GRONDSLAGEN VAN
WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
HOOFDSTUK 3 – WETENSCHAPSFILOSOFIE IN DE
MENSWETENSCHAPPEN
De spreidstand van de sociale wetenschappen
Menswetenschappen: Bestuderen de mens in zijn gedrag, cultuur,
samenleving, communicatie, geschiedenis, denken en voelen
Gedrags- en Geesteswetenschappen
maatschappijwetenschappen
Enge zin Hermeneutische
Empirisch-wetenschappelijk wetenschappen
Focus: menselijk gedrag, Interpreterend-
sociale relaties, wetenschappelijk
maatschappelijke structuren Focus: betekenis,
Voorbeelden: interpretatie van menselijk
- Sociaal werk handelen, teksten en
- Psychologie symbolen
- Sociologie Voorbeelden:
- Pedagogiek - Taal- en letterkunde
- Antropologie - (Kunst)geschiedenis
- Filosofie
Gedrags en maatschappijwetenschappen = empirisch-formele ws =
standaardvisie
Methodologische verwantschap met natuurwetenschappen
Doel: universele, causale wetmatigheden formuleren
Gebaseerd op:
- Empirische observatie
- Formele theorievorming
Benadering van sociale ws als ‘harde’ of bèta-georiënteerde ws
Verklaringen via veralgemeenbare en toetsbare hypotheses
Engelstalige wetenschapsfilosofie: naturalisme (naturalism)
Idee: sociale fenomenen kunnen worden bestudeerd met methoden
verwant aan natuurws
, Vanaf einde 19e eeuw: groeiende kritiek op het naturalisme
Nadruk vanuit diverse stromingen op:
- Complexiteit van menselijk handelen
- Betekenisgeladenheid
- Contextafhankelijkheid
Stelling: de sociale werkelijkheid verschilt fundamenteel van de
natuurlijke → andere manier van kennisverwerving nodig
Pleidooi voor een interpretatieve benadering (geestesws traditie)
Doel: begrijpen (Verstehen) van sociale betekenissen
- Kennisdoel: niet universele wetmatigheden, maar duiding
van betekenissen binnen sociale en historische context
- Naturalisme tot op vandaag invloedrijke stroming in de
sociale ws
In tegenstelling tot de natuurwetenschappen:
Geen één algemeen aanvaard kader/theorie in sociale ws
Twee interpreaties:
1. Teken van onrijpheid
- Volgens Kuhn: sociale wetenschappen zijn pre-
paradigmatisch
Er is nog geen stabiel, breed gedeeld paradigma
- Minder “volwassen” dan de natuurwetenschappen
- Gebrek aan een gemeenschappelijke benadering
2. Teken van sterkte
- Diversiteit aan benaderingen
- Multi-paradigmatische methodologie
- Meerdere invalshoeken -> rijker begrip van menselijk
gedrag/sociale processen
, Fundamentele vraag in de wetenschapstheorie: Hoe verhouden de
sociale wetenschappen zich tot de natuurwetenschappen?
Centrale kwesties:
- Hebben de sociale wetenschappen een eigen, onderscheiden
methode nodig?
- Of kunnen ze zich methodologisch spiegelen aan de
natuurwetenschappen?
Gevolg: onenigheid en discussie over:
- Wat precies het onderzoekssubject is?
- Hoe de onderzoeksmethode eruit moet zien?
Deze onduidelijkheid ligt aan de basis van het zgn. instabiele of
betwiste statuut van de sociale wetenschappen
elke sociale wetenschapper is ook een (wetenschaps)filosoof
Discussie over onderzoeksobject (het wat)
Menswetenschappen richten zich op individuele én sociale
Gedrag hangt samen met de sociale omgeving
Structuren ontstaan door handelen en betekenisgeving van
individuen.
Voorbeeld: ‘schoolmoeheid’
Individueel: motivatie, zelfbeeld, ontwikkeling
Sociaal: schoolstructuren, ongelijkheid, onderwijssysteem
Centrale vraag:
Wat is het primaire studieobject van de sociale wetenschappen
- Sociale structuren, instituties en systemen?
- Of de handelingen van individuele actoren?
WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
HOOFDSTUK 3 – WETENSCHAPSFILOSOFIE IN DE
MENSWETENSCHAPPEN
De spreidstand van de sociale wetenschappen
Menswetenschappen: Bestuderen de mens in zijn gedrag, cultuur,
samenleving, communicatie, geschiedenis, denken en voelen
Gedrags- en Geesteswetenschappen
maatschappijwetenschappen
Enge zin Hermeneutische
Empirisch-wetenschappelijk wetenschappen
Focus: menselijk gedrag, Interpreterend-
sociale relaties, wetenschappelijk
maatschappelijke structuren Focus: betekenis,
Voorbeelden: interpretatie van menselijk
- Sociaal werk handelen, teksten en
- Psychologie symbolen
- Sociologie Voorbeelden:
- Pedagogiek - Taal- en letterkunde
- Antropologie - (Kunst)geschiedenis
- Filosofie
Gedrags en maatschappijwetenschappen = empirisch-formele ws =
standaardvisie
Methodologische verwantschap met natuurwetenschappen
Doel: universele, causale wetmatigheden formuleren
Gebaseerd op:
- Empirische observatie
- Formele theorievorming
Benadering van sociale ws als ‘harde’ of bèta-georiënteerde ws
Verklaringen via veralgemeenbare en toetsbare hypotheses
Engelstalige wetenschapsfilosofie: naturalisme (naturalism)
Idee: sociale fenomenen kunnen worden bestudeerd met methoden
verwant aan natuurws
, Vanaf einde 19e eeuw: groeiende kritiek op het naturalisme
Nadruk vanuit diverse stromingen op:
- Complexiteit van menselijk handelen
- Betekenisgeladenheid
- Contextafhankelijkheid
Stelling: de sociale werkelijkheid verschilt fundamenteel van de
natuurlijke → andere manier van kennisverwerving nodig
Pleidooi voor een interpretatieve benadering (geestesws traditie)
Doel: begrijpen (Verstehen) van sociale betekenissen
- Kennisdoel: niet universele wetmatigheden, maar duiding
van betekenissen binnen sociale en historische context
- Naturalisme tot op vandaag invloedrijke stroming in de
sociale ws
In tegenstelling tot de natuurwetenschappen:
Geen één algemeen aanvaard kader/theorie in sociale ws
Twee interpreaties:
1. Teken van onrijpheid
- Volgens Kuhn: sociale wetenschappen zijn pre-
paradigmatisch
Er is nog geen stabiel, breed gedeeld paradigma
- Minder “volwassen” dan de natuurwetenschappen
- Gebrek aan een gemeenschappelijke benadering
2. Teken van sterkte
- Diversiteit aan benaderingen
- Multi-paradigmatische methodologie
- Meerdere invalshoeken -> rijker begrip van menselijk
gedrag/sociale processen
, Fundamentele vraag in de wetenschapstheorie: Hoe verhouden de
sociale wetenschappen zich tot de natuurwetenschappen?
Centrale kwesties:
- Hebben de sociale wetenschappen een eigen, onderscheiden
methode nodig?
- Of kunnen ze zich methodologisch spiegelen aan de
natuurwetenschappen?
Gevolg: onenigheid en discussie over:
- Wat precies het onderzoekssubject is?
- Hoe de onderzoeksmethode eruit moet zien?
Deze onduidelijkheid ligt aan de basis van het zgn. instabiele of
betwiste statuut van de sociale wetenschappen
elke sociale wetenschapper is ook een (wetenschaps)filosoof
Discussie over onderzoeksobject (het wat)
Menswetenschappen richten zich op individuele én sociale
Gedrag hangt samen met de sociale omgeving
Structuren ontstaan door handelen en betekenisgeving van
individuen.
Voorbeeld: ‘schoolmoeheid’
Individueel: motivatie, zelfbeeld, ontwikkeling
Sociaal: schoolstructuren, ongelijkheid, onderwijssysteem
Centrale vraag:
Wat is het primaire studieobject van de sociale wetenschappen
- Sociale structuren, instituties en systemen?
- Of de handelingen van individuele actoren?