1 WERKCOLLEGE 1+2: HGW EN HGD EN FAIRE DIAGNOSTIEK
1.1 HERHALING ICF
= internationale classificatie van het menselijk functioneren
Een mens:
• Lichaam (functies/anatomische eigenschappen): Wat kan iemand zowel fysiek als mentaal? Wat
kan een baby van 6 maanden bijvoorbeeld al?
• Doen (activiteiten): Wat doet een mens? Wat zijn zijn activiteiten; bijvoorbeeld boodschappen
doen, schoonmaken, beslissingen nemen.
• Samen (participatie): Met wie doet een mens iets? Hij participeert (=neemt deel), bijvoorbeeld
studeren, werken, vrijwilliger zijn bij het Rode Kruis bijvoorbeeld.
→ Maar een mens is meer: het ik, de omgeving (fysiek/sociaal, maatschappelijk) en ziektes.
,1.2 HGD, HANDELINGSGERICHTE DIAGNOSTIEK
HGW = handelingsgericht werken
HGD = handelingsgerichte diagnostiek
HPL = handelingsplanning
Handelingsgerichte diagnostiek: hoe kunnen we dit kind
het best begeleiden? Om deze vraag te beantwoorden
moeten we informatie verzamelen.
- Intake = info verzamelen rond hulpvraag
- Strategie = reflectie rond aanpak
- Onderzoek = gericht info vergaren
- Integratie/aanbeveling = info verwerken + hypothese
- Advies = gesprek met alle betrokkenen
- Interventie + evaluatie = plan uitvoeren en bijsturen
7 uitgangspunten:
1. Onderwijs- en opvoedingsbehoeften centraal
2. Afstemming/wisselwerking
3. Leerkracht en ouder doen ertoe
4. Positieve aspecten
5. Constructieve samenwerking
6. Doelgericht
7. Systematisch -
transparant
Handelingsplanning:
wetenschappelijke manier om
te werken aan problemen, in
scholen.
- Beginsituatie: waar de
LL op dit moment staat
en waar we de LL willen
hebben. Bv. bang zijn
voor spinnen.
- Doelenselectie: Doelen
stellen om de situatie
aan te gaan. Bv. minder
bang worden voor
spinnen.
- Strategie: een strategie samenstellen aan de hand van de doelen, het denkproces over wat
we gaan doen. Bv. foto’s bekijken van spinnen voor 5 min lang.
- Uitvoering: het daadwerkelijk uitvoeren van de strategie.
- Evaluatie: de CL is al minder bang maar na 10 min wordt het moeilijker, zo gaan we opnieuw
de cyclus doorlopen maar nu met een langere tijd. Dit zorgt voor een nieuwe beginsituatie.
,1.3 ZORGCONTINUÜM
Zorgcontinuüm: je kan altijd wisselen van fase en ook terugkeren naar een basiszorg.
1. Fase 0, Brede basiszorg: alle maatregelen
die de school doet voor alle leerlingen,
een goed pestbeleid.
2. Fase 1, Individuele maatregelen: als de LL
niet voldoende heeft bij de brede
basiszorg, wat kunnen we voor deze LL
doen om hem verder te helpen.
3. Fase 2, Uitbreiding van zorg: schakelen het
CLB in, als na al deze acties we nog geen
oplossing gevonden hebben. Ook als we
een vermoeden hebben dat
handelingsgerichte diagnose nodig is.
4. Fase 3, Volledig aangepast traject: als de
LL definitief verwijderd wordt van de
school. Ook een heroriëntering bij het
buitengewoon onderwijs.
1.4 FAIRE DIAGNOSTIEK
Faire diagnostiek: zorgzame & kwaliteitsvolle diagnostiek bij anderstalige en/of kansarme kinderen
Lage testscore:
• = Weergave van hetgeen de test wil weergeven?
• = Andere oorzaak?
• Vertrouwensrelatie creëren
• Positief, constructief kader opbouwen
• Voldoende informatie verzamelen
• Eigen waarden en (voor)oordelen onder ogen zien
• Breed kijken, rekening houden met context
• Toegankelijk taalgebruik hanteren
• Geloven in veranderbaarheid; ook bij kansarmen en hun omgeving
, 2 WERKCOLLEGE 4: AGRESSIE
2.1 WAT IS AGRESSIE
Agressie = Gedrag waarbij de ander schade wordt toegebracht.
→ Fysieke agressie: slaan, schoppen, …
→ Psychische agressie: bedreigen, pesten, schelden, …
Overtreden van bepaalde regels:
• Formeel: bezittingen niet stukmaken, niet mishandelen
• Informeel: respect hebben, rekening houden met elkaar
Iemands gedrag kan agressief zijn, ook al had de persoon niet de intentie om leed toe te brengen aan
de ander.
2.2 SOORTEN AGRESSIE
1) Reactieve agressie:
o Heetgebakerde kinderen die “ontploffen”
o Snel aangevallen, onmiddellijke reactie
o Impulsief, houdt geen rekening met consequenties
o Vb. bij het samenstellen van ploegen, het kind wordt niet snel gekozen en als hij dan
wel gekozen wordt, weet hij niet hoe te reageren en slaat hij in de buik van de
andere jongen.
2) Proactieve agressie:
o Niet reactief, agressie om doelen na te streven
o Koelbloediger
o Weinig angst
o Vb. de jongen had geen geld en wou graag een broodje kopen. Hij heeft het geld met
agressie gestolen van iemand anders.
Grote samenhang tussen beide vormen. Echter hebben beide vormen een andere aanpak nodig. Er
wordt dan gekeken naar welke vorm meer naar voor komt en die wordt behandeld. 50 procent van
de kinderen vertoont zowel proactieve als reactieve agressie.
6 categorieën probleemgedrag die samenhangen met agressie:
• Internaliserende problemen: emoties waarop ze niet weten hoe zich te gedragen.
• Emotionele disregulatie en hyperactiviteit
• Delinquent gedrag: gedrag waarbij kinderen/jongeren misdrijven plegen.
• Sociometrische status: komt meer voor bij kinderen die zich meer leider voelen in een groep.
• Slachtofferschap: het leggen van de agressie buiten zichzelf, zij zijn slachtoffer van deze
situatie.
• Sociale incompetentie: kinderen die zich niet goed kunnen vinden in een groep.