H2: ONDERZOEKSMETHODEN
1. DE ONTWIKKELING VAN HYPOTHESEN
1.1 EEN GOED IDEE
Op basis van theorieën, observatie, of intuïtie en persoonlijke ervaringen, stelt de
onderzoeker een hypothese op.
→ men gaat na in de literatuur of er al evidentie aanwezig is
1.2 OPZOEKEN VAN PSYCHOLOGISCHE LITERATUUR
Via Web Of Science/Google scholar!
Hypothese = een expliciete, toetsbare voorspelling over het al dan niet optreden van een
gebeurtenis
Theorie = een georganiseerde set van abstracte principes die het mogelijk maken om
geobserveerde fenomenen te
verklaren
Goede theorieën zijn:
eenvoudig
volledig
generatief (er zijn makkelijk nieuwe inzichten te verwerven)
theorie kan aanleiding geven tot een volgend onderzoek
Het lot van elke theorie is dat ze ooit overtroffen worden door nieuwe
theorieën
alle theorieën zijn cultureel bepaald; veranderen constant
2. HET OPERATIONALISEREN VAN VARIABELEN
Probleem: de conceptuele variabelen zijn abstract (attitude, geweld,
agressie)
→ hoe kunnen we die precies meten?
Bv. agressie wordt vaak gemeten met witte ruis of elektroshocks
Operationele definitie: de procedure om conceptuele variabele te kunnen
meten of te kunnen
manipuleren
Er zit iets subjectiefs is, hoe geschikt is het om elektroshocks
te gebruiken om agressie te meten?
Er is dus geen enkele operationele variabele dat de conceptuele
variabele volledig kan dekken, het is nooit waterdicht.
Meerdere operationalisaties zijn mogelijk
2 manieren operationalisatie: zelfbeschrijving en
, gedragsobservatie
Begripsvaliditeit: de mate waarin meetinstrumenten meten wat ze bedoelen te
meten en
experimentele manipulaties die variabelen beïnvloeden die ze beogen te
manipuleren.
2.1 ZELFBESCHRIJVING
Zelfbeschrijving : methode waarbij onderzoeksdeelnemer zelf gedachten, gevoelens,
verlangens en gedrag beschrijft
→ Het zijn enkelvoudige of meervoudige vragen die een concept meten
Bv. schaal van subjectief welbevinden
De vragen zullen hierbij nooit een duidelijke samenhang
vertonen, we kunnen niet spreken van interne consistentie
= de mate waarin items van vragenlijsten met elkaar
correleren
5 items niet toevallig: 1 per 1 indicatief voor subjectief welbevinden
Kans groot dat mensen die laag scoren op het ene ook laag scoren op ander
Consistentie in antwoorden; alle items hangen samen (correleren)
Probleem met zelfbeschrijving
1. Socialewenselijkheidsvertekening
= Mensen hebben de neiging om zichzelf zo positief mogelijk te
presenteren
→ de neiging van deelnemers om onnauwkeurige zelfbeschrijvingen te rapporteren
omdat ze een goed
figuur willen slaan bij anderen / wilt zichzelf zo goed mogelijk presenteren
oplossing : pseudo-informatiebron (bv. leugendetector)
2. Inwilligingstendens
= de neiging om te affirmeren, mee te gaan met de vraagsteller / akkoord
te gaan met bestaande veronderstellingen
Oplossing: evenveel pro en evenveel contra items vb.: geluk en
ongeluk
Zie schaal subjectief welbevinding > enkel positieve items
3. Gebruik van schalen en schalenankers (stel: hoe vaak kijk je naar tv)
Antwoorden voorgesteld worden op verschillende manieren
→ bepalend voor de resultaten
Bv. je kijkt per week 4 uur tv op een dag en de antwoorden
voorgesteld:
- 1-2 uur
- 2-3 uur
- 3 uur of meer
Je zou geneigd zijn om te liegen want door de
antwoordmogelijkheden lijkt het dat je
dan wel heel veel tv kijkt (vertekening)
1. DE ONTWIKKELING VAN HYPOTHESEN
1.1 EEN GOED IDEE
Op basis van theorieën, observatie, of intuïtie en persoonlijke ervaringen, stelt de
onderzoeker een hypothese op.
→ men gaat na in de literatuur of er al evidentie aanwezig is
1.2 OPZOEKEN VAN PSYCHOLOGISCHE LITERATUUR
Via Web Of Science/Google scholar!
Hypothese = een expliciete, toetsbare voorspelling over het al dan niet optreden van een
gebeurtenis
Theorie = een georganiseerde set van abstracte principes die het mogelijk maken om
geobserveerde fenomenen te
verklaren
Goede theorieën zijn:
eenvoudig
volledig
generatief (er zijn makkelijk nieuwe inzichten te verwerven)
theorie kan aanleiding geven tot een volgend onderzoek
Het lot van elke theorie is dat ze ooit overtroffen worden door nieuwe
theorieën
alle theorieën zijn cultureel bepaald; veranderen constant
2. HET OPERATIONALISEREN VAN VARIABELEN
Probleem: de conceptuele variabelen zijn abstract (attitude, geweld,
agressie)
→ hoe kunnen we die precies meten?
Bv. agressie wordt vaak gemeten met witte ruis of elektroshocks
Operationele definitie: de procedure om conceptuele variabele te kunnen
meten of te kunnen
manipuleren
Er zit iets subjectiefs is, hoe geschikt is het om elektroshocks
te gebruiken om agressie te meten?
Er is dus geen enkele operationele variabele dat de conceptuele
variabele volledig kan dekken, het is nooit waterdicht.
Meerdere operationalisaties zijn mogelijk
2 manieren operationalisatie: zelfbeschrijving en
, gedragsobservatie
Begripsvaliditeit: de mate waarin meetinstrumenten meten wat ze bedoelen te
meten en
experimentele manipulaties die variabelen beïnvloeden die ze beogen te
manipuleren.
2.1 ZELFBESCHRIJVING
Zelfbeschrijving : methode waarbij onderzoeksdeelnemer zelf gedachten, gevoelens,
verlangens en gedrag beschrijft
→ Het zijn enkelvoudige of meervoudige vragen die een concept meten
Bv. schaal van subjectief welbevinden
De vragen zullen hierbij nooit een duidelijke samenhang
vertonen, we kunnen niet spreken van interne consistentie
= de mate waarin items van vragenlijsten met elkaar
correleren
5 items niet toevallig: 1 per 1 indicatief voor subjectief welbevinden
Kans groot dat mensen die laag scoren op het ene ook laag scoren op ander
Consistentie in antwoorden; alle items hangen samen (correleren)
Probleem met zelfbeschrijving
1. Socialewenselijkheidsvertekening
= Mensen hebben de neiging om zichzelf zo positief mogelijk te
presenteren
→ de neiging van deelnemers om onnauwkeurige zelfbeschrijvingen te rapporteren
omdat ze een goed
figuur willen slaan bij anderen / wilt zichzelf zo goed mogelijk presenteren
oplossing : pseudo-informatiebron (bv. leugendetector)
2. Inwilligingstendens
= de neiging om te affirmeren, mee te gaan met de vraagsteller / akkoord
te gaan met bestaande veronderstellingen
Oplossing: evenveel pro en evenveel contra items vb.: geluk en
ongeluk
Zie schaal subjectief welbevinding > enkel positieve items
3. Gebruik van schalen en schalenankers (stel: hoe vaak kijk je naar tv)
Antwoorden voorgesteld worden op verschillende manieren
→ bepalend voor de resultaten
Bv. je kijkt per week 4 uur tv op een dag en de antwoorden
voorgesteld:
- 1-2 uur
- 2-3 uur
- 3 uur of meer
Je zou geneigd zijn om te liegen want door de
antwoordmogelijkheden lijkt het dat je
dan wel heel veel tv kijkt (vertekening)