Wetenschappelijk onderzoek/wetenschappelijke theorie
Scientific norms:
• Universalisme: wetenschap is wetenschap en je beoordeeld het op basis van de kwaliteit
onafhankelijk van de onderzoeker
• Gemeenschappelijkheid: wetenschappelijke kennis wordt gecreëerd door een
gemeenschap en de bevindingen behoren tot aan de gemeenschap. Wetenschappers zijn
verantwoordelijk om bevindingen en methodes openbaar te maken.
• Belangeloosheid: wetenschappers streven ernaar de waarheid te ontdekken. Ze moeten
objectief onpartijdig werken, ze mogen er geen baat bij hebben.
• Georganiseerd scepticisme: wetenschappers en ook personen uit de maatschappij
moeten op een gezonder manier kritisch zijn.
Bij een vraag die gesteld wordt:
- Wat betekent het/definitie?
- Bronnen van informatie
• Intuïtie
• Ervaring
• Autoriteit
• Wetenschap
Wetenschappelijk onderzoek;
1. Empirisch: Onderzoek dat gebaseerd is op systematische waarnemingen.
2. Controleerbaar: Mede onderzoekers kunnen het nakijken (peer review).
3. Probabilistisch: Kans van data die in een bepaalde richting (ondersteunend of niet)
wijst. → Deterministisch is juist of onjuist.
1. Theorie
2. Onderzoekvragen (leidend in onderzoeksproces)
3. Onderzoekontwerp
4. Hypothesen
5. Data verzameling
6. Data-analyse
→ Gegevens die theorie ondersteunen of niet ondersteunen. (Nooit juist of onjuist uit
onderzoek)
Theorie: Beginpunt van onderzoek. Een geheel van denkbeelden, hypotheses en verklaringen
die in onderlinge samenhang worden beschreven.
Wetenschappelijke theorie:
1. Ondersteund door data uit wetenschappelijk onderzoek
2. Falsifieerbaar: Theorie moet weerlegd kunnen worden aan de hand van
verzamelende gegevens.
3. Spaarzaam (parsimonious): Als een eenvoudige theorie genoeg is, is het niet nodig
om deze complexer te maken.
,Onderzoeksvragen:
1. Fundamenteel (basic): onderzoeksvraag die echt kijkt naar hoe zit iets nou precies,
hoe werkt iets, wat is de relatie.
2. Toegepast (applied): onderzoeksvraag met een interventie als uitkomst.
3. Translationeel: combinatie om het toe te passen in de praktijk.
Onderzoeksontwerp:
- Wat voor soort empirische gegevens worden verzameld?
- Zijn de gegevens kwalitatief (open) of kwantitatief (gesloten)?
- Hoe worden de gegevens verzameld?
- Bij wie worden die gegevens verzameld?
Biasen:
1. Beschikbaarheidsbias (availability bias): Informatie die nog vers in het geheugen
zit, wordt eerder voor waar aangenomen.
2. Present bias: Alleen gekeken naar informatie die er is, niet naar informatie die
ontbreekt. Wordt niet vergeleken met een vergelijkingsgroep. (Bijv. alleen kijken naar
behandelingen die werken ipv. Die niet werken)
3. Confirmation bias: Opzoek naar informatie dat overeenkomt met onze eigen
overtuigingen
4. Bias blind spot: Denken dat je niet aan een bias lijdt.
5. Good story bias: Voorkeur voor informatie die gepresenteerd wordt in de vorm van
een goed, samenhangend verhaal.
Van inductie naar deductie
Inductief onderzoek: Via specifieke observaties wordt gezocht naar algemeenheden die
nieuwe theorieën vormen of bestaande theorieën aanpassen. Resultaat is een voorlopige
theorie.
Deductief onderzoek: Afleiden van specifieke toetsbare verwachtingen vanuit (voorlopige)
theorie. Vergelijken van deze verwachtingen met empirische gegevens
Kwalitatief onderzoek
Doel kwalitatief onderzoek:
- Sociale fenomenen: bepaalde aspecten van menselijk leven begrijpen op de plek waar
het ook gebeurt (natuurlijke context). → Bv. voetballers bevragen op een voetbalveld.
- Om een empirische patronen te vinden die een startpunt kunnen zijn voor
theorievorming
→ Ontwikkeling nieuwe theorie
→ Aanpassing of uitbreiden bestaande theorie
Kenmerken kwalitatief onderzoek:
1. Geïnteresseerd in de natuurlijke omgeving van de respondent.
2. De onderzoeker heeft een contextuele benadering.
3. Perspectief van de respondenten staan centraal.
4. Via specifieke observaties probeert de onderzoeker:
- De sociale werkelijkheid te omschrijven in diversiteit
, - Naar algemeenheden zoeken die nieuwe theorieën vormen of aanpassen (inductief
onderzoek: vanuit datatheorie ontwikkelen of aanpassen).
- Iteratief: herhaling, meestal om iets te verbeteren.
Onderzoeksvraag kwalitatief onderzoek:
- SPI(C)E:
S: Setting (welke context)
P: Perspective (over wie gaat het)
I: Interest (waar zijn we in geïnteresseerd)
C: Comparison (vergeleken met wie/wat)
E: Evaluation (hoe wordt geavaleerd) → altijd een werkwoord
Kwalitatief interview
Kwalitatief interview: gesprek waarin de interviewer open vragen stelt aan de geïnterviewde
over ideeën, motieven en ervaringen.
- Geïnterviewde is informant (= iemand die er veel van af weet) of respondent.
Interview: een vorm van een gesprek waarin 1 persoon, de interviewer, alleen maar vragen
stelt zonder zijn/haar mening te uiten over gedrag, motieven, ervaringen, etc.
- Interviewer is participant (bijv. zelfde doelgroep) of buitenstaander (meer kans op
eerlijkheid).
- Onderzoeker is nadrukkelijk aanwezig bij de dataverzameling.
- Nadeel: als participant zich niet op zn gemak voelt, is er kans dat de waarheid niet
verteld wordt. Je kan gedrag niet verzamelen.
Vraag is gesteld → participant moet de vraag begrijpen → participant moet graven →
participant moet mening vormen → participant gaat antwoord formuleren → participant moet
beslissen of hij/zij dit ook verteld.
- Doorvragen
Soorten interviews:
• Ongestructureerd: Inhoud, volgorde en formulering hangt af van het verloop
en context van het interview.
• Semigestructureerd: Topiclijst, maar inhoud, volgorde en formulering hangen
af van context van het interview.
• Gestructureerd: Inhoud, volgorde en formulering worden vastgelegd. (Dit is
een gesloten interview)
➔ Probes: vervolgvragen of subtiele hints.
➔ Prompts: gerichte hints of suggesties om tot een antwoord te komen.
- Diepte-interview: zoveel mogelijk gedetailleerde informatie.
- Oral history: persoonlijke herinneren en ervaringen van mensen worden verzameld.
- Life history review: focus op levensverhaal respondent, focus op belangrijke
gebeurtenissen, veranderingen en persoonlijke groei.
- Cognitief interview: focus op nauwkeurige gedetailleerde herinneren van een
respondent naar boven te halen.
Verzamelde data kwalitatief onderzoek/focusgroep:
• Transcript: volledig uitgetypte opname van het gesprek.
Scientific norms:
• Universalisme: wetenschap is wetenschap en je beoordeeld het op basis van de kwaliteit
onafhankelijk van de onderzoeker
• Gemeenschappelijkheid: wetenschappelijke kennis wordt gecreëerd door een
gemeenschap en de bevindingen behoren tot aan de gemeenschap. Wetenschappers zijn
verantwoordelijk om bevindingen en methodes openbaar te maken.
• Belangeloosheid: wetenschappers streven ernaar de waarheid te ontdekken. Ze moeten
objectief onpartijdig werken, ze mogen er geen baat bij hebben.
• Georganiseerd scepticisme: wetenschappers en ook personen uit de maatschappij
moeten op een gezonder manier kritisch zijn.
Bij een vraag die gesteld wordt:
- Wat betekent het/definitie?
- Bronnen van informatie
• Intuïtie
• Ervaring
• Autoriteit
• Wetenschap
Wetenschappelijk onderzoek;
1. Empirisch: Onderzoek dat gebaseerd is op systematische waarnemingen.
2. Controleerbaar: Mede onderzoekers kunnen het nakijken (peer review).
3. Probabilistisch: Kans van data die in een bepaalde richting (ondersteunend of niet)
wijst. → Deterministisch is juist of onjuist.
1. Theorie
2. Onderzoekvragen (leidend in onderzoeksproces)
3. Onderzoekontwerp
4. Hypothesen
5. Data verzameling
6. Data-analyse
→ Gegevens die theorie ondersteunen of niet ondersteunen. (Nooit juist of onjuist uit
onderzoek)
Theorie: Beginpunt van onderzoek. Een geheel van denkbeelden, hypotheses en verklaringen
die in onderlinge samenhang worden beschreven.
Wetenschappelijke theorie:
1. Ondersteund door data uit wetenschappelijk onderzoek
2. Falsifieerbaar: Theorie moet weerlegd kunnen worden aan de hand van
verzamelende gegevens.
3. Spaarzaam (parsimonious): Als een eenvoudige theorie genoeg is, is het niet nodig
om deze complexer te maken.
,Onderzoeksvragen:
1. Fundamenteel (basic): onderzoeksvraag die echt kijkt naar hoe zit iets nou precies,
hoe werkt iets, wat is de relatie.
2. Toegepast (applied): onderzoeksvraag met een interventie als uitkomst.
3. Translationeel: combinatie om het toe te passen in de praktijk.
Onderzoeksontwerp:
- Wat voor soort empirische gegevens worden verzameld?
- Zijn de gegevens kwalitatief (open) of kwantitatief (gesloten)?
- Hoe worden de gegevens verzameld?
- Bij wie worden die gegevens verzameld?
Biasen:
1. Beschikbaarheidsbias (availability bias): Informatie die nog vers in het geheugen
zit, wordt eerder voor waar aangenomen.
2. Present bias: Alleen gekeken naar informatie die er is, niet naar informatie die
ontbreekt. Wordt niet vergeleken met een vergelijkingsgroep. (Bijv. alleen kijken naar
behandelingen die werken ipv. Die niet werken)
3. Confirmation bias: Opzoek naar informatie dat overeenkomt met onze eigen
overtuigingen
4. Bias blind spot: Denken dat je niet aan een bias lijdt.
5. Good story bias: Voorkeur voor informatie die gepresenteerd wordt in de vorm van
een goed, samenhangend verhaal.
Van inductie naar deductie
Inductief onderzoek: Via specifieke observaties wordt gezocht naar algemeenheden die
nieuwe theorieën vormen of bestaande theorieën aanpassen. Resultaat is een voorlopige
theorie.
Deductief onderzoek: Afleiden van specifieke toetsbare verwachtingen vanuit (voorlopige)
theorie. Vergelijken van deze verwachtingen met empirische gegevens
Kwalitatief onderzoek
Doel kwalitatief onderzoek:
- Sociale fenomenen: bepaalde aspecten van menselijk leven begrijpen op de plek waar
het ook gebeurt (natuurlijke context). → Bv. voetballers bevragen op een voetbalveld.
- Om een empirische patronen te vinden die een startpunt kunnen zijn voor
theorievorming
→ Ontwikkeling nieuwe theorie
→ Aanpassing of uitbreiden bestaande theorie
Kenmerken kwalitatief onderzoek:
1. Geïnteresseerd in de natuurlijke omgeving van de respondent.
2. De onderzoeker heeft een contextuele benadering.
3. Perspectief van de respondenten staan centraal.
4. Via specifieke observaties probeert de onderzoeker:
- De sociale werkelijkheid te omschrijven in diversiteit
, - Naar algemeenheden zoeken die nieuwe theorieën vormen of aanpassen (inductief
onderzoek: vanuit datatheorie ontwikkelen of aanpassen).
- Iteratief: herhaling, meestal om iets te verbeteren.
Onderzoeksvraag kwalitatief onderzoek:
- SPI(C)E:
S: Setting (welke context)
P: Perspective (over wie gaat het)
I: Interest (waar zijn we in geïnteresseerd)
C: Comparison (vergeleken met wie/wat)
E: Evaluation (hoe wordt geavaleerd) → altijd een werkwoord
Kwalitatief interview
Kwalitatief interview: gesprek waarin de interviewer open vragen stelt aan de geïnterviewde
over ideeën, motieven en ervaringen.
- Geïnterviewde is informant (= iemand die er veel van af weet) of respondent.
Interview: een vorm van een gesprek waarin 1 persoon, de interviewer, alleen maar vragen
stelt zonder zijn/haar mening te uiten over gedrag, motieven, ervaringen, etc.
- Interviewer is participant (bijv. zelfde doelgroep) of buitenstaander (meer kans op
eerlijkheid).
- Onderzoeker is nadrukkelijk aanwezig bij de dataverzameling.
- Nadeel: als participant zich niet op zn gemak voelt, is er kans dat de waarheid niet
verteld wordt. Je kan gedrag niet verzamelen.
Vraag is gesteld → participant moet de vraag begrijpen → participant moet graven →
participant moet mening vormen → participant gaat antwoord formuleren → participant moet
beslissen of hij/zij dit ook verteld.
- Doorvragen
Soorten interviews:
• Ongestructureerd: Inhoud, volgorde en formulering hangt af van het verloop
en context van het interview.
• Semigestructureerd: Topiclijst, maar inhoud, volgorde en formulering hangen
af van context van het interview.
• Gestructureerd: Inhoud, volgorde en formulering worden vastgelegd. (Dit is
een gesloten interview)
➔ Probes: vervolgvragen of subtiele hints.
➔ Prompts: gerichte hints of suggesties om tot een antwoord te komen.
- Diepte-interview: zoveel mogelijk gedetailleerde informatie.
- Oral history: persoonlijke herinneren en ervaringen van mensen worden verzameld.
- Life history review: focus op levensverhaal respondent, focus op belangrijke
gebeurtenissen, veranderingen en persoonlijke groei.
- Cognitief interview: focus op nauwkeurige gedetailleerde herinneren van een
respondent naar boven te halen.
Verzamelde data kwalitatief onderzoek/focusgroep:
• Transcript: volledig uitgetypte opname van het gesprek.