Bacteriële ziekten Zoönosen 1ste Master 2024-2025
Zoönosen
Definitie: Infecties die overgaan van dier naar mens.
• Elk dier waarmee men in contact komt, draagt schimmels en bacteriën.
• Belang afhankelijk van:
o Pathogeniciteit van de bacterie
o Blootstellingsmogelijkheid voor de mens
o Gevoeligheid van de persoon
1. Pathogeniciteit
• Breed gastheerspectrum bij veel bacteriën en schimmels → mensen kunnen snel geïnfecteerd worden.
• Veel infecties zijn relatief mild.
o Voorbeeld: Microsporum canis (kat als typisch reservoir) → dermatomycose bij ± 1 miljard
mensen/jaar. Meestal mild en zelflimiterend.
• Sommige infecties zijn zeer pathogeen.
o Voorbeeld: Listeria monocytogenes (Gr+) → meningitis bij herkauwers, abortus, kan via melk/mest in
vlees- en melkproducten (bv. rauwe kaas).
▪ België: ± 50 gevallen/jaar, mortaliteit ± 30%.
▪ Wordt bestreden ondanks lage prevalentie door hoge pathogeniciteit.
• Ziektekost = verlies aan gezonde levensjaren (DALY’s) + economische kost.
• Prevalentieverschillen: Campylobacter: ± 10.000 gevallen/jaar, mortaliteit 100x lager dan Listeria maar door
hoge aantallen vergelijkbaar aantal sterfgevallen.
• Seizoensgebondenheid:
o Campylobacter: meer in zomermaanden (meer besmet pluimvee, BBQ’s, kruiscontaminatie).
o Lyme (Borreliose): tekenactiviteit in zomer.
Gastheerspectrum
• Breed gastheerspectrum → hoge kans op mensinfecties:
o Campylobacter → veel vogelsoorten, zoogdieren (pups), overleving in oppervlaktewater →
contaminatiebronnen.
o Salmonella → breed gastheerspectrum.
• Gastheerspecifieke bacteriën:
o Voorbeeld: Brucella abortus (relatief gastheerspecifiek) → bij mens zeldzaam maar ernstiger verloop.
o Makkelijker te bestrijden door focus op specifieke diersoort.
2. Transmissie
• Meestal via voedsel.
• Directe overdracht van dier naar mens: relatief zeldzaam.
• Overdrachtsroutes:
o Aërogeen: beperkt, vb. Q-koorts (kort/lang).
o Via huid en mucosae: incl. krabben, likken, bijten.
o Peroraal: via besmet voedsel.
o Vectoren: teken, muggen, vb. Lyme disease.
3. Gevoelige populatie
• YOPIES (Young, Old, Pregnant, Immunocompromised) → meer gevoelig.
• Voorbeelden:
o Ouderen met papegaaien.
1
, Bacteriële ziekten Zoönosen 1ste Master 2024-2025
o Zwangeren in contact met geaborteerde dieren → kans op zelf abortus (septicemie-veroorzakende
bacteriën extra gevaarlijk).
o Jonge kinderen:
▪ Salmonella → kans op septicemie, orgaanlokalisaties (meningitis, osteoartritis, sterfte).
▪ Geen reptielen in huis, hygiëne bij honden/katten belangrijk (baby’s steken alles in mond).
o Campylobacter:
▪ Piek bij jonge kinderen.
▪ Tweede piek rond 20 jaar (feestjes, slechte hygiëne bij vleesbereiding).
▪ Gevoeligheid neemt toe met leeftijd.
o Immunogecompromitteerden (kanker, HIV): zeer gevoelig voor Cryptococcus (slijmerige woekeringen
Bovenste Luchtwegen).
4. Top zoönotische bacteriën (meest voorkomend)
• Campylobacter (voeding, omgeving) → gastro-enteritis (braken, diarree, zelflimiterend 1-2 w).
• Salmonella (voeding, omgeving) → gastro-enteritis (idem).
• Bartonella (kat) → kattekrabziekte.
• E. coli (VTEC, voeding) → minder frequent, soms Hemolytisch Uremisch Syndroom (HUS) → levensbedreigend
(bv. O157 “hamburger disease”).
• Lyme (teken, wilde dieren).
• Listeriose (voeding).
• Leptospirose (omgeving):
o Belangrijkste systemische ziekte bij jonge honden → acute, lethale ziekte (hepatitis, nefritis,
meningitis).
o Bij mens: gelijkaardige symptomen, beperkt aantal gevallen.
o Transmissie: zelden direct van besmette hond (vb. urinedruppel in oog), meestal via omgeving
(oppervlaktewater besmet door urine van knaagdieren – reservoir) → via verweekt huid of mucosae.
5. Bacteriële infecties na bijt- of krabwonden
Algemeen
• Niet altijd terug te vinden in officiële statistieken.
• Hondenbeten komen zeer frequent voor → ± 20% geïnfecteerd.
• Mond van carnivoren zit vol bacteriën → bijten injecteert bacteriën diep in weefsel.
• Vaak ook laceraties → verhogen kans op infectie.
• Veel hondenbeten vereisen chirurgische interventie.
• Advies: elke honden- of kattenbeet beschouwen als geïnfecteerd.
Belangrijke bacteriën
1. Pasteurella spp. (hond, kat)
o Zeer frequent in muil.
o Lokale infectie: pijn, zwelling, roodheid.
o Kan opstijgen naar regionale lymfeknopen.
o Zeldzaam: bacteriëmie/septicemie met orgaanletsels.
2. Capnocytophaga canimorsus (hond, kat)
o Gramnegatieve bacterie, frequent in mondholte hond.
o Lokale infectie bij bijtwonde.
o Vaak systemische verspreiding → relatief gevaarlijk.
o Zeldzaam, maar kan in 1/3 van gevallen leiden tot sterfte.
3. Bartonella henselae (kat) – kattenkrabziekte
o Gramnegatief.
2
Zoönosen
Definitie: Infecties die overgaan van dier naar mens.
• Elk dier waarmee men in contact komt, draagt schimmels en bacteriën.
• Belang afhankelijk van:
o Pathogeniciteit van de bacterie
o Blootstellingsmogelijkheid voor de mens
o Gevoeligheid van de persoon
1. Pathogeniciteit
• Breed gastheerspectrum bij veel bacteriën en schimmels → mensen kunnen snel geïnfecteerd worden.
• Veel infecties zijn relatief mild.
o Voorbeeld: Microsporum canis (kat als typisch reservoir) → dermatomycose bij ± 1 miljard
mensen/jaar. Meestal mild en zelflimiterend.
• Sommige infecties zijn zeer pathogeen.
o Voorbeeld: Listeria monocytogenes (Gr+) → meningitis bij herkauwers, abortus, kan via melk/mest in
vlees- en melkproducten (bv. rauwe kaas).
▪ België: ± 50 gevallen/jaar, mortaliteit ± 30%.
▪ Wordt bestreden ondanks lage prevalentie door hoge pathogeniciteit.
• Ziektekost = verlies aan gezonde levensjaren (DALY’s) + economische kost.
• Prevalentieverschillen: Campylobacter: ± 10.000 gevallen/jaar, mortaliteit 100x lager dan Listeria maar door
hoge aantallen vergelijkbaar aantal sterfgevallen.
• Seizoensgebondenheid:
o Campylobacter: meer in zomermaanden (meer besmet pluimvee, BBQ’s, kruiscontaminatie).
o Lyme (Borreliose): tekenactiviteit in zomer.
Gastheerspectrum
• Breed gastheerspectrum → hoge kans op mensinfecties:
o Campylobacter → veel vogelsoorten, zoogdieren (pups), overleving in oppervlaktewater →
contaminatiebronnen.
o Salmonella → breed gastheerspectrum.
• Gastheerspecifieke bacteriën:
o Voorbeeld: Brucella abortus (relatief gastheerspecifiek) → bij mens zeldzaam maar ernstiger verloop.
o Makkelijker te bestrijden door focus op specifieke diersoort.
2. Transmissie
• Meestal via voedsel.
• Directe overdracht van dier naar mens: relatief zeldzaam.
• Overdrachtsroutes:
o Aërogeen: beperkt, vb. Q-koorts (kort/lang).
o Via huid en mucosae: incl. krabben, likken, bijten.
o Peroraal: via besmet voedsel.
o Vectoren: teken, muggen, vb. Lyme disease.
3. Gevoelige populatie
• YOPIES (Young, Old, Pregnant, Immunocompromised) → meer gevoelig.
• Voorbeelden:
o Ouderen met papegaaien.
1
, Bacteriële ziekten Zoönosen 1ste Master 2024-2025
o Zwangeren in contact met geaborteerde dieren → kans op zelf abortus (septicemie-veroorzakende
bacteriën extra gevaarlijk).
o Jonge kinderen:
▪ Salmonella → kans op septicemie, orgaanlokalisaties (meningitis, osteoartritis, sterfte).
▪ Geen reptielen in huis, hygiëne bij honden/katten belangrijk (baby’s steken alles in mond).
o Campylobacter:
▪ Piek bij jonge kinderen.
▪ Tweede piek rond 20 jaar (feestjes, slechte hygiëne bij vleesbereiding).
▪ Gevoeligheid neemt toe met leeftijd.
o Immunogecompromitteerden (kanker, HIV): zeer gevoelig voor Cryptococcus (slijmerige woekeringen
Bovenste Luchtwegen).
4. Top zoönotische bacteriën (meest voorkomend)
• Campylobacter (voeding, omgeving) → gastro-enteritis (braken, diarree, zelflimiterend 1-2 w).
• Salmonella (voeding, omgeving) → gastro-enteritis (idem).
• Bartonella (kat) → kattekrabziekte.
• E. coli (VTEC, voeding) → minder frequent, soms Hemolytisch Uremisch Syndroom (HUS) → levensbedreigend
(bv. O157 “hamburger disease”).
• Lyme (teken, wilde dieren).
• Listeriose (voeding).
• Leptospirose (omgeving):
o Belangrijkste systemische ziekte bij jonge honden → acute, lethale ziekte (hepatitis, nefritis,
meningitis).
o Bij mens: gelijkaardige symptomen, beperkt aantal gevallen.
o Transmissie: zelden direct van besmette hond (vb. urinedruppel in oog), meestal via omgeving
(oppervlaktewater besmet door urine van knaagdieren – reservoir) → via verweekt huid of mucosae.
5. Bacteriële infecties na bijt- of krabwonden
Algemeen
• Niet altijd terug te vinden in officiële statistieken.
• Hondenbeten komen zeer frequent voor → ± 20% geïnfecteerd.
• Mond van carnivoren zit vol bacteriën → bijten injecteert bacteriën diep in weefsel.
• Vaak ook laceraties → verhogen kans op infectie.
• Veel hondenbeten vereisen chirurgische interventie.
• Advies: elke honden- of kattenbeet beschouwen als geïnfecteerd.
Belangrijke bacteriën
1. Pasteurella spp. (hond, kat)
o Zeer frequent in muil.
o Lokale infectie: pijn, zwelling, roodheid.
o Kan opstijgen naar regionale lymfeknopen.
o Zeldzaam: bacteriëmie/septicemie met orgaanletsels.
2. Capnocytophaga canimorsus (hond, kat)
o Gramnegatieve bacterie, frequent in mondholte hond.
o Lokale infectie bij bijtwonde.
o Vaak systemische verspreiding → relatief gevaarlijk.
o Zeldzaam, maar kan in 1/3 van gevallen leiden tot sterfte.
3. Bartonella henselae (kat) – kattenkrabziekte
o Gramnegatief.
2