Summary – Lectures - Articles
,Chapter 4
Discourse Classification
4.1 Typologies of discourse
Er zijn drie gesprekstypen te onderscheiden;
Organon model Functions Types
Symbol Transmission of information Informative discourse
Symptom Expression Narrative discourse
Signal Persuasion Argumentative discourse
® deze drie gesprekstypen kunnen echter ook tegelijk voorkomen (bv. een schrijver kan een
verhaal vertellen om mensen te overtuigen van iets)
Jakobsen onderscheidde in zijn model zes functies die ook tegelijk kunnen voorkomen;
Een message wordt verzonden van adresser naar addressee. Dit bericht refereert naar iets in de
wereld; de context (= referential function, gelijk aan ‘symbol’). Het bericht wordt vervoerd door
een bepaalde code te gebruiken (bv. woorden) via een channel. Een channel kan een fysieke
connectie hebben (contact) of een psychologische connectie (channel).
Emotive function = de attitude van de adresser
Conative function = de oriëntatie richting de adresseee (bv. een instructie geven)
® deze functies zijn ongeveer gelijk aan de functies van ‘symptom’ en ‘signal’
Poetic function = de taal die wordt gebruikt in het bericht
Phatic communion = taal is niet alleen om informatie over te brengen, maar ook om contact te
maken of het channel te checken (bv. “Are you still there?”)
Metalingual function = taal focust zich op de code (bv. Am I understood?”)
Er is een groot verschil tussen discourse types en discourse genres; het gesprekstype is vaak
universeel, terwijl het genre erg specifiek is ® gesprekstype ‘narrative discourse’ kan verdeeld
worden in genres als verhaal, sprookje, biografie etc.
1
, Werlich’s discourse typology
Abstracte grammaticale vormen ® gesprekstypen
Basic forms Subjective (= schrijvers Objective (= lezers perceptie)
perceptie)
Descriptive Impressionistic description Technical description
Narrative Report News story
Expository Essay Definition, summary,
explication, text
interpretation
Argumentative Comment Scientific argumentation
Instructive Instructions Directions, rules, regulations
and statutes
Biber’s discourse typology
Taalkundige kenmerken ® communicatieve functies
1. Involved vs. Informational production ® gesprekken, persoonlijke brieven vs. Artikelen en
academische proza
2. Narrative vs. Non-narrative concerns ® veel verleden tijd en derde persoon vs. Non-
narrative
3. Elaborated vs. Situation-dependent reference ® expliciete context-onafhankelijke teksten,
zoals officiële documenten vs. Alle andere communicatietypen
4. Overt expression of persuasion ® overtuigende teksten, zoals advertenties en politieke
speeches
5. Abstract vs. Non-abstract style ® kenmerken als de ‘passief’ vs. Canonieke opbouw
® Biber is van mening dat bv. het model van Werlich veel te vaag en algemeen is
4.3 Written language and spoken interaction
Discourse = is alle vormen van geschreven en gesproken communicatie
Er zijn twee factoren die het verschil tussen geschreven en gesproken interactie aanduiden;
1. Schrijven duurt langer dan spreken
® bij schrijven is er sprake van integration, door gebruik van subordinate conjunctions, terwijl
er bij spreken sprake is van fragmentation
2. Schrijvers hebben geen contact met hun lezers/ontvangers
® dit leidt tot een scheiding tussen schrijver en publiek; dit komt onder andere doordat er in
geschreven teksten vaak gebruik wordt gemaakt van de passief
Het verschil kan ook uitgelegd worden a.d.h.v. de situatie ® bij gesproken communicatie wordt
informatie ook overgebracht door andere middelen dan taal en sprekers kunnen gelijk reageren
op hun hoorders
Een gelijkenis tussen geschreven en gesproken communicatie is dat de schrijver of spreker
kunnen anticiperen op de reactie van de ontvanger
Bakhtin beweerde dat de betekenis van een uiting volledig afhangt van de situatie waarin deze
uiting wordt gedaan ® taal is geen abstract systeem van structuur en betekenissen
2