EXAMENVRAGEN: (2024-2025)
FILO: In het Britse empirisme wordt het ‘ik’ niet langer begrepen als het ‘cogito’ van
Descartes, maar als het ‘sensibele zelf’. Leg uit. (Max. 400 woorden)
- In het Britse empirisme verschuift de visie op het ‘ik’ radicaal ten opzichte van het
rationalisme van Descartes. Waar Descartes het ‘ik’ zag als een fundamenteel, denkend
subject (cogito, “ik denk, dus ik ben”) dat de basis vormt voor zekere kennis, stellen Britse
empiristen zoals John Locke en vooral David Hume dat het ‘ik’ géén onveranderlijk,
zelfstandig denkend wezen is, maar veeleer een bundel van zintuiglijke indrukken en
ervaringen: het ‘sensibele zelf’.
- John Locke breekt met het idee van aangeboren ideeën en beschouwt het bewustzijn als
een tabula rasa – een onbeschreven blad dat zich pas vormt door ervaring. Voor hem
bestaat het ‘zelf’ uit een continuïteit van bewustzijn, gedragen door het geheugen.
Identiteit is voor Locke dus psychologisch en gebaseerd op ervaring, niet op een abstracte
denkactiviteit. Toch blijft er bij hem nog een soort onderliggend zelf dat deze ervaringen kan
herinneren en ordenen.
- David Hume gaat hierin veel verder en radikaliseert het empirisme. Volgens Hume vinden we
bij introspectie nooit een zelf dat losstaat van concrete ervaringen. Wanneer hij naar binnen
keert, vindt hij alleen een stroom van indrukken: gevoelens, gedachten, gewaarwordingen.
Daarom stelt hij beroemd: “Ik tref nooit een zelf aan zonder waarneming.” Voor Hume is het
‘zelf’ geen eenheid, maar een bundel van percepties, zonder vaste kern. Wat wij het ‘ik’
noemen, is slechts een illusie van continuïteit die ontstaat doordat herinneringen en
ervaringen elkaar snel opvolgen – zoals een vlam lijkt te blijven branden, terwijl die in
werkelijkheid voortdurend verandert.
- Hiermee verwerpt het Britse empirisme het rationalistisch subject van Descartes dat als
fundament van kennis diende. Het ‘ik’ is niet langer een zekere bron van waarheid, maar
een gevolg van veranderlijke zintuiglijke data. Het cogito wordt dus ingeruild voor een
psychologisch en tijdelijk ‘zelf’, dat niet autonoom en stabiel is, maar afhankelijk van
gewaarwordingen en indrukken. In die zin is het Britse empirisme fundamenteel sceptisch
over de mogelijkheid van absolute kennis van het zelf – wat leidt tot een modern,
fragmentarisch mensbeeld.
RFILO: Wat is volgens Locke de taak en de macht van de staat en hoe verhoudt dit zich tot
de absolutistische visie van Hobbes?
- Volgens John Locke is de taak van de staat het beschermen van de natuurlijke rechten van
de mens: het recht op leven, lichamelijke integriteit, persoonlijke vrijheid en eerlijk verworven
eigendom. Deze rechten zijn onvervreemdbaar, wat betekent dat ze niet kunnen worden
afgestaan, zelfs niet bij het sluiten van een sociaal contract. Locke beschouwt deze rechten
als voorafgaand aan de staat: ze bestaan al in de natuurtoestand en vormen de legitieme
basis waarop de staat mag handelen. De macht van de staat is dus beperkt tot het
beschermen van deze rechten en mag niet willekeurig worden uitgeoefend. Daarom moet
de macht in een samenleving verdeeld worden via de scheiding der machten, waarbij de
wetgevende macht (WM) de belangrijkste rol speelt. De uitvoerende macht (UV) mag enkel
handelen binnen de grenzen die de WM stelt. Als de staat deze grenzen overschrijdt, mogen
burgers in verzet komen, omdat de legitimiteit van het staatsgezag dan vervalt. Locke
FILO: In het Britse empirisme wordt het ‘ik’ niet langer begrepen als het ‘cogito’ van
Descartes, maar als het ‘sensibele zelf’. Leg uit. (Max. 400 woorden)
- In het Britse empirisme verschuift de visie op het ‘ik’ radicaal ten opzichte van het
rationalisme van Descartes. Waar Descartes het ‘ik’ zag als een fundamenteel, denkend
subject (cogito, “ik denk, dus ik ben”) dat de basis vormt voor zekere kennis, stellen Britse
empiristen zoals John Locke en vooral David Hume dat het ‘ik’ géén onveranderlijk,
zelfstandig denkend wezen is, maar veeleer een bundel van zintuiglijke indrukken en
ervaringen: het ‘sensibele zelf’.
- John Locke breekt met het idee van aangeboren ideeën en beschouwt het bewustzijn als
een tabula rasa – een onbeschreven blad dat zich pas vormt door ervaring. Voor hem
bestaat het ‘zelf’ uit een continuïteit van bewustzijn, gedragen door het geheugen.
Identiteit is voor Locke dus psychologisch en gebaseerd op ervaring, niet op een abstracte
denkactiviteit. Toch blijft er bij hem nog een soort onderliggend zelf dat deze ervaringen kan
herinneren en ordenen.
- David Hume gaat hierin veel verder en radikaliseert het empirisme. Volgens Hume vinden we
bij introspectie nooit een zelf dat losstaat van concrete ervaringen. Wanneer hij naar binnen
keert, vindt hij alleen een stroom van indrukken: gevoelens, gedachten, gewaarwordingen.
Daarom stelt hij beroemd: “Ik tref nooit een zelf aan zonder waarneming.” Voor Hume is het
‘zelf’ geen eenheid, maar een bundel van percepties, zonder vaste kern. Wat wij het ‘ik’
noemen, is slechts een illusie van continuïteit die ontstaat doordat herinneringen en
ervaringen elkaar snel opvolgen – zoals een vlam lijkt te blijven branden, terwijl die in
werkelijkheid voortdurend verandert.
- Hiermee verwerpt het Britse empirisme het rationalistisch subject van Descartes dat als
fundament van kennis diende. Het ‘ik’ is niet langer een zekere bron van waarheid, maar
een gevolg van veranderlijke zintuiglijke data. Het cogito wordt dus ingeruild voor een
psychologisch en tijdelijk ‘zelf’, dat niet autonoom en stabiel is, maar afhankelijk van
gewaarwordingen en indrukken. In die zin is het Britse empirisme fundamenteel sceptisch
over de mogelijkheid van absolute kennis van het zelf – wat leidt tot een modern,
fragmentarisch mensbeeld.
RFILO: Wat is volgens Locke de taak en de macht van de staat en hoe verhoudt dit zich tot
de absolutistische visie van Hobbes?
- Volgens John Locke is de taak van de staat het beschermen van de natuurlijke rechten van
de mens: het recht op leven, lichamelijke integriteit, persoonlijke vrijheid en eerlijk verworven
eigendom. Deze rechten zijn onvervreemdbaar, wat betekent dat ze niet kunnen worden
afgestaan, zelfs niet bij het sluiten van een sociaal contract. Locke beschouwt deze rechten
als voorafgaand aan de staat: ze bestaan al in de natuurtoestand en vormen de legitieme
basis waarop de staat mag handelen. De macht van de staat is dus beperkt tot het
beschermen van deze rechten en mag niet willekeurig worden uitgeoefend. Daarom moet
de macht in een samenleving verdeeld worden via de scheiding der machten, waarbij de
wetgevende macht (WM) de belangrijkste rol speelt. De uitvoerende macht (UV) mag enkel
handelen binnen de grenzen die de WM stelt. Als de staat deze grenzen overschrijdt, mogen
burgers in verzet komen, omdat de legitimiteit van het staatsgezag dan vervalt. Locke