Circulatie Respiratie 24’ – 25’
Werkcolleges antwoorden
,Inhoud
Werkcollege 1 Long mechanica, ventilatie (& dyspneu)..............................3
Werkcollege 2 Ventilatie en perfusie van alveoli en diffusie van O2/CO2......6
Werkcollege 4 zelfstudie............................................................................10
Werkcollege 7 aangeboren hartafwijkingen...............................................12
Werkcollege 8 zelfstudie............................................................................15
Werkcollege 8 Circulatie Paard...................................................................17
Werkcollege 9: Respiratoire problemen in koppels....................................20
Werkcollege 10: Virale luchtweginfecties...................................................25
Werkcollege 11: bacteriële respiratoire aandoeningen..............................31
Werkcollege 12: Zoönotische luchtweginfecties........................................39
,Werkcollege 1 Long mechanica, ventilatie (&
dyspneu)
Opdracht 1
a) De stroming van lucht in de luchtwegen lijkt in veel aspecten op
de stroming van bloed in het circulatiesysteem. Wat zijn de
overeenkomsten?
Stroming gebaseerd op drukverschillen, gaswisseling, weerstand
beïnvloed stroming: dilatatie en constrictie, pompsysteem nodig,
buizensysteem.
b) Hieronder staan gebeurtenissen tijdens inspiratie. Zet ze in de
juiste volgorde, beginnend met de start van een inspiratie.
1. De druk in de alveoli gaat toenemen. (6
2. De pleurale membranen volgen deze beweging, het
elastische longweefsel werkt dit tegen. Hierdoor wordt de
intrapleurale druk (Pip) negatiever. (3
3. Het longvolume neemt toe, de druk in de alveoli (Palv)
daalt tot onder de atmosferische druk. (4
4. Contractie van diafragma en m. intercostalis externus. (1
5. Volume van de thorax neemt toe. (2
6. Lucht gaat stromen van de atmosfeer naar de alveoli. (5
7. De luchtstroom stopt wanneer de druk in de longen
dezelfde is als de druk in de atmosfeer. (7
c) Welke spieren zijn betrokken bij een actieve expiratie?
Binnenste intercostaalspieren en de buikspieren – diafragma ontspant.
Je ziet dan de afteking van de ribben en de buik intrekken.
d) Wanneer is de Palv gelijk aan de druk in de atmosfeer (Patm)?
Welke waarde heeft deze dan?
Tussen de inspiratie en expiratie = 0 (760 mm Hg)
e) Wanneer is Palv maximaal (meest negatief en meest positief)?
Waardoor wordt dit veroorzaakt?
Halverwege de in/expiratie, negatief inspiratie, positief expiratie,
Uitzetten longen gaat sneller dan stroom de longen in vice versa, door
afstand en weerstand
f) Waarom is Pip steeds negatief (dus sub‐atmosferisch)?
Doordat er altijd 2 krachten aan weerszijden van de pleura trekken wat
voor een negatieve interpleurale druk zorgt. Pip meest negatief aan het
einde van de inspiratie
g) Waarom is Pip niet overal gelijk aan Ptp?
, Omdat Ptp = Pip - Palv
h) In figuur 1 wordt uitgegaan van een constante
luchtwegweerstand. Waarom is de weerstand tijdens de
ademhaling niet constant?
Omdat de weerstand afhankelijk is van de diameter van de luchtwegen,
die kan variëren. Inademen diameter groter, uitademen diameter
kleiner.
i) In de tabel is de Ptp alvast ingevuld. Controleer of u de
berekening zelf kunt maken.
Niet gedaan
j) Zet hieronder in de figuur Ptp uit tegen het longvolume. Wat is
de betekenis van deze lijn?
Compliantie, hoe stijler de helling, hoe complianter de long.
k) Gebruik dezelfde figuur om ook Pip uit te zetten tegen het
longvolume. Hierdoor ontstaat de zogenaamde V‐P lus. Welke
betekenis heeft de breedte van de P‐V lus?
Drukverschillen in de intrapleurale ruimte tijdens in en expiratie
l) Hoe kun je deze grafiek gebruiken om aan te geven (arceren)
hoeveel niet‐elastische arbeid wordt verricht tijdens inademen?
Onderste deel tussen de Ptp lijn en de vp lus arceren
m) Hoe kun je deze grafiek gebruiken om aan te geven (arceren)
hoeveel elastische energie wordt opgeslagen in het elastische
longweefsel tijdens inademen?
Driehoek onder de Ptp lijn, die zegt iets over compliantie dus deel er
onder is elastische arbeid.
n) Hoe kun je uit de V‐P lus afleiden dat de expiratie passief
verloopt?
Oppervlakte driehoek groter dan bovenste deel lus, dan is expiratie
passief
Opdracht 2
a) Wat bedoelen we als we zeggen dat een persoon of dier
benauwd (dyspneu) is?
Moeite met zuurstof binnen krijgen. Moeite met ademhalen. Stress,
kortademig. Dan is er sprake van een grote luchtwegweerstand.
Receptoren CO2 perifeer zitten in de aortaboog. -> sterkste prikkel voor
ademhaling is CO2
b) Bereken de toename in luchtwegweerstand als door een
ernstige ontsteking (bijv. bronchitis) de luchtweg‐diameter van
4 cm gereduceerd wordt tot 2 cm.
256/16 = 16 x groter
Werkcolleges antwoorden
,Inhoud
Werkcollege 1 Long mechanica, ventilatie (& dyspneu)..............................3
Werkcollege 2 Ventilatie en perfusie van alveoli en diffusie van O2/CO2......6
Werkcollege 4 zelfstudie............................................................................10
Werkcollege 7 aangeboren hartafwijkingen...............................................12
Werkcollege 8 zelfstudie............................................................................15
Werkcollege 8 Circulatie Paard...................................................................17
Werkcollege 9: Respiratoire problemen in koppels....................................20
Werkcollege 10: Virale luchtweginfecties...................................................25
Werkcollege 11: bacteriële respiratoire aandoeningen..............................31
Werkcollege 12: Zoönotische luchtweginfecties........................................39
,Werkcollege 1 Long mechanica, ventilatie (&
dyspneu)
Opdracht 1
a) De stroming van lucht in de luchtwegen lijkt in veel aspecten op
de stroming van bloed in het circulatiesysteem. Wat zijn de
overeenkomsten?
Stroming gebaseerd op drukverschillen, gaswisseling, weerstand
beïnvloed stroming: dilatatie en constrictie, pompsysteem nodig,
buizensysteem.
b) Hieronder staan gebeurtenissen tijdens inspiratie. Zet ze in de
juiste volgorde, beginnend met de start van een inspiratie.
1. De druk in de alveoli gaat toenemen. (6
2. De pleurale membranen volgen deze beweging, het
elastische longweefsel werkt dit tegen. Hierdoor wordt de
intrapleurale druk (Pip) negatiever. (3
3. Het longvolume neemt toe, de druk in de alveoli (Palv)
daalt tot onder de atmosferische druk. (4
4. Contractie van diafragma en m. intercostalis externus. (1
5. Volume van de thorax neemt toe. (2
6. Lucht gaat stromen van de atmosfeer naar de alveoli. (5
7. De luchtstroom stopt wanneer de druk in de longen
dezelfde is als de druk in de atmosfeer. (7
c) Welke spieren zijn betrokken bij een actieve expiratie?
Binnenste intercostaalspieren en de buikspieren – diafragma ontspant.
Je ziet dan de afteking van de ribben en de buik intrekken.
d) Wanneer is de Palv gelijk aan de druk in de atmosfeer (Patm)?
Welke waarde heeft deze dan?
Tussen de inspiratie en expiratie = 0 (760 mm Hg)
e) Wanneer is Palv maximaal (meest negatief en meest positief)?
Waardoor wordt dit veroorzaakt?
Halverwege de in/expiratie, negatief inspiratie, positief expiratie,
Uitzetten longen gaat sneller dan stroom de longen in vice versa, door
afstand en weerstand
f) Waarom is Pip steeds negatief (dus sub‐atmosferisch)?
Doordat er altijd 2 krachten aan weerszijden van de pleura trekken wat
voor een negatieve interpleurale druk zorgt. Pip meest negatief aan het
einde van de inspiratie
g) Waarom is Pip niet overal gelijk aan Ptp?
, Omdat Ptp = Pip - Palv
h) In figuur 1 wordt uitgegaan van een constante
luchtwegweerstand. Waarom is de weerstand tijdens de
ademhaling niet constant?
Omdat de weerstand afhankelijk is van de diameter van de luchtwegen,
die kan variëren. Inademen diameter groter, uitademen diameter
kleiner.
i) In de tabel is de Ptp alvast ingevuld. Controleer of u de
berekening zelf kunt maken.
Niet gedaan
j) Zet hieronder in de figuur Ptp uit tegen het longvolume. Wat is
de betekenis van deze lijn?
Compliantie, hoe stijler de helling, hoe complianter de long.
k) Gebruik dezelfde figuur om ook Pip uit te zetten tegen het
longvolume. Hierdoor ontstaat de zogenaamde V‐P lus. Welke
betekenis heeft de breedte van de P‐V lus?
Drukverschillen in de intrapleurale ruimte tijdens in en expiratie
l) Hoe kun je deze grafiek gebruiken om aan te geven (arceren)
hoeveel niet‐elastische arbeid wordt verricht tijdens inademen?
Onderste deel tussen de Ptp lijn en de vp lus arceren
m) Hoe kun je deze grafiek gebruiken om aan te geven (arceren)
hoeveel elastische energie wordt opgeslagen in het elastische
longweefsel tijdens inademen?
Driehoek onder de Ptp lijn, die zegt iets over compliantie dus deel er
onder is elastische arbeid.
n) Hoe kun je uit de V‐P lus afleiden dat de expiratie passief
verloopt?
Oppervlakte driehoek groter dan bovenste deel lus, dan is expiratie
passief
Opdracht 2
a) Wat bedoelen we als we zeggen dat een persoon of dier
benauwd (dyspneu) is?
Moeite met zuurstof binnen krijgen. Moeite met ademhalen. Stress,
kortademig. Dan is er sprake van een grote luchtwegweerstand.
Receptoren CO2 perifeer zitten in de aortaboog. -> sterkste prikkel voor
ademhaling is CO2
b) Bereken de toename in luchtwegweerstand als door een
ernstige ontsteking (bijv. bronchitis) de luchtweg‐diameter van
4 cm gereduceerd wordt tot 2 cm.
256/16 = 16 x groter