Opgave 6
a Zie figuur 3.6. Beide pijlen zijn even lang, want de krachten zijn even
groot.
b De veerconstante bereken je met behulp van de formule voor de
veerkracht.
De veerkracht is even groot als de zwaartekracht.
De zwaartekracht bereken je met de formule voor de zwaartekracht.
Fzw = m ∙ g
m = 142 g = 142∙10−3 kg
g = 9,81 m s−2
Fzw = 142∙10−3 × 9,81 = 1,393 N
Fveer = C ∙ u
Fveer = Fzw = 1,393 N
u = 11,3 cm = 0,113 m
1,393 = C × 0,113
C = 12,32 N m−1
Afgerond: C = 12,3∙101 N m−1
Figuur 3.6
Opgave 7
Een veerconstante bereken je met de formule voor de veerkracht:
Fveer = C ∙ u.
Stel dat elke veerunster een kracht van 0,1 N aangeeft.
In figuur 3.18 van het basisboek lees je dan af dat veerunster B de grootste uitrekking krijgt en
veerunster A de kleinste.
De veerconstante van B is dan het kleinst en die van A het grootst.
De volgorde is B, C, A.
, Opgave 9
a Krachten in tegenovergestelde richting werken elkaar tegen. In situatie c staan de krachten
bijna tegenover elkaar. Hier verwacht je dus de kleinste resulterende kracht.
b De lengte van Fres geeft de grootte van de resulterende kracht.
De resulterende kracht construeer je met de parallellogrammethode.
Zie figuur 3.7. De pijl in figuur 3.7c is het kleinst, dus dan is de resulterende kracht in situatie c
inderdaad het kleinst.
Figuur 3.7
Opgave 15
a De schaal is de grootte van de kracht, weergegeven door een pijl met een lengte van
1,0 cm.
De lengte van de pijl Fres is 2,5 cm. (Opmeten in figuur 3.33 in basisboek)
2,5 cm 50N
1,0 cm 20 N
b De componenten construeer je met de omgekeerde parallellogrammethode. Zie figuur 3.14.
Figuur 3.14
c De lengte van F1 in figuur 3.13 is 1,4 cm en de lengte van F2 is 1,2 cm.
De schaal is 1,0 cm 20 N.
F1 = 1,4 x 20 = 28 N.
F2 = 1,2 x 20 = 24 N.