GODSDIENST 1
HOOFDSTUK 1: ENKELE BEGRIPPEN VERHELDERD
1. IS ER EEN VERSCHIL TUSSEN GOEDSIENST EN RELIGIE?
Godsdienst = Een religie gericht op het geloven in een bepaalde God/Goden; datgene
waarmee men zich ‘verbindt’ noemt men God.
Een levensbeschouwing waarin de dienst aan en het geloof in God of Goden essentieel is.
Men denkt hierbij automatisch aan gevestigde Godsdiensten.
Geloof = Een geheel van leerstelligheden en plechtigheden.
Religie = Vorm van levensbeschouwing die uitgaat van een verhouding tot het ‘heilige’,
waarbij rituele, affectieve, gedragsmatige en sociale aspecten een grote rol spelen.
2. LEVENSBESCHOUWING ALS KOEPELTERM
Levensbeschouwing = Een meer of minder bereflecteerde visie (beschouwing) op het zelf,
het bestaan en de wereld, al dan niet georiënteerd op een levensbeschouwelijke traditie.
HOOFDSTUK 2: DE MORELE ONTWIKKELING
1. DE MORELE ONTWIKKELING VAN DE PEUTER
Waarden en normen worden altijd overgedragen in opvoeding en onderwijs.
Vanaf 2,5 jaar: Besef van goed en kwaad
Aan – of afwezigheid van de opvoeder speelt een belangrijke rol
Dingen uitspoken, maar achteraf weten dat dit niet mag
Wat moreel goed of slecht is → Hangt af van de gevolgen
2. DE MORELE ONTWIKKELING STIMULEREN IN DE KLEUTERKLAS
Het gaat hier niet om het leren van concrete waarden, maar om een houding van respectvol
leren omgaan met veelvormigheid van waarden en normen.
Helpt kinderen een afweging te maken tussen goed en kwaad
Helpt te oriënteren naar wat van belang is voor vele mensen en wat wenselijk gedrag is
Laat kinderen niet enkel ontdekken wat belangrijk is voor zichzelf, maar ook het
gemeenschappelijke goede
Gaat minder om concrete waarden, maar om respect en leren omgaan met de
veelvormigheid van waarden en normen
3. DE MORELE ONTWIKKELING VOLGENS KOHLBERG
, = Elke stap vergt cognitieve vooruitgang, niet iedereen bereikt hoogste stadium.
Stadium 1: Pre – conventioneel niveau Gericht op het krijgen van beloningen en
→ Peuter/Kleuter het vermijden van straffen.
Stadium 2: Conventioneel niveau Individuen moeten tegemoet komen aan
→ Lagereschoolkind sociale regels en wetten.
Stadium 3: Post – conventioneel niveau Idealen en morele principes.
→ Adolescent/Volwassene
HOOFDSTUK 3: LEVENSBESCHOUWELIJKE EN RELIGIEUZE GROEI BIJ KLEUTERS
LRG = Levensbeschouwelijke en religieuze groei.
Deel van de totale ontwikkeling van kleuters
Vanuit de katholieke traditie in dialoog met andere tradities
Activiteiten die in de kern zit om de levensbeschouwing die in de kinderen zit te stimuleren
Bestaat uit 4 componenten = concreet de manier hoe we werken aan de LRG
4 componenten:
Fundamentele Vertrouwen (A1) Uitbreiden van het basisvertrouwen
bestaancondities Vertrouwen in zichzelf, de wereld en God
(A)
Mogelijkheden en Omgaan met eigen mogelijkheden,
beperkingen (A2) grenzen en beperkingen
De dood als laatste grens
Verbondenheid (B) Met zichzelf (B1) Ontwikkeling van het geweten
De eigen gevoelswereld ordenen
Met anderen (B2) Egocentrisme tegenover anderen
Vriendschappen ontstaan vanaf 4 jaar
Met gemeenschappen Solidariteit
(B3) Klas wordt bekeken als een gemeenschap
Met natuur en culturen Bewondering en verwondering ontstaat
(B4) tegenover de natuur
Groeien in gevoeligheid voor goed en kwaad Lust en onlust bepalen het gedrag
(C) Goedkeuring of afkeer door vertrouwen
Regels leren naleven
Verkennen van geloofstaal en groeien in Komen open voor geloofstaal
symboolgevoeligheid (D) Gaan graag mee in je geloofsbeleving
Het belang van het stimuleren van de LRG
Deel van de totale ontwikkeling van de kleuter
HOOFDSTUK 1: ENKELE BEGRIPPEN VERHELDERD
1. IS ER EEN VERSCHIL TUSSEN GOEDSIENST EN RELIGIE?
Godsdienst = Een religie gericht op het geloven in een bepaalde God/Goden; datgene
waarmee men zich ‘verbindt’ noemt men God.
Een levensbeschouwing waarin de dienst aan en het geloof in God of Goden essentieel is.
Men denkt hierbij automatisch aan gevestigde Godsdiensten.
Geloof = Een geheel van leerstelligheden en plechtigheden.
Religie = Vorm van levensbeschouwing die uitgaat van een verhouding tot het ‘heilige’,
waarbij rituele, affectieve, gedragsmatige en sociale aspecten een grote rol spelen.
2. LEVENSBESCHOUWING ALS KOEPELTERM
Levensbeschouwing = Een meer of minder bereflecteerde visie (beschouwing) op het zelf,
het bestaan en de wereld, al dan niet georiënteerd op een levensbeschouwelijke traditie.
HOOFDSTUK 2: DE MORELE ONTWIKKELING
1. DE MORELE ONTWIKKELING VAN DE PEUTER
Waarden en normen worden altijd overgedragen in opvoeding en onderwijs.
Vanaf 2,5 jaar: Besef van goed en kwaad
Aan – of afwezigheid van de opvoeder speelt een belangrijke rol
Dingen uitspoken, maar achteraf weten dat dit niet mag
Wat moreel goed of slecht is → Hangt af van de gevolgen
2. DE MORELE ONTWIKKELING STIMULEREN IN DE KLEUTERKLAS
Het gaat hier niet om het leren van concrete waarden, maar om een houding van respectvol
leren omgaan met veelvormigheid van waarden en normen.
Helpt kinderen een afweging te maken tussen goed en kwaad
Helpt te oriënteren naar wat van belang is voor vele mensen en wat wenselijk gedrag is
Laat kinderen niet enkel ontdekken wat belangrijk is voor zichzelf, maar ook het
gemeenschappelijke goede
Gaat minder om concrete waarden, maar om respect en leren omgaan met de
veelvormigheid van waarden en normen
3. DE MORELE ONTWIKKELING VOLGENS KOHLBERG
, = Elke stap vergt cognitieve vooruitgang, niet iedereen bereikt hoogste stadium.
Stadium 1: Pre – conventioneel niveau Gericht op het krijgen van beloningen en
→ Peuter/Kleuter het vermijden van straffen.
Stadium 2: Conventioneel niveau Individuen moeten tegemoet komen aan
→ Lagereschoolkind sociale regels en wetten.
Stadium 3: Post – conventioneel niveau Idealen en morele principes.
→ Adolescent/Volwassene
HOOFDSTUK 3: LEVENSBESCHOUWELIJKE EN RELIGIEUZE GROEI BIJ KLEUTERS
LRG = Levensbeschouwelijke en religieuze groei.
Deel van de totale ontwikkeling van kleuters
Vanuit de katholieke traditie in dialoog met andere tradities
Activiteiten die in de kern zit om de levensbeschouwing die in de kinderen zit te stimuleren
Bestaat uit 4 componenten = concreet de manier hoe we werken aan de LRG
4 componenten:
Fundamentele Vertrouwen (A1) Uitbreiden van het basisvertrouwen
bestaancondities Vertrouwen in zichzelf, de wereld en God
(A)
Mogelijkheden en Omgaan met eigen mogelijkheden,
beperkingen (A2) grenzen en beperkingen
De dood als laatste grens
Verbondenheid (B) Met zichzelf (B1) Ontwikkeling van het geweten
De eigen gevoelswereld ordenen
Met anderen (B2) Egocentrisme tegenover anderen
Vriendschappen ontstaan vanaf 4 jaar
Met gemeenschappen Solidariteit
(B3) Klas wordt bekeken als een gemeenschap
Met natuur en culturen Bewondering en verwondering ontstaat
(B4) tegenover de natuur
Groeien in gevoeligheid voor goed en kwaad Lust en onlust bepalen het gedrag
(C) Goedkeuring of afkeer door vertrouwen
Regels leren naleven
Verkennen van geloofstaal en groeien in Komen open voor geloofstaal
symboolgevoeligheid (D) Gaan graag mee in je geloofsbeleving
Het belang van het stimuleren van de LRG
Deel van de totale ontwikkeling van de kleuter