Inleiding staats- en bestuursrecht
Thema 1: inleiding beginselen van de democratische rechtsstaat
Publiekrecht: de overheid kan eenzijdige rechtsgevolgen vaststellen
o Overheid: feitelijke handelingen en rechtshandelingen
o Kenmerkend publiekrechtelijke rechtshandelingen via eenzijdig bindende
besluiten
De vijf beginselen:
1. Machtenscheiding: samenwerken en controleren van de verschillende machten
2. Legaliteitsbeginsel: alle optredens van de overheid moeten gebaseerd zijn op de wet.
3. Onafhankelijke rechtspraak: elke burger heeft het recht om naar een onafhankelijke
rechter te stappen
4. Grondrechten
5. Democratiebeginsel: overheidsoptreden moeten aanvaardbaar en legitiem zijn
Belangrijkste beslissingen moeten daarom bij meerderheid genomen worden door
een verkozen volksvertegenwoordiging.
2 delen van het legaliteitsbeginsel:
1. Er moet een wettelijke grondslag zijn voor het optreden van de overheid.
2. De overheid moet voldoen aan bepaalde normen.
Zo probeert de staat willekeur naar burgers te voorkomen
Functies staatsrecht:
o Constitueren: stelt overheidsambten in
o Attribueren: kent aan overheidsambten bevoegdheden toe
o Reguleren: stelt voorwaarden en grenzen aan de uitoefening van de bevoegdheden
o Legitimeren: draagt bij aan de aanvaarding van burgers van en het vertrouwen in de
machtsuitoefening door de staat
Formeel recht= de regelgeving
Materieel recht= de inhoudelijke eisen
Macht= feitelijk
(Overheids) gezag = gelegitimeerde macht
Bevoegdheden = wetgevende en bestuurlijke
Legitimiteit in een democratische rechtstaat: de aanvaarding van overheidsgezag is
afhankelijk van de mate waarin en de wijze waarop het volk invloed heeft op en controle
heeft over de totstandkoming en toepassing van algemeen geldende normen.
Input troughput output legitimiteit
Nederland als rechtsstaat:
1. Vrijheid
2. Rechtszekerheid
3. En rechtsgelijkheid
,Het optreden van de overheid wordt begrensd door regels en de grondrechten van de
burgers.
Wet in formele zin: een wet die tot stand is gekomen door de regering en de Staten-
Generaal
De regering: koning en de ministers
Staten-Generaal: parlement 1e en 2e kamer
Trias politica:
o Wetgevende macht: het parlement
o Uitvoerende macht: koning en ministers
o Rechtgevende macht: de rechters
Parlement en regering kunnen samen wetten in formele zin tot stand laten komen.
Het parlement kan de regering doen aftreden.
De rechter kan beide machten terugfluiten.
De regering kan de 2e kamer ontbinden.
De rechter kan:
1. Wetten in formele zin
2. Verdragen
Niet toetsen aan de grondwet (het toetsingsverbod)
Thema 2: machtsverdeling en democratie; parlementair stelsel
Legitimiteit representatieve democratie onder druk:
Complexe maatschappij
Ruime regelgevende bevoegdheden voor bestuur
Terugtred formele wetgever
Gedelegeerde regelgeving en ruim geformuleerde bevoegdheden met
beslissingsruimte
Particratie
Kloof tussen burger en politiek
Wetgevende macht: Staten-Generaal + regering
o Belangrijke functies: het maken van wetten en het controleren van de regering
o Voorbeeld checks: 2e kamer kan ministers ter verantwoording roepen
o Voorbeeld balances: regering en parlement stellen samen wetten vast
o Wetsartikelen: art. 68, 70, 81 Gw
Uitvoerende macht: regering (koning + ministers)
o Belangrijke functies: uitvoeren van wetten en leiden van beleid
o Voorbeeld checks: ministers zijn politiek verantwoordelijk tegenover parlement
o Voorbeeld balances: ministers moeten wetten uitvoeren zoals vastgesteld
o Wetsartikelen: art. 42 lid 2, 81 Gw
Rechterlijke macht: de rechters en hof van justitie
o Belangrijke functies: toetsen van besluiten aan de wet
o Voorbeeld checks: kan besluiten van bestuur vernietigen
, o Voorbeeld balances: mag wetten niet toetsen aan de grondwet
o Wetsartikelen: art. 93-94, 120 Gw
Belangrijke functies tweede kamer:
o Controleren
o Wetgeven
o Representeren
Geschiedenis van de rechtstaat:
Theocratische staatsopvatting:
o Vorst/soeverein regeert in de naam van god.
o Princeps legibus solutus est: de vorst is niet gebonden aan de wet
Natuurrecht:
o Onveranderlijke, uit natuur voortvloeiende rechtsbeginselen
o Beperken bevoegdheden van vorst
o Optreden ten behoeve van algemeen belang, anders recht op verzet tegen tiran.
Feodale staat (de standenmaatschappij):
o Vorst heeft militaire macht en financiële middelen nodig
o Vorst geeft in ruil domeingoed aan leenmannen
o Wederzijdse rechten en plichten
o Codificatie van natuurrecht
Model absolute staat:
o Reactie op godsdienstoorlogen
o Bodin: absolutie soevereiniteit; niet van andere machten afhankelijk, bevoegdheid tot
het scheppen van nieuw recht
Klassieke liberale rechtsstaat:
o Locke:
o Mensen als individuen met burgerlijke vrijheden
o Geven deel van natuurlijk vrijheid op aan de staat
o Machtenscheiding
o Constitutionele democratie door middel van representatie
o Montesquieu
o ‘De l’esprit des lois’
o Rousseau
o Contrat social
o Volonte generale
Het recht moet individuele vrijheid beschermen
Ook de overheid is gebonden door het recht
Beginselen van de rechtstaat:
1 Machtenscheiding:
Thema 1: inleiding beginselen van de democratische rechtsstaat
Publiekrecht: de overheid kan eenzijdige rechtsgevolgen vaststellen
o Overheid: feitelijke handelingen en rechtshandelingen
o Kenmerkend publiekrechtelijke rechtshandelingen via eenzijdig bindende
besluiten
De vijf beginselen:
1. Machtenscheiding: samenwerken en controleren van de verschillende machten
2. Legaliteitsbeginsel: alle optredens van de overheid moeten gebaseerd zijn op de wet.
3. Onafhankelijke rechtspraak: elke burger heeft het recht om naar een onafhankelijke
rechter te stappen
4. Grondrechten
5. Democratiebeginsel: overheidsoptreden moeten aanvaardbaar en legitiem zijn
Belangrijkste beslissingen moeten daarom bij meerderheid genomen worden door
een verkozen volksvertegenwoordiging.
2 delen van het legaliteitsbeginsel:
1. Er moet een wettelijke grondslag zijn voor het optreden van de overheid.
2. De overheid moet voldoen aan bepaalde normen.
Zo probeert de staat willekeur naar burgers te voorkomen
Functies staatsrecht:
o Constitueren: stelt overheidsambten in
o Attribueren: kent aan overheidsambten bevoegdheden toe
o Reguleren: stelt voorwaarden en grenzen aan de uitoefening van de bevoegdheden
o Legitimeren: draagt bij aan de aanvaarding van burgers van en het vertrouwen in de
machtsuitoefening door de staat
Formeel recht= de regelgeving
Materieel recht= de inhoudelijke eisen
Macht= feitelijk
(Overheids) gezag = gelegitimeerde macht
Bevoegdheden = wetgevende en bestuurlijke
Legitimiteit in een democratische rechtstaat: de aanvaarding van overheidsgezag is
afhankelijk van de mate waarin en de wijze waarop het volk invloed heeft op en controle
heeft over de totstandkoming en toepassing van algemeen geldende normen.
Input troughput output legitimiteit
Nederland als rechtsstaat:
1. Vrijheid
2. Rechtszekerheid
3. En rechtsgelijkheid
,Het optreden van de overheid wordt begrensd door regels en de grondrechten van de
burgers.
Wet in formele zin: een wet die tot stand is gekomen door de regering en de Staten-
Generaal
De regering: koning en de ministers
Staten-Generaal: parlement 1e en 2e kamer
Trias politica:
o Wetgevende macht: het parlement
o Uitvoerende macht: koning en ministers
o Rechtgevende macht: de rechters
Parlement en regering kunnen samen wetten in formele zin tot stand laten komen.
Het parlement kan de regering doen aftreden.
De rechter kan beide machten terugfluiten.
De regering kan de 2e kamer ontbinden.
De rechter kan:
1. Wetten in formele zin
2. Verdragen
Niet toetsen aan de grondwet (het toetsingsverbod)
Thema 2: machtsverdeling en democratie; parlementair stelsel
Legitimiteit representatieve democratie onder druk:
Complexe maatschappij
Ruime regelgevende bevoegdheden voor bestuur
Terugtred formele wetgever
Gedelegeerde regelgeving en ruim geformuleerde bevoegdheden met
beslissingsruimte
Particratie
Kloof tussen burger en politiek
Wetgevende macht: Staten-Generaal + regering
o Belangrijke functies: het maken van wetten en het controleren van de regering
o Voorbeeld checks: 2e kamer kan ministers ter verantwoording roepen
o Voorbeeld balances: regering en parlement stellen samen wetten vast
o Wetsartikelen: art. 68, 70, 81 Gw
Uitvoerende macht: regering (koning + ministers)
o Belangrijke functies: uitvoeren van wetten en leiden van beleid
o Voorbeeld checks: ministers zijn politiek verantwoordelijk tegenover parlement
o Voorbeeld balances: ministers moeten wetten uitvoeren zoals vastgesteld
o Wetsartikelen: art. 42 lid 2, 81 Gw
Rechterlijke macht: de rechters en hof van justitie
o Belangrijke functies: toetsen van besluiten aan de wet
o Voorbeeld checks: kan besluiten van bestuur vernietigen
, o Voorbeeld balances: mag wetten niet toetsen aan de grondwet
o Wetsartikelen: art. 93-94, 120 Gw
Belangrijke functies tweede kamer:
o Controleren
o Wetgeven
o Representeren
Geschiedenis van de rechtstaat:
Theocratische staatsopvatting:
o Vorst/soeverein regeert in de naam van god.
o Princeps legibus solutus est: de vorst is niet gebonden aan de wet
Natuurrecht:
o Onveranderlijke, uit natuur voortvloeiende rechtsbeginselen
o Beperken bevoegdheden van vorst
o Optreden ten behoeve van algemeen belang, anders recht op verzet tegen tiran.
Feodale staat (de standenmaatschappij):
o Vorst heeft militaire macht en financiële middelen nodig
o Vorst geeft in ruil domeingoed aan leenmannen
o Wederzijdse rechten en plichten
o Codificatie van natuurrecht
Model absolute staat:
o Reactie op godsdienstoorlogen
o Bodin: absolutie soevereiniteit; niet van andere machten afhankelijk, bevoegdheid tot
het scheppen van nieuw recht
Klassieke liberale rechtsstaat:
o Locke:
o Mensen als individuen met burgerlijke vrijheden
o Geven deel van natuurlijk vrijheid op aan de staat
o Machtenscheiding
o Constitutionele democratie door middel van representatie
o Montesquieu
o ‘De l’esprit des lois’
o Rousseau
o Contrat social
o Volonte generale
Het recht moet individuele vrijheid beschermen
Ook de overheid is gebonden door het recht
Beginselen van de rechtstaat:
1 Machtenscheiding: