Projectbijeenkomst 2 cognitieve ontwikkeling: met horten en stoten
1. Bestudeer de basiskenmerken/ assumpties van de theorie van Piaget
Piagets theorie over cognitieve ontwikkeling is gebaseerd op een aantal
kernconcepten. Het begint met het hilostisch-organismisch wereldbeeld:
ontwikkeling vindt als een samenhangend geheel plaats, waarbij verschillende
aspecten van het denken met elkaar verbonden zijn.
Piaget stelt dat cognitie zich ontwikkelt door het verbeteren en veranderen van
schema’s. Een schema is een georganiseerd patroon van gedachten die iemand
ontwikkelt om bepaalde aspecten van een ervaring te interpreteren. Het zijn niet-
waarneembare mentale systemen die aan intelligentie ten grondslag liggen. Ze
worden gezien als representaties van de realiteit. Cognitieve ontwikkeling is dus
de ontwikkeling van schema’s, volgens Piaget. Piaget geloofde dat alle schema’s,
alle vormen van begrip, worden gecreëerd door de werking van twee aangeboren
intellectuele processen: organisatie en adaptatie (aanpassing). Organisatie is
het proces waarin kinderen bestaande schema’s uitbouwen tot meer complexe
intellectuele schema’s. Bijvoorbeeld, een baby begint met losse reflexen zoals
kijken en grijpen, maar leert die te combineren tot gericht reiken. Adaptatie
vindt plaats door twee complementaire activiteiten: assimilatie en
accommodatie.
- Assimilatie is het proces waarin kinderen nieuwe ervaringen in bestaande
eigen schema’s proberen te passen. Stel je voor dat een kind een hond ziet
en het herkent als een soortgelijk dier dat het eerder heeft gezien, zoals
een kat.
- Accommodatie is het proces waarin kinderen bestaande structuren
veranderen om zo nieuwe ervaringen te verwerken. Bijvoorbeeld, als het
kind een paard ziet en leert dat dit iets anders is dan een hond of kat,
ontstaat een nieuw schema voor "paard."
Deze aanpassingen zorgen ervoor dat het kind steeds opnieuw in een balans
komt met zijn omgeving, een proces dat Piaget equilibratie noemde. Wanneer
kinderen iets nieuws tegenkomen dat niet past in hun bestaande schema’s, raken
ze uit evenwicht (disequilibrium) en door assimilatie en accommodatie komen ze
weer in balans.
Piaget ontwikkelde zijn theorie door de klinische en idiografische methode,
waarbij hij eerst zijn eigen kinderen en later ook andere individuen en kleine
groepen observeerde. Door flexibel vragen te stellen en te kijken hoe ze
problemen oplossen, ontdekte hij hoe hun denken zich ontwikkelt in verschillende
fasen.
, 2. Hoe verloopt de cognitieve ontwikkeling conform Piaget? Welke stadia van
cognitieve ontwikkeling onderscheidt Piaget en wat zijn de wezenlijke
kenmerken van elk stadium?
Cognitieve ontwikkeling verwijst naar veranderingen die optreden in mentale
processen zoals opletten, waarnemen, leren, denken en herinneren. Het houdt in
dat mensen steeds beter in staat zijn om kennis en informatie op te nemen, te
verwerken en opnieuw te kunnen gebruiken.
Volgens Piaget ontstaat intellectuele groei door een verschil tussen interne
mentale schema’s (de bestaande kennis) en de externe omgeving, waardoor
aanpassing en herstructurering van kennis noodzakelijk wordt.
De cognitieve ontwikkeling verloopt volgens Piaget in verschillende stadia. In elk
stadium verandert de manier waarop kinderen denken. Piaget onderscheidt vier
hoofdfasen van ontwikkeling, elk stadium bevat specifieke vaardigheden en
denkpatronen. Deze stadia zijn volgens Piaget voor alle kinderen hetzelfde en
worden in dezelfde volgorde doorlopen, hoewel de snelheid van ontwikkeling per
kind kan verschillen.
Sensomotorische fase (0-24 mnd)
Van basisreflexactiviteit leren baby’s gedurende de eerste 2 jaar objecten en
gebeurtenissen kennen en begrijpen door erop te handelen.
Latere subfasen omvatten de constructie van schema’s via primaire en
secundaire circulaire relaties, de coördinatie van secundaire circulaire
relaties (die de eerste tekenen zijn van doelgerichte gedrag) en tertiaire
circulaire reacties. Deze gedragsschema’s worden uiteindelijk geïnternaliseerd
om mentale symbolen te vormen die zulke prestaties als innerlijke
experimenten ondersteunen.
Deffered imitation = het vermogen om een gemodelleerde activiteit die in het
verleden is waargenomen na te bootsen, ontstaat voor het eerst tussen 18 en 24
maanden. Piaget denkt dat dit mogelijk is doordat kinderen bepaalde schema’s
hebben opgebouwd.
Object permanence = de realisatie dat objecten nog steeds bestaan, ook al zijn
ze niet meer zichtbaar. Dit ontwikkelt zich rond de 8 tot 12 maanden.
A-not-B-error = de neiging van 8-12 maand oude baby’s te zoeken naar een
object op de plaats waar ze dit voor het laats gezien hebben, ook al hebben ze
gezien dat het ergens anders is neergelegd.
1. Bestudeer de basiskenmerken/ assumpties van de theorie van Piaget
Piagets theorie over cognitieve ontwikkeling is gebaseerd op een aantal
kernconcepten. Het begint met het hilostisch-organismisch wereldbeeld:
ontwikkeling vindt als een samenhangend geheel plaats, waarbij verschillende
aspecten van het denken met elkaar verbonden zijn.
Piaget stelt dat cognitie zich ontwikkelt door het verbeteren en veranderen van
schema’s. Een schema is een georganiseerd patroon van gedachten die iemand
ontwikkelt om bepaalde aspecten van een ervaring te interpreteren. Het zijn niet-
waarneembare mentale systemen die aan intelligentie ten grondslag liggen. Ze
worden gezien als representaties van de realiteit. Cognitieve ontwikkeling is dus
de ontwikkeling van schema’s, volgens Piaget. Piaget geloofde dat alle schema’s,
alle vormen van begrip, worden gecreëerd door de werking van twee aangeboren
intellectuele processen: organisatie en adaptatie (aanpassing). Organisatie is
het proces waarin kinderen bestaande schema’s uitbouwen tot meer complexe
intellectuele schema’s. Bijvoorbeeld, een baby begint met losse reflexen zoals
kijken en grijpen, maar leert die te combineren tot gericht reiken. Adaptatie
vindt plaats door twee complementaire activiteiten: assimilatie en
accommodatie.
- Assimilatie is het proces waarin kinderen nieuwe ervaringen in bestaande
eigen schema’s proberen te passen. Stel je voor dat een kind een hond ziet
en het herkent als een soortgelijk dier dat het eerder heeft gezien, zoals
een kat.
- Accommodatie is het proces waarin kinderen bestaande structuren
veranderen om zo nieuwe ervaringen te verwerken. Bijvoorbeeld, als het
kind een paard ziet en leert dat dit iets anders is dan een hond of kat,
ontstaat een nieuw schema voor "paard."
Deze aanpassingen zorgen ervoor dat het kind steeds opnieuw in een balans
komt met zijn omgeving, een proces dat Piaget equilibratie noemde. Wanneer
kinderen iets nieuws tegenkomen dat niet past in hun bestaande schema’s, raken
ze uit evenwicht (disequilibrium) en door assimilatie en accommodatie komen ze
weer in balans.
Piaget ontwikkelde zijn theorie door de klinische en idiografische methode,
waarbij hij eerst zijn eigen kinderen en later ook andere individuen en kleine
groepen observeerde. Door flexibel vragen te stellen en te kijken hoe ze
problemen oplossen, ontdekte hij hoe hun denken zich ontwikkelt in verschillende
fasen.
, 2. Hoe verloopt de cognitieve ontwikkeling conform Piaget? Welke stadia van
cognitieve ontwikkeling onderscheidt Piaget en wat zijn de wezenlijke
kenmerken van elk stadium?
Cognitieve ontwikkeling verwijst naar veranderingen die optreden in mentale
processen zoals opletten, waarnemen, leren, denken en herinneren. Het houdt in
dat mensen steeds beter in staat zijn om kennis en informatie op te nemen, te
verwerken en opnieuw te kunnen gebruiken.
Volgens Piaget ontstaat intellectuele groei door een verschil tussen interne
mentale schema’s (de bestaande kennis) en de externe omgeving, waardoor
aanpassing en herstructurering van kennis noodzakelijk wordt.
De cognitieve ontwikkeling verloopt volgens Piaget in verschillende stadia. In elk
stadium verandert de manier waarop kinderen denken. Piaget onderscheidt vier
hoofdfasen van ontwikkeling, elk stadium bevat specifieke vaardigheden en
denkpatronen. Deze stadia zijn volgens Piaget voor alle kinderen hetzelfde en
worden in dezelfde volgorde doorlopen, hoewel de snelheid van ontwikkeling per
kind kan verschillen.
Sensomotorische fase (0-24 mnd)
Van basisreflexactiviteit leren baby’s gedurende de eerste 2 jaar objecten en
gebeurtenissen kennen en begrijpen door erop te handelen.
Latere subfasen omvatten de constructie van schema’s via primaire en
secundaire circulaire relaties, de coördinatie van secundaire circulaire
relaties (die de eerste tekenen zijn van doelgerichte gedrag) en tertiaire
circulaire reacties. Deze gedragsschema’s worden uiteindelijk geïnternaliseerd
om mentale symbolen te vormen die zulke prestaties als innerlijke
experimenten ondersteunen.
Deffered imitation = het vermogen om een gemodelleerde activiteit die in het
verleden is waargenomen na te bootsen, ontstaat voor het eerst tussen 18 en 24
maanden. Piaget denkt dat dit mogelijk is doordat kinderen bepaalde schema’s
hebben opgebouwd.
Object permanence = de realisatie dat objecten nog steeds bestaan, ook al zijn
ze niet meer zichtbaar. Dit ontwikkelt zich rond de 8 tot 12 maanden.
A-not-B-error = de neiging van 8-12 maand oude baby’s te zoeken naar een
object op de plaats waar ze dit voor het laats gezien hebben, ook al hebben ze
gezien dat het ergens anders is neergelegd.