DEEL 1: REDENEREN:
→ Geldigheid
● Veelvuldig brein:
1. Reptielenbrein (hersenstam)
● Doel: Instincten regelen (vluchten, vechten, honger, voortplanting)
● Kenmerk: Reageert snel en automatisch, zonder nadenken
● Je springt opzij voor een aanstormende auto
2. Oud zoogdierenbrein (limbisch systeem)
● Functie: Emoties, geheugen, sociale verbondenheid
● Je voelt je blij bij een compliment
3. Nieuw zoogdierenbrein (neocortex)
● Functie: Redeneren, plannen, taal, logisch denken
● Doet: Analyseert, maakt bewuste keuzes
● Je berekent je maandbudget
● Systeem 1- en Systeem 2-denken
○ S1: snel, automatisch, intuïtief denken
○ S2: traag, bewust, analytisch denken
● Verbanden (4 types)
● Voorwaardelijke verbanden (bv. als… dan…)
○ Als het regent, neem ik een paraplu.
● Via-verbanden (metonymieën*
○ = Je noemt iets via een ander, verbonden element (zoals de plaats, maker of
symbool).
○ * = Een ding of entiteit gebruiken (vehikelentiteit) om mentale toegang te
krijgen tot andere entiteit (doelentiteit) die er in onze ervaring nauw mee
verbonden is. Entiteiten in hetzelfde conceptuele domein.
■ België won goud op de Spelen
■ “Primoz Roglic moet nog voor de slotweek zijn roze ambities
opbergen in de Giro.”
● Causale verbanden ↓
○ Hij kreeg hoofdpijn omdat hij te lang naar het scherm keek.
● Als-het-ware verbanden (metaforen**)
○ ** = Een concrete entiteit uit één conceptueel domein (brondomein)
gebruiken om een abstracte entiteit uit een ander conceptueel domein
(doeldomein) beter te begrijpen.
○ Ze is een rots in de branding
○ “Een breinbreker aan de brug: Nina Derwael moet haar oefening
heruitvinden.”
○ “Lando Norris wint tactisch steekspel in GP van Monaco.”
● Eénduidige causale verbanden zijn zeldzaam: zestal vergissingen:
(1) zwakke correlatie tussen feit 1 en feit 2
(2) onbepaalde richting van causaal verband
• ‘paraplu’ en ‘regenen’
(3) alternatieve verklaringen
, • zoals gemeenschappelijke oorzaak, bv. ‘keizersnede’ en ‘autisme’
(4) overhaaste extrapolatie
• ‘neerslag is goed voor de oogst’ (maar niet altijd!)
(5) vage beschrijving van de oorzaak
(6) geen oog voor relevante kwantitatieve gegevens
● Kans dat er toch causaal verband, is groter als positief antwoord op deze vragen:
(i) Positieve correlatie tussen feit 1 en feit 2?
• Bv. ‘ik druk op knop X’ en ‘de televisie gaat aan’
(ii) Vaak voorkomende correlatie tussen feit 1 en feit 2?
• Bv. de televisie is al vaak aangegaan als ik op knop X heb gedrukt
(iii) Redenen dat feit 1 oorzaak is van feit 2 en niet omgekeerd?
• Bv. niet plausibel dat het aangaan van de televisie tot gevolg heeft dat jij op
knop X drukt
(iv) Kan je uitsluiten dat tussen feiten 1 en 2 nog een derde feit zit?
• In dit geval ja. Anders bv. bij ‘Armoede’ (1) en ‘Ziekten’ (2): 1 → verminderde
hygiëne → 2
(v) Kan je een derde factor uitsluiten die zowel feit 1 als feit 2 veroorzaakt?
• In dit geval ja. Anders bv. bij ‘Goed lezen’ (1) en ‘Grote schoenmaat’ (2):
‘Leeftijd’ (3) verklaart beide
(vi) Zijn termen waarmee feiten 1 en 2 zijn beschreven, voldoende duidelijk?
• ‘Armoede’ en ‘ziekten’ onvoldoende duidelijk omschreven? Moeilijker
causaal verband
● Noodzakelijke voorwaarde:
● = Een voorwaarde moet vervuld zijn om iets mogelijk te maken, maar is op zichzelf
niet genoeg.
● "Zuurstof is nodig om te ademen."
→ Je hebt zuurstof nodig om te kunnen ademen (noodzakelijk),
maar alleen zuurstof is niet voldoende: je hebt ook longen nodig.
● Voldoende voorwaarde:
○ = Een voorwaarde die, als ze vervuld is, zeker leidt tot het gevolg.
● "Als het regent, wordt de straat nat."
→ Regen is voldoende om de straat nat te maken (het gevolg treedt op).
- V: voldoende (maar niet noodzakelijk) dat het regent opdat de straat nat is
- N: noodzakelijk (maar niet voldoende) dat je brandstof hebt opdat de wagen rijdt
- V&N: voldoende en noodzakelijk dat je ingeschreven bent voor dit vak om dit vak te mogen
volgen
DEDUCTIEF REDENEREN: (AU → CF)
○ Alle honden blaffen (AU). Rex is een hond (CF). → Rex blaft.
● Syllogisme:
, ○ = Logische redenering met twee premissen en één conclusie, waarbij de
conclusie noodzakelijk volgt uit de premissen.
1. Alle mensen zijn sterfelijk.
2. Socrates is een mens.
3. Dus: Socrates is sterfelijk.
● Logica
○ = vormelijke geldigheid van red, ongeacht of de inhoud waar is.
○ Als het regent, worden de straten nat. Het regent → de straten zijn nat.
● Contradictorische, contrair en subcontrair uitspraken
○ Contradictorisch: Niet allebei waar, niet allebei onwaar.
■ (= inconsistent)
■ Alle studenten zijn op tijd vs. Niet alle studenten zijn op tijd.
○ Contrair: Niet allebei waar, wel allebei onwaar mogelijk.
■ (= inconsistent)
■ Alle studenten zijn op tijd vs. Geen enkele student is op tijd.
○ Subcontrair: Niet allebei onwaar, wel allebei waar mogelijk.
■ (= niet altijd inconsistent, kan samen consistent zijn)
■ Sommige studenten zijn op tijd vs. Sommige zijn niet op tijd.
● Opm. consistentie is een noodzakelijke voorwaarde voor coherentie.
● Diepgewortelde redeneerfouten
○ Waarheid van conclusie ≠ geldigheid van redenering:
■ Alle appels zijn fruit. Bananen zijn fruit. Dus: bananen zijn appels.
(conclusie klopt niet logisch)
○ Geldige redenering ≠ ware premissen
■ Als je geen kat hebt, ben je allergisch. Mark heeft geen kat →
Mark is allergisch. (geldige vorm, maar onware inhoud)
■ Als iemand een expert is, dan heeft die gelijk. Kristine is een
expert. Dus zij heeft gelijk.
● Modus ponens: = bevestiging van de voorwaarden
○ Deductief geldige redenering
○ Als als p dan q & p → dan q.
○ Als het sneeuwt (p), dan is het koud (q). Het sneeuwt → het is koud.
● Als iemand een expert is, dan heeft die gelijk. Kristine is een expert. Dus zij heeft
gelijk.
■ Bevestiging van de eerste voorwaarde leidt geldig tot de conclusie.
→ Kwaadaardige tweelingbroer MP: = bevestiging van het gevolg:
Foutieve vorm:
● Als p, dan q ● Als ik ziek ben (p), dan heb ik koorts (q)
● q ● Ik heb koorts (q)
● Dus: p ● Dus: ik ben ziek (p)
→ Fout: Je kunt ook koorts hebben door een andere
oorzaak (zoals een allergie of een zonnesteek)
→ Geldigheid
● Veelvuldig brein:
1. Reptielenbrein (hersenstam)
● Doel: Instincten regelen (vluchten, vechten, honger, voortplanting)
● Kenmerk: Reageert snel en automatisch, zonder nadenken
● Je springt opzij voor een aanstormende auto
2. Oud zoogdierenbrein (limbisch systeem)
● Functie: Emoties, geheugen, sociale verbondenheid
● Je voelt je blij bij een compliment
3. Nieuw zoogdierenbrein (neocortex)
● Functie: Redeneren, plannen, taal, logisch denken
● Doet: Analyseert, maakt bewuste keuzes
● Je berekent je maandbudget
● Systeem 1- en Systeem 2-denken
○ S1: snel, automatisch, intuïtief denken
○ S2: traag, bewust, analytisch denken
● Verbanden (4 types)
● Voorwaardelijke verbanden (bv. als… dan…)
○ Als het regent, neem ik een paraplu.
● Via-verbanden (metonymieën*
○ = Je noemt iets via een ander, verbonden element (zoals de plaats, maker of
symbool).
○ * = Een ding of entiteit gebruiken (vehikelentiteit) om mentale toegang te
krijgen tot andere entiteit (doelentiteit) die er in onze ervaring nauw mee
verbonden is. Entiteiten in hetzelfde conceptuele domein.
■ België won goud op de Spelen
■ “Primoz Roglic moet nog voor de slotweek zijn roze ambities
opbergen in de Giro.”
● Causale verbanden ↓
○ Hij kreeg hoofdpijn omdat hij te lang naar het scherm keek.
● Als-het-ware verbanden (metaforen**)
○ ** = Een concrete entiteit uit één conceptueel domein (brondomein)
gebruiken om een abstracte entiteit uit een ander conceptueel domein
(doeldomein) beter te begrijpen.
○ Ze is een rots in de branding
○ “Een breinbreker aan de brug: Nina Derwael moet haar oefening
heruitvinden.”
○ “Lando Norris wint tactisch steekspel in GP van Monaco.”
● Eénduidige causale verbanden zijn zeldzaam: zestal vergissingen:
(1) zwakke correlatie tussen feit 1 en feit 2
(2) onbepaalde richting van causaal verband
• ‘paraplu’ en ‘regenen’
(3) alternatieve verklaringen
, • zoals gemeenschappelijke oorzaak, bv. ‘keizersnede’ en ‘autisme’
(4) overhaaste extrapolatie
• ‘neerslag is goed voor de oogst’ (maar niet altijd!)
(5) vage beschrijving van de oorzaak
(6) geen oog voor relevante kwantitatieve gegevens
● Kans dat er toch causaal verband, is groter als positief antwoord op deze vragen:
(i) Positieve correlatie tussen feit 1 en feit 2?
• Bv. ‘ik druk op knop X’ en ‘de televisie gaat aan’
(ii) Vaak voorkomende correlatie tussen feit 1 en feit 2?
• Bv. de televisie is al vaak aangegaan als ik op knop X heb gedrukt
(iii) Redenen dat feit 1 oorzaak is van feit 2 en niet omgekeerd?
• Bv. niet plausibel dat het aangaan van de televisie tot gevolg heeft dat jij op
knop X drukt
(iv) Kan je uitsluiten dat tussen feiten 1 en 2 nog een derde feit zit?
• In dit geval ja. Anders bv. bij ‘Armoede’ (1) en ‘Ziekten’ (2): 1 → verminderde
hygiëne → 2
(v) Kan je een derde factor uitsluiten die zowel feit 1 als feit 2 veroorzaakt?
• In dit geval ja. Anders bv. bij ‘Goed lezen’ (1) en ‘Grote schoenmaat’ (2):
‘Leeftijd’ (3) verklaart beide
(vi) Zijn termen waarmee feiten 1 en 2 zijn beschreven, voldoende duidelijk?
• ‘Armoede’ en ‘ziekten’ onvoldoende duidelijk omschreven? Moeilijker
causaal verband
● Noodzakelijke voorwaarde:
● = Een voorwaarde moet vervuld zijn om iets mogelijk te maken, maar is op zichzelf
niet genoeg.
● "Zuurstof is nodig om te ademen."
→ Je hebt zuurstof nodig om te kunnen ademen (noodzakelijk),
maar alleen zuurstof is niet voldoende: je hebt ook longen nodig.
● Voldoende voorwaarde:
○ = Een voorwaarde die, als ze vervuld is, zeker leidt tot het gevolg.
● "Als het regent, wordt de straat nat."
→ Regen is voldoende om de straat nat te maken (het gevolg treedt op).
- V: voldoende (maar niet noodzakelijk) dat het regent opdat de straat nat is
- N: noodzakelijk (maar niet voldoende) dat je brandstof hebt opdat de wagen rijdt
- V&N: voldoende en noodzakelijk dat je ingeschreven bent voor dit vak om dit vak te mogen
volgen
DEDUCTIEF REDENEREN: (AU → CF)
○ Alle honden blaffen (AU). Rex is een hond (CF). → Rex blaft.
● Syllogisme:
, ○ = Logische redenering met twee premissen en één conclusie, waarbij de
conclusie noodzakelijk volgt uit de premissen.
1. Alle mensen zijn sterfelijk.
2. Socrates is een mens.
3. Dus: Socrates is sterfelijk.
● Logica
○ = vormelijke geldigheid van red, ongeacht of de inhoud waar is.
○ Als het regent, worden de straten nat. Het regent → de straten zijn nat.
● Contradictorische, contrair en subcontrair uitspraken
○ Contradictorisch: Niet allebei waar, niet allebei onwaar.
■ (= inconsistent)
■ Alle studenten zijn op tijd vs. Niet alle studenten zijn op tijd.
○ Contrair: Niet allebei waar, wel allebei onwaar mogelijk.
■ (= inconsistent)
■ Alle studenten zijn op tijd vs. Geen enkele student is op tijd.
○ Subcontrair: Niet allebei onwaar, wel allebei waar mogelijk.
■ (= niet altijd inconsistent, kan samen consistent zijn)
■ Sommige studenten zijn op tijd vs. Sommige zijn niet op tijd.
● Opm. consistentie is een noodzakelijke voorwaarde voor coherentie.
● Diepgewortelde redeneerfouten
○ Waarheid van conclusie ≠ geldigheid van redenering:
■ Alle appels zijn fruit. Bananen zijn fruit. Dus: bananen zijn appels.
(conclusie klopt niet logisch)
○ Geldige redenering ≠ ware premissen
■ Als je geen kat hebt, ben je allergisch. Mark heeft geen kat →
Mark is allergisch. (geldige vorm, maar onware inhoud)
■ Als iemand een expert is, dan heeft die gelijk. Kristine is een
expert. Dus zij heeft gelijk.
● Modus ponens: = bevestiging van de voorwaarden
○ Deductief geldige redenering
○ Als als p dan q & p → dan q.
○ Als het sneeuwt (p), dan is het koud (q). Het sneeuwt → het is koud.
● Als iemand een expert is, dan heeft die gelijk. Kristine is een expert. Dus zij heeft
gelijk.
■ Bevestiging van de eerste voorwaarde leidt geldig tot de conclusie.
→ Kwaadaardige tweelingbroer MP: = bevestiging van het gevolg:
Foutieve vorm:
● Als p, dan q ● Als ik ziek ben (p), dan heb ik koorts (q)
● q ● Ik heb koorts (q)
● Dus: p ● Dus: ik ben ziek (p)
→ Fout: Je kunt ook koorts hebben door een andere
oorzaak (zoals een allergie of een zonnesteek)