulpverlener nuttig om te weten hoe iemand
met stress omgaat. Zo kan een sociaal werker beter inschatten welke ondersteuning
nodig is. Iemand die bijvoorbeeld vooral vermijdt of in passiviteit vervalt, heeft wellicht
hulp nodig om het probleem onder ogen te zien en kleine actie-stapjes te zetten. Iemand
die geneigd is tot alleen palliatieve coping (bv. drinkt om problemen te vergeten) moet
misschien begeleid worden naar gezondere manieren van omgaan met stress. Door de
copingstijl te herkennen, kan de sociaal werker ook interventies hierop afstemmen –
bijvoorbeeld het aanleren van aanvullende copingstrategieën. Daarnaast moet een
sociaal werker reflecteren op zijn eigen coping: het werk kan stressvol zijn en goede
zelfzorg (sociale steun zoeken bij collega’s, grenzen aangeven, etc.) is essentieel om
burn-out te voorkomen.
4
Stress
Stress is de lichamelijke én psychische reactie van een persoon op een situatie die als
bedreigend of veeleisend wordt ervaren
- De oorzaak kan van alles zijn – bijvoorbeeld tijdsdruk, conflict, gevaar – en zo’n
oorzaak noemen we een stressfactor of stressor
- Wanneer iemand stress heeft, brengt dat het lichaam in een alarmtoestand: het
stresssysteem activeert hormonen zoals adrenaline en cortisol om je klaar te
maken voor actie (de bekende “vecht-of-vlucht” reactie). Hierdoor versnelt je
hartslag, span je spieren zich aan, gaat je ademhaling omhoog en kun je gaan
zweten
- Tegelijk reageren ook je gedachten en gevoelens: je kunt je nerveus, angstig of
gespannen voelen omdat je de situatie als bedreigend inschat.
Stress op zichzelf is niet altijd negatief – een beetje spanning kan helpen om alert te zijn
– maar langdurige of zeer intense stress is schadelijk. Chronische stress (stress die te
lang aanhoudt) put lichaam en geest uit en kan leiden tot klachten zoals vermoeidheid,
concentratieproblemen of uiteindelijk een burn-out
Belangrijk is het verschil tussen de draaglast (de eisen of druk van de situatie) en
iemands draagkracht (wat men aankan). Stress ontstaat vooral wanneer de draaglast
groter wordt geacht dan de draagkracht, m.a.w. wanneer iemand het gevoel heeft dat
wat er gevraagd of gebeurt zijn vermogen te boven gaat.
In de context van sociaal werk is kennis van stress belangrijk. Veel cliënten van sociaal
werk verkeren in stressvolle omstandigheden (bijvoorbeeld door armoede, trauma,
conflictsituaties). Stress kan hun functioneren beïnvloeden – onder stress reageren
mensen soms impulsiever of trekken ze zich juist terug, en langdurige stress kan leiden
tot gezondheidsproblemen. Een sociaal werker moet stresssignalen kunnen herkennen
en begrijpen. Zo kunnen ze stress-sensitief werken: rekening houden met de impact van
stress op iemands gedrag en beslissingen. Bijvoorbeeld, iemand die onder hoge stress
staat, heeft mogelijk minder ruimte om rationele beslissingen te nemen of informatie te
verwerken. De sociaal werker kan dan ondersteuning bieden bij het verminderen van
stress (bijv. door praktische hulp of emotiesteun) en cliënten leren om beter met stress
om te gaan (stressmanagement). Ook de sociaal werker zelf moet op zijn stress letten,
omdat het werk emotioneel belastend kan zijn.
1
,Copingstijlen (zeven typen)
Wanneer we geconfronteerd worden met stress of tegenslag, gebruiken we
allemaal coping strategieën: manieren om met die stress om te gaan. Deze
verschillende manieren worden copingstijlen genoemd
- Coping komt van het Engelse to cope with, wat betekent “ergens mee kunnen
omgaan” of “er tegen opgewassen zijn”
- In de psychologie maakt men vaak onderscheid tussen probleemgerichte
coping en emotiegerichte coping
Bij probleemgerichte coping probeert iemand de situatie zelf aan te pakken of op te
lossen; bij emotiegerichte coping probeert men de eigen emoties onder controle te
krijgen die door de stressor veroorzaakt worden
- Geen enkele copingstijl is per definitie goed of fout – wat effectief is, hangt af van
de persoon en de situatie. Het hebben van meerdere coping strategieën is
handig, zodat je kunt wisselen als een bepaalde aanpak niet werkt
- In het boek worden zeven copingstijlen onderscheiden. Hieronder staan deze 7
stijlen, met een korte toelichting per stijl:
1. Actief aanpakken: Dit is een probleemgerichte coping stijl waarbij je direct in
actie komt om het probleem op te lossen. Je analyseert het probleem, verzint
verschillende oplossingen en voert die stap voor stap uit
Iemand die actief coping, zet de schouders eronder en probeert de oorzaak van de
stress weg te nemen. Voordeel is dat dit vaak tot concrete oplossingen leidt en zo de
stress vermindert. Nadeel kan zijn dat niet alle problemen oplosbaar zijn; bij zaken waar
je geen controle over hebt (bv. het overlijden van iemand) schiet actief aanpakken tekort
en is emotieverwerking belangrijker
2. Palliatieve coping / “Verdoving” zoeken: Bij deze emotiegerichte stijl pak je
het probleem zelf niet direct aan, maar zoek je verlichting of troost om de
stress te dempen
. Men neemt als het ware emotioneel afstand of “vlucht” even uit de realiteit. Dit kan
door afleiding te zoeken of zichzelf te “verdoven”, bijvoorbeeld zich storten op hard
werken, of tijdelijk de zorgen vergeten met alcohol, drugs, gamen of andere pleziertjes
. Palliatieve coping kan op korte termijn helpen als een situatie overweldigend is en je er
nú toch niets aan kunt veranderen. Maar het risico is dat men problemen ontwijkt;
bovendien kunnen ongezonde troostmiddelen (zoals alcohol/drugs) nieuwe problemen
veroorzaken (verslaving).
2
, 3. Vermijding: Bij deze stijl ontkent of vermijdt iemand het probleem volledig
. Men doet alsof er niets aan de hand is, praat er niet over en steekt als het ware “de kop
in het zand”
. Door het probleem te ontkennen ervaar je even minder spanning, omdat je jezelf
wijsmaakt dat er geen bedreiging is. Maar meestal lost dit niets op – het probleem blijft
bestaan en kan ongemerkt groter worden, totdat de spanning zich op een ongezond
moment ontlaadt. Vermijdingscoping is zelden effectief als blijvende strategie, al kan
heel kort even ontkennen soms helpen om niet overweldigd te raken.
4. Sociale steun zoeken: Dit houdt in dat je bij andere mensen steun, hulp of
troost gaat zoeken
➢ Bijvoorbeeld je hart luchten bij een vriend(in), advies vragen aan familie, of
samen met anderen een oplossing proberen te vinden. Deze coping stijl kan
opluchten – het delen van je zorgen maakt dat je je minder alleen voelt en
anderen kunnen praktische steun of nieuwe inzichten geven
. Een risico is wel dat je (te) afhankelijk kunt worden van die ander of dat je in een
negatieve spiraal blijft als je elkaar alleen bevestigt in sombere gedachten. Over het
algemeen is sociale steun een positieve coping stijl in sociaal opzicht, mits het
probleem niet volledig bij anderen wordt neergelegd.
5. Passief reactiepatroon (machteloze passiviteit): Dit is een stijl waarbij
iemand zich in zichzelf terugtrekt en verlamd raakt door de stress. Aan de
buitenkant lijkt het misschien alsof hij/zij rustig of onbewogen blijft, maar van
binnen piekert die persoon voortdurend
. Men voelt zich machteloos, geeft zichzelf misschien de schuld en gelooft niet dat er
iets aan de situatie te doen valt
. Daardoor onderneemt men geen actie. Deze passieve coping lijkt op vermijding, maar
hier gaat het vaak gepaard met intern malen (denk aan depressief reageren). Dit patroon
lost niets op en problemen kunnen erger worden. Soms kunnen bepaalde problemen
zichzelf oplossen in de tijd, maar doorgaans is het een ineffectieve stijl omdat
belangrijke zaken blijven liggen.
3
, 6. Expressie van emoties (emoties uiten): Bij deze coping stijl laat iemand
duidelijk merken wat hij/zij voelt
➢ Bijvoorbeeld huilen, schreeuwen, boos worden of je frustratie eruit gooien. Voor
de persoon zelf kan dit een opluchting geven – de spanning komt eruit. Voor de
omgeving is het niet altijd prettig: emotionele uitbarstingen kunnen overkomen
als agressief of ongepast gedrag
. Toch is het vaak gezonder om emoties te uiten dan om alles op te kroppen. Na het uiten
kan iemand weer kalmer worden en eventueel helderder nadenken. Deze stijl is vooral
behulpzaam om de innerlijke druk te verlagen; het lost het probleem zelf niet op, maar
het geeft emotionele ontlading waardoor men daarna andere coping kan inzetten.
7. Geruststellende gedachten: Dit is een stijl waarbij iemand zichzelf kalmeert
door positieve of relativerende gedachten te gebruiken
. Men praat zichzelf moed in of minimaliseert het probleem in gedachten: “Het komt
allemaal wel goed, het had erger gekund, anderen hebben het zwaarder, er zit ook een
leerzame kant aan deze situatie”, of men legt zich neer bij een hoger plan (“het heeft zo
moeten zijn”). Door op deze manier te denken, vermindert de ervaren stress – je stelt
jezelf gerust en behoudt zo optimisme
. Dit is over het algemeen een gezonde copingstijl omdat het paniek voorkomt en
veerkracht geeft. Wel moet men oppassen dat het geen ontkenning wordt: als een
situatie snel actie vereist, is alleen geruststellend denken niet effectief (je moet dan
juist doen).
Copingstijlen in sociaal werk: Sociaal werkers zullen bij cliënten vaak verschillende
copingstijlen herkennen. Het is voor een hulpverlener nuttig om te weten hoe iemand
met stress omgaat. Zo kan een sociaal werker beter inschatten welke ondersteuning
nodig is. Iemand die bijvoorbeeld vooral vermijdt of in passiviteit vervalt, heeft wellicht
hulp nodig om het probleem onder ogen te zien en kleine actie-stapjes te zetten. Iemand
die geneigd is tot alleen palliatieve coping (bv. drinkt om problemen te vergeten) moet
misschien begeleid worden naar gezondere manieren van omgaan met stress. Door de
copingstijl te herkennen, kan de sociaal werker ook interventies hierop afstemmen –
bijvoorbeeld het aanleren van aanvullende copingstrategieën. Daarnaast moet een
sociaal werker reflecteren op zijn eigen coping: het werk kan stressvol zijn en goede
zelfzorg (sociale steun zoeken bij collega’s, grenzen aangeven, etc.) is essentieel om
burn-out te voorkomen.
4