Stappenplan diagnosticeren
Klinisch redeneren – hulpdocument bij het opstellen
van clusters en diagnoses in PES-structuur
1. Ordenen in FGP’s
Als eerste start je met het
ordenen van de verkregen
patiëntengegevens in de 11
Functionele Gezondheids-
patronen van Gordon (FGP’s).
Vervolgens ga je deze gegevens
vergelijken met bestaande
normaalwaarden, normen en
standaarden, om te kunnen
beoordelen in hoeverre deze
gegevens normaal of afwijkend
zijn.
Volgens Gorden vergelijk je het gedrag van de zorgvrager met
- zijn individuele norm
- de sociale/culturele norm
- de norm die hoort bij de leeftijd/ontwikkelingsfase
Daaruit kan dan worden bepaald of er een verpleegkundig probleem is of niet en welke van
de 11 FGP’s functioneel of (potentieel) disfunctioneel zijn.
Bijvoorbeeld:
- Mw drinkt niet veel (uit FGP voeding) -> hoeveel is normaal?
- Urine is weinig en geconcentreerd (uit FGP voeding) -> hoeveel is de normale
urineproductie en hoe ziet die urine er uit?
- Mw eet niet veel (uit FGP voeding) -> hoeveel eet ze, wat is de normale
dagelijkse hoeveelheid eten?
- Mw slaapt slecht (uit FGP slaap/rust) -> hoe is het normale slaappatroon?
Pas na het antwoord geven op deze vragen en de beoordeling van de overige gegevens
binnen de FGP’s kan je bepalen of een FGP functioneel of (potentieel) disfunctioneel is.
1
, 2. Clusteren
Dan wordt gezocht naar
aanwijzingen/cues; belangrijke
informatie die het maakt dat je er
over na gaat denken of het
verband heeft met andere
gegevens, patronen of
gerelateerde factoren. Daarbij kan
het helpen om cues/aanwijzingen
te onderstrepen.
Je gaat dus zoeken naar onderlinge verbanden; welke gegevens hebben verband met elkaar
Je gaat je gegevens, observaties, klachten van de zorgvrager alsmaar vergelijken met
bestaande kennis (normale waarden) en ervaring. Vervolgens ga je de gegevens
interpreteren.
Bijvoorbeeld:
- is er een verband tussen weinig drinken en urine productie/concentratie
- is er verband tussen incontinentie en het ontstaan van decubitus
- is er verband tussen bedrust en obstipatie
Vervolgens worden de gegevens gegroepeerd; gegevens uit de verschillende
gezondheidspatronen worden bij elkaar gezet in clusters die verwijzen naar hypothesen
(hypothetische diagnoses).
Bijvoorbeeld:
Cluster 1 FGP
Drinkt niet veel voeding
Urine erg geconcentreerd uitscheiding
Niet veel urine uitscheiding
Misselijkheid gezondheidsbeleving
Cluster 2 FGP
Opname/indicatie: CVA gezondheidsbeleving
Gedeeltelijke verlamming links activiteiten
Bedrust activiteiten
Kan zich niet omdraaien activiteiten
Rood plekje op linker hak voeding en stofwisseling
Cluster 3 FGP
Diagnose; grote buikoperatie; pijn gezondheidsbeleving
Mw is benauwd activiteiten
Rochelt bij de ademhaling activiteiten
AH versneld; 20 min activiteiten
2
Klinisch redeneren – hulpdocument bij het opstellen
van clusters en diagnoses in PES-structuur
1. Ordenen in FGP’s
Als eerste start je met het
ordenen van de verkregen
patiëntengegevens in de 11
Functionele Gezondheids-
patronen van Gordon (FGP’s).
Vervolgens ga je deze gegevens
vergelijken met bestaande
normaalwaarden, normen en
standaarden, om te kunnen
beoordelen in hoeverre deze
gegevens normaal of afwijkend
zijn.
Volgens Gorden vergelijk je het gedrag van de zorgvrager met
- zijn individuele norm
- de sociale/culturele norm
- de norm die hoort bij de leeftijd/ontwikkelingsfase
Daaruit kan dan worden bepaald of er een verpleegkundig probleem is of niet en welke van
de 11 FGP’s functioneel of (potentieel) disfunctioneel zijn.
Bijvoorbeeld:
- Mw drinkt niet veel (uit FGP voeding) -> hoeveel is normaal?
- Urine is weinig en geconcentreerd (uit FGP voeding) -> hoeveel is de normale
urineproductie en hoe ziet die urine er uit?
- Mw eet niet veel (uit FGP voeding) -> hoeveel eet ze, wat is de normale
dagelijkse hoeveelheid eten?
- Mw slaapt slecht (uit FGP slaap/rust) -> hoe is het normale slaappatroon?
Pas na het antwoord geven op deze vragen en de beoordeling van de overige gegevens
binnen de FGP’s kan je bepalen of een FGP functioneel of (potentieel) disfunctioneel is.
1
, 2. Clusteren
Dan wordt gezocht naar
aanwijzingen/cues; belangrijke
informatie die het maakt dat je er
over na gaat denken of het
verband heeft met andere
gegevens, patronen of
gerelateerde factoren. Daarbij kan
het helpen om cues/aanwijzingen
te onderstrepen.
Je gaat dus zoeken naar onderlinge verbanden; welke gegevens hebben verband met elkaar
Je gaat je gegevens, observaties, klachten van de zorgvrager alsmaar vergelijken met
bestaande kennis (normale waarden) en ervaring. Vervolgens ga je de gegevens
interpreteren.
Bijvoorbeeld:
- is er een verband tussen weinig drinken en urine productie/concentratie
- is er verband tussen incontinentie en het ontstaan van decubitus
- is er verband tussen bedrust en obstipatie
Vervolgens worden de gegevens gegroepeerd; gegevens uit de verschillende
gezondheidspatronen worden bij elkaar gezet in clusters die verwijzen naar hypothesen
(hypothetische diagnoses).
Bijvoorbeeld:
Cluster 1 FGP
Drinkt niet veel voeding
Urine erg geconcentreerd uitscheiding
Niet veel urine uitscheiding
Misselijkheid gezondheidsbeleving
Cluster 2 FGP
Opname/indicatie: CVA gezondheidsbeleving
Gedeeltelijke verlamming links activiteiten
Bedrust activiteiten
Kan zich niet omdraaien activiteiten
Rood plekje op linker hak voeding en stofwisseling
Cluster 3 FGP
Diagnose; grote buikoperatie; pijn gezondheidsbeleving
Mw is benauwd activiteiten
Rochelt bij de ademhaling activiteiten
AH versneld; 20 min activiteiten
2