2024-
2025
Samenvatting Bijzondere
Overeenkomsten
ASJRAF YAAKOUBI
,Asjraf Yaakoubi
Let op: zet de slides naast de samenvatting voor relevante
wetsbepalingen!
Let op: Uitleg over Boek 7 BW moet NIET gekend zijn.
DEEL 1: Inleiding in de bijzondere overeenkomsten
Eigen aan een overeenkomst is de wilsovereenstemming. De overeenkomst
als term is doeltreffender dan de term ‘contract’ omdat het duidelijk maakt
dat partijen moeten overeenkomen met elkaar.
We weten ook dat een belangrijk principe de wilsautonomie is en dat geldt
ook voor het verbintenissenrecht. 5.3 en 5.14 BW. Dus partijen kunnen vrij
contracten sluiten. Dat is een zegen want je kan een contract dan op maat
maken op basis van jouw specifieke situatie en dus wat je precies wilt kan je
overeenkomen. Het nadeel is echter dat je moet overeenkomen en dat je
moet UITWERKEN wat je overeenkomt! Dus het moet duidelijk zijn met wat de
concrete afspraken tussen partijen zijn!
Hoofdstuk 1: Benoemde, onbenoemde & gemengde contracten
1.1. Benoemde contracten
De wetgever heeft geoordeeld dat contracten die zeer frequent worden
gesloten dat dat niet efficiënt is, dus de wetgever heeft voor die
overeenkomst een modelstatuut gemaakt/default set van regels gemaakt
als uitgangspunt.
Dat zijn de benoemde contracten, bv KOOP of HUUR en de belangrijkste
elementen daarvan heeft de wetgever wettelijk verankerd, van aanvullend
recht.
Het is met het oog op efficiëntie, zodat partijen niets moeten doen. Dus als
ze willen afwijken moeten ze ENKEL DAT op papier zetten waarvan ze
willen afwijken, voor het overige is het specifieke recht van toepassing.
En dat maakt bv dat als je een brood gaat kopen dat je niet een kwartier
moet onderhandelen over een contract. Of bv. als je een wagen koopt.
De wetgever voorziet dus voor een aantal courante contracten in een
wettelijke set van regels, de benoemde contracten.
Waar voorziet de wetgever dat? In de eerste plaats in het Burgerlijk
Wetboek.
In de tweede plaats zijn er ook bijzondere wetten waar benoemde
contracten zijn geregeld. Bv arbeidsrecht, persoonlijke zekerheden,
huurderscontracten, vennootschappen… Dat zijn bijzondere contracten.
Wat ook van belang is, is art. 5.13 BW dat bepaalt dat als er niets
afzonderlijk geldt dat het algemeen verbintenissenrecht van toepassing is.
Dus als we kijken naar een benoemd contract en we willen weten welke
regels van toepassing zijn, dan hebben we in eerste plaats onze wettelijke
set van regels, al dan niet aangepast aan de partijafspraak.
En ondergeschikt hebben we het algemene verbintenissen- en
contractenrecht. Als we spreken over huur, over koop, … dan is niet elk
aspect van contractenrecht daar ook nog is in herhaald.
1
,Asjraf Yaakoubi
1.2. Onbenoemde contracten/sui generis
Gelet op de wilsautonomie kunnen partijen wel nog altijd vrij
overeenkomen, en bij goederenrecht hebben we gezien dat partijen
wilsautonomie hebben maar dat er een numerus clausus beginsel is ze dus
BINNEN de lijntjes moesten kleuren omdat we maar een beperkt aantal ZR
hebben! Als je erbuiten kleurt heb je geen ZR meer!
Maar in het verbintenissenrecht is dit anders! Je kan zelfs buiten de lijntjes
kleuren, want het is een OPEN SYSTEEM.
Je kan buiten die benoemde contracten kleuren dus en art. 5.3 BW
bevestigt de aanvullende werking en art. 5.14 BW de contractsvrijheid.
Bv. Leasing; een wagen die voor u gekocht wordt die u gedurende
een bepaalde tijd kan gebruiken en dan al dan niet kan overnemen.
Dat is een frequent contract, maar daar is geen duidelijke set van
regels.
Bv. galerijcontract; een kunstwerk voor in een galerij te hangen.
Daar kunnen hier en daar wel een aantal bijzondere regels over zijn, maar
als uitgangspunt is dat contract niet omvattend geregeld.
En als we dan kijken naar de regels die daarop van toepassing zijn, dan
zien we dat in de eerste plaats het contract vooropstaat.
Want er is geen default set hier, dus we moeten zien wat de partijen
hebben overeengekomen. En ondergeschikt hebben we dan enkel het
algemene verbintenissen- en contractenrecht.
Het kan ook dat er een overeenkomst is waar buiten de lijntjes is gekleurd
maar we zien de lijntjes wel…
Bv. leasing is zo’n contract waarbij een wagen wordt gekocht door een
fianciele instelling, en u mag dat gedurende 5 jaar gebruiken. Dat lijkt op
huur, daar zit een minstens een equivalent in van huur. En dus in
ondergeschikte orde kan naar analogie toepassing gemaakt worden van de
regels van benoemde contracten.
1.3. Gemengde contracten (5.67 BW)
Voorbeeld: stel dat een aanemer op jouw stuk grond komt bouwen, dan
worden er dienste/prestaties geleverd (aanneming) maar die aannemer
levert ook goederen zoals cement en dakpannen. Dus zit er een koop
element in!
Hoe gaan we dan hiermee om? 3 manieren:
- Onbenoemd/sui generis
= Wanneer we na de mix eigenlijk geen duidelijk benoemd contract
meer hebben. Als je bv. appels en kiwi’s in een mixer doet, wat heb
je dan? Het is niet duidelijk want het is gemengd. En als we niet
duidelijk zien wat het een of ander is dan hebben we een
onbenoemd contract!
- Combinatietheorie (=cumulatietheorie)
2
,Asjraf Yaakoubi
= Het kan ook dat we appels en kiwi’s in een pot gooien en niet
mixen, maar gewoon door elkaar schudden… dan zie je duidelijk wat
wat is. Dan kunnen we dus de zaken nog van elkaar onderscheiden.
En dan kunnen we de combinatietheorie toepassen.
Bv. Bij de aanneming kunnen we zeggen het leveren van de
dakpannen, de stenen, enz… dat is koop, want daar zien we dat de
eigendom overgaat. En anderzijds zien we dat er prestaties zijn
verricht, dus daar passen we het aannemingsrecht op toe.
Dat is de cumulatietheorie/cumultheorie/splitsingstheorie.
- Absorptieleer
= Wanneer er één component is met andere elementen.
Dat als we kijken naar wat gemengd is, dat we zien dat dat bv. appel
is met sporen van kiwi.
Als we zien dat één van de onderdelen dominant is dan zal dat deel
heel de kwalificatie bepalen! Het hoofdelement absorbeert het
ondergeschikte!
Voorbeeld: een aannemer die bij jou komt bouwen, wat is daar de
hoofddoelstelling? Dat u cement en stenen krijgt, ofdat uw huis
gebouwd is. De hoofddoelstelling is hier duidelijk: de prestaties die
geleverd worden, nl het huis bouwen.
Dus dan zullen de regels van aanneming op heel die overeenkomst
van toepassing zijn! Ookal worden er ook goederen geleverd, dat
maakt niet uit. We passen gewoon de regels van de aanneming toe
omdat aanneming hier dominant is.
Dat is bijzonder omdat soms als u de absorptieleer toepast, dat een
aantal aspecten in het contract onmogelijk kunnen geregeld worden
door het hoofdcomponent.
Bv. een vastgoedmakelaar, het contract dat u daarmee sluit is een
aanneming want die moet een koper/huurdere vinden voor jou. Maar
het kan ook zijn dat hij die overeenkomst voor jou kan tekenen en
dus is er lastgeving! Maar aanneming is hier het hoofdelement dus
dan is een makelaar een aannemer, maar die mag ook RH stellen?
Maar in het aannemingsrecht hebben we hier geen regime voor! Dus
dan MOETEN we ondergeschikt toch onvermijdelijk gaan cumuleren
met regels van lastgeving!
Absorptieleer betekent: we passen de hoofdregels op alles toe, tenzij
die hoofdregels bepaalde aspecten echt niet regelen. En dan kunnen
we in het raam van de absorptieleer, toch indergeschikt, cumuleren.
Dat is ook het principe dat in het algemene contractenrecht in art.
5.67 BW is vastgelegd over de kwalificatie.
We gaan cumuleren als de onderdelen duidelijk afscheidbaar zijn, en
als we zien dat er een dominant element is dan geldt de
absorptieleer. (dus de voorkeur gaat naar de absorptieleer, als er
een dominant element is.)
1.4. Bescherming zwakke contractspartij
Wilsautonomie (cf 5.3 en 5.14 BW) is het uitgangspunt in het
privaatrecht.
3
,Asjraf Yaakoubi
Napoleon dacht: als we een bende egoïsten hebben die eigen belang
nastreven dan is dat voordelig voor iedereen. Dus vrijheid is essentieel,
daarvoor hebben we eigendom (art. 5.44 BW) nodig en vrijheid in de zin
van contractvrijheid en bewegeingsvrijheid. Maar vrijheid met
verantwoordelijkheid, verantwoordelijkheid in die zin van regel wat u wil
maar als u iets afspreekt, dan bent u wel gebonden. Dat is de bindende
kracht (art. 1134 BW) van rechtshandelingen en ook als je dan schade
berrokkent dan is er aansprakelijkheid (art. 1382 BW)! Op die manier had
je vrijheid waarbij ook verantwoordelijkheid aan verbonden was.
Maar snel was duidelijk dat dit niet werkte. Want de idee, dat elke persoon
evident juridisch gelijk is, maar wel dat die feitelijk gelijk is klopte niet. In
verschillende feitelijke situaties kan niet iedereen zich op dezelfde vrije
manier gedragen.
Bv. Bij een contractsluiting zal de ene sterker zijn dan de andere.
Bv. bij huur, daar gaat de wetgever ervan uit dat de verhuurder de
sterkere partij is, en de huurder de sukkelaar is
Bv. bij bouwpromotie is de promotor ook de sterkere partij, en de
klant is zwak.
Soms is dit zo, maar soms zijn dit aannames van de wetgever die niet altijd
zo zijn. Als je kijkt naar het huurrecht dan is het de vraag of de verhuurder
zo sterk is. Bv. bij handelshuur, commerciële verhuur en vooral de
retail/kleinhandel is de grote baas de huurder. Die kan met voorwaarden
komen, dreigen met opzegging als hij geen huurprijsverlaging krijgt enz…
dus dat zijn abstracte aannames van de wetgeving die misschien in de
grootst gemene delen wel gelden, maar niet noodzakelijk altijd gelden.
Een ander heel duidelijk voorbeeld is: standaardcontracten, met algemene
maatschappijen. Bv. als u de trein neemt, dan kan u zeggen het
vervoerscontract dat ik zou moeten sluiten daar kan ik mij niet in vinden
dus ik wil wat aanpassingen aan een aantal contractuele bepalingen. Hier
is er geen onderhandelingsmarge of u blijft op het perron achter.
Hetzelfde met een gas- of elektriciteitsleverancier, als u zegt dat u een
clausule wil aanpassen, dan antwoorden zij vaakt niet meer en kan u een
andere leverancier zoeken.
Consumentenrecht sensu lato
Hier zie je heel duidelijk dat er een feitelijke ongelijkheid is tussen de
contractpartijen. En dus vanuit die vaststelling, vanuit de algemene
tendens van de socialisering van het privaatrecht, hebben we in het
contractenrecht een beschermemnde reflex gekregen voor de zwakke
contractpartij. (‘de ocharme-gedachte’)
1: Dwingende regimes.
Dwingende bepalingen waar partijen dus niet kunnen van afwijken,
specifiek ter bescherming van de zwakke/zwakkere/ of zwak/zwakker
geachte partij.
Typevoorbeeld hiervan zijn de bijzondere huurregimes; woninghuur,
handelshuur, pacht, de wet Breyne (bescherming tegen de bouwpromotor).
Dit zijn dwingende wettelijke bepalingen.
2: Gemeenrechtelijke bescherming.
4
, Asjraf Yaakoubi
Daarnaast hebben we eigenlijk een soort van zelfde beweging gehad
vanuit het gemene verbintenissen en contractenrecht.
Bv. gekwalificeerde benadeling/misbruik van omstandigheden (art. 5.37
BW). Dit is het gemene recht zelf dat de vernietiging van het contract
toelaat op basis van een duidelijk misbruik in onderhandelingspositie
tussen de partijen.
Ook het toenemend belang van de algemene zorgvuldigheidsnorm in de
contracten speelt ook een grote rol, meer en meer zit de
zorgvuldigheidsnorm structureel in ons contract, met een aantal
informatieplichten (handelen als een BPF)! Ook de werking van de goede
trouw en de aanvullende werking van de goede trouw speelt een rol.
Partijen hebben dit niet afgesproken, maar het zijn toch redelijke mensen,
dus redelijke verbintenissen zijn geimpliceerd in ons contract.
De matigende werking van de goede trouw, als iemand overdrijft en teveel
wil, dan duwen we die terug naar beneden. Dat is rechtsmisbruik.
Deze evoluties zijn volgens de prof consumentenrecht sensu lato. Daar zit
wel een consumentenbescherming gedachte in, maar dat is niet het
consumentenrecht sensu stricto. In die zin dat dat niet noodzakelijk gaat
om een verhoudng B2C. neem nu handelshuur, de handelshuurder is per
definitie een onderneming, dat is een huurder die een kleinhandel heeft
dus dat is geen consument. Als het een consument is dan zou de wet zelfs
niet van toepassing zijn, dat is wel die beschermingsgedachte en dat is het
consumentenrecht sensu lato.
Consumentenrecht sensu stricto (= door invloed EU-recht) (B2C-
verhouding)
Daarnaast hebben we vooral omwille van Europese invloed het
consulentenrecht sensu stricto. De besherming ECHT van de consument
/natuurlijke persoon, de echte B2C verhouding.
Dit is geen EU doelstelling, maar een incident van de algemene
doelstelling van de vrije markt. De droom van Europa is dat het vor u
onverschillig zou zijn of u nu een TV koopt in België, Nederland, Duitsland
of Spanje, daar zou eigenlijk geen drempel mogen zijn. Maar dan zou ook
je bescherming als koper gelijkaardig moeten zijn. Want als je in Spanje 15
jaar garantie krijgt en in België een halfjaar en in Frankrijk zelfs geen
aansprakelijkheid zou kunnen inroepen van de verkoper, dan koopt
iedereen in Spanje. Dus om de vrije markt optimaal te laten werken, moet
je zorgen dat de consumentenbescherming op een gelijkaardig niveau is.
Dat is de hoofdinsteek van de Europese consumentenbescherming.
En dus specifiek voor de bijzondere overeenkomsten hebben we het
Wetboek Economisch Recht (WER) dat een zeer grote impact heeft.
Hebben we consumentenkoop, dat ook een dwingend regime is met een
zeer grote impact. Dat is een regime dat alsmaar uitbreid om op den duur
zoveel mogelijk te regelen telkens vanuit de doelstelling om hindernissen
tussen de markten weg te werken.
5
2025
Samenvatting Bijzondere
Overeenkomsten
ASJRAF YAAKOUBI
,Asjraf Yaakoubi
Let op: zet de slides naast de samenvatting voor relevante
wetsbepalingen!
Let op: Uitleg over Boek 7 BW moet NIET gekend zijn.
DEEL 1: Inleiding in de bijzondere overeenkomsten
Eigen aan een overeenkomst is de wilsovereenstemming. De overeenkomst
als term is doeltreffender dan de term ‘contract’ omdat het duidelijk maakt
dat partijen moeten overeenkomen met elkaar.
We weten ook dat een belangrijk principe de wilsautonomie is en dat geldt
ook voor het verbintenissenrecht. 5.3 en 5.14 BW. Dus partijen kunnen vrij
contracten sluiten. Dat is een zegen want je kan een contract dan op maat
maken op basis van jouw specifieke situatie en dus wat je precies wilt kan je
overeenkomen. Het nadeel is echter dat je moet overeenkomen en dat je
moet UITWERKEN wat je overeenkomt! Dus het moet duidelijk zijn met wat de
concrete afspraken tussen partijen zijn!
Hoofdstuk 1: Benoemde, onbenoemde & gemengde contracten
1.1. Benoemde contracten
De wetgever heeft geoordeeld dat contracten die zeer frequent worden
gesloten dat dat niet efficiënt is, dus de wetgever heeft voor die
overeenkomst een modelstatuut gemaakt/default set van regels gemaakt
als uitgangspunt.
Dat zijn de benoemde contracten, bv KOOP of HUUR en de belangrijkste
elementen daarvan heeft de wetgever wettelijk verankerd, van aanvullend
recht.
Het is met het oog op efficiëntie, zodat partijen niets moeten doen. Dus als
ze willen afwijken moeten ze ENKEL DAT op papier zetten waarvan ze
willen afwijken, voor het overige is het specifieke recht van toepassing.
En dat maakt bv dat als je een brood gaat kopen dat je niet een kwartier
moet onderhandelen over een contract. Of bv. als je een wagen koopt.
De wetgever voorziet dus voor een aantal courante contracten in een
wettelijke set van regels, de benoemde contracten.
Waar voorziet de wetgever dat? In de eerste plaats in het Burgerlijk
Wetboek.
In de tweede plaats zijn er ook bijzondere wetten waar benoemde
contracten zijn geregeld. Bv arbeidsrecht, persoonlijke zekerheden,
huurderscontracten, vennootschappen… Dat zijn bijzondere contracten.
Wat ook van belang is, is art. 5.13 BW dat bepaalt dat als er niets
afzonderlijk geldt dat het algemeen verbintenissenrecht van toepassing is.
Dus als we kijken naar een benoemd contract en we willen weten welke
regels van toepassing zijn, dan hebben we in eerste plaats onze wettelijke
set van regels, al dan niet aangepast aan de partijafspraak.
En ondergeschikt hebben we het algemene verbintenissen- en
contractenrecht. Als we spreken over huur, over koop, … dan is niet elk
aspect van contractenrecht daar ook nog is in herhaald.
1
,Asjraf Yaakoubi
1.2. Onbenoemde contracten/sui generis
Gelet op de wilsautonomie kunnen partijen wel nog altijd vrij
overeenkomen, en bij goederenrecht hebben we gezien dat partijen
wilsautonomie hebben maar dat er een numerus clausus beginsel is ze dus
BINNEN de lijntjes moesten kleuren omdat we maar een beperkt aantal ZR
hebben! Als je erbuiten kleurt heb je geen ZR meer!
Maar in het verbintenissenrecht is dit anders! Je kan zelfs buiten de lijntjes
kleuren, want het is een OPEN SYSTEEM.
Je kan buiten die benoemde contracten kleuren dus en art. 5.3 BW
bevestigt de aanvullende werking en art. 5.14 BW de contractsvrijheid.
Bv. Leasing; een wagen die voor u gekocht wordt die u gedurende
een bepaalde tijd kan gebruiken en dan al dan niet kan overnemen.
Dat is een frequent contract, maar daar is geen duidelijke set van
regels.
Bv. galerijcontract; een kunstwerk voor in een galerij te hangen.
Daar kunnen hier en daar wel een aantal bijzondere regels over zijn, maar
als uitgangspunt is dat contract niet omvattend geregeld.
En als we dan kijken naar de regels die daarop van toepassing zijn, dan
zien we dat in de eerste plaats het contract vooropstaat.
Want er is geen default set hier, dus we moeten zien wat de partijen
hebben overeengekomen. En ondergeschikt hebben we dan enkel het
algemene verbintenissen- en contractenrecht.
Het kan ook dat er een overeenkomst is waar buiten de lijntjes is gekleurd
maar we zien de lijntjes wel…
Bv. leasing is zo’n contract waarbij een wagen wordt gekocht door een
fianciele instelling, en u mag dat gedurende 5 jaar gebruiken. Dat lijkt op
huur, daar zit een minstens een equivalent in van huur. En dus in
ondergeschikte orde kan naar analogie toepassing gemaakt worden van de
regels van benoemde contracten.
1.3. Gemengde contracten (5.67 BW)
Voorbeeld: stel dat een aanemer op jouw stuk grond komt bouwen, dan
worden er dienste/prestaties geleverd (aanneming) maar die aannemer
levert ook goederen zoals cement en dakpannen. Dus zit er een koop
element in!
Hoe gaan we dan hiermee om? 3 manieren:
- Onbenoemd/sui generis
= Wanneer we na de mix eigenlijk geen duidelijk benoemd contract
meer hebben. Als je bv. appels en kiwi’s in een mixer doet, wat heb
je dan? Het is niet duidelijk want het is gemengd. En als we niet
duidelijk zien wat het een of ander is dan hebben we een
onbenoemd contract!
- Combinatietheorie (=cumulatietheorie)
2
,Asjraf Yaakoubi
= Het kan ook dat we appels en kiwi’s in een pot gooien en niet
mixen, maar gewoon door elkaar schudden… dan zie je duidelijk wat
wat is. Dan kunnen we dus de zaken nog van elkaar onderscheiden.
En dan kunnen we de combinatietheorie toepassen.
Bv. Bij de aanneming kunnen we zeggen het leveren van de
dakpannen, de stenen, enz… dat is koop, want daar zien we dat de
eigendom overgaat. En anderzijds zien we dat er prestaties zijn
verricht, dus daar passen we het aannemingsrecht op toe.
Dat is de cumulatietheorie/cumultheorie/splitsingstheorie.
- Absorptieleer
= Wanneer er één component is met andere elementen.
Dat als we kijken naar wat gemengd is, dat we zien dat dat bv. appel
is met sporen van kiwi.
Als we zien dat één van de onderdelen dominant is dan zal dat deel
heel de kwalificatie bepalen! Het hoofdelement absorbeert het
ondergeschikte!
Voorbeeld: een aannemer die bij jou komt bouwen, wat is daar de
hoofddoelstelling? Dat u cement en stenen krijgt, ofdat uw huis
gebouwd is. De hoofddoelstelling is hier duidelijk: de prestaties die
geleverd worden, nl het huis bouwen.
Dus dan zullen de regels van aanneming op heel die overeenkomst
van toepassing zijn! Ookal worden er ook goederen geleverd, dat
maakt niet uit. We passen gewoon de regels van de aanneming toe
omdat aanneming hier dominant is.
Dat is bijzonder omdat soms als u de absorptieleer toepast, dat een
aantal aspecten in het contract onmogelijk kunnen geregeld worden
door het hoofdcomponent.
Bv. een vastgoedmakelaar, het contract dat u daarmee sluit is een
aanneming want die moet een koper/huurdere vinden voor jou. Maar
het kan ook zijn dat hij die overeenkomst voor jou kan tekenen en
dus is er lastgeving! Maar aanneming is hier het hoofdelement dus
dan is een makelaar een aannemer, maar die mag ook RH stellen?
Maar in het aannemingsrecht hebben we hier geen regime voor! Dus
dan MOETEN we ondergeschikt toch onvermijdelijk gaan cumuleren
met regels van lastgeving!
Absorptieleer betekent: we passen de hoofdregels op alles toe, tenzij
die hoofdregels bepaalde aspecten echt niet regelen. En dan kunnen
we in het raam van de absorptieleer, toch indergeschikt, cumuleren.
Dat is ook het principe dat in het algemene contractenrecht in art.
5.67 BW is vastgelegd over de kwalificatie.
We gaan cumuleren als de onderdelen duidelijk afscheidbaar zijn, en
als we zien dat er een dominant element is dan geldt de
absorptieleer. (dus de voorkeur gaat naar de absorptieleer, als er
een dominant element is.)
1.4. Bescherming zwakke contractspartij
Wilsautonomie (cf 5.3 en 5.14 BW) is het uitgangspunt in het
privaatrecht.
3
,Asjraf Yaakoubi
Napoleon dacht: als we een bende egoïsten hebben die eigen belang
nastreven dan is dat voordelig voor iedereen. Dus vrijheid is essentieel,
daarvoor hebben we eigendom (art. 5.44 BW) nodig en vrijheid in de zin
van contractvrijheid en bewegeingsvrijheid. Maar vrijheid met
verantwoordelijkheid, verantwoordelijkheid in die zin van regel wat u wil
maar als u iets afspreekt, dan bent u wel gebonden. Dat is de bindende
kracht (art. 1134 BW) van rechtshandelingen en ook als je dan schade
berrokkent dan is er aansprakelijkheid (art. 1382 BW)! Op die manier had
je vrijheid waarbij ook verantwoordelijkheid aan verbonden was.
Maar snel was duidelijk dat dit niet werkte. Want de idee, dat elke persoon
evident juridisch gelijk is, maar wel dat die feitelijk gelijk is klopte niet. In
verschillende feitelijke situaties kan niet iedereen zich op dezelfde vrije
manier gedragen.
Bv. Bij een contractsluiting zal de ene sterker zijn dan de andere.
Bv. bij huur, daar gaat de wetgever ervan uit dat de verhuurder de
sterkere partij is, en de huurder de sukkelaar is
Bv. bij bouwpromotie is de promotor ook de sterkere partij, en de
klant is zwak.
Soms is dit zo, maar soms zijn dit aannames van de wetgever die niet altijd
zo zijn. Als je kijkt naar het huurrecht dan is het de vraag of de verhuurder
zo sterk is. Bv. bij handelshuur, commerciële verhuur en vooral de
retail/kleinhandel is de grote baas de huurder. Die kan met voorwaarden
komen, dreigen met opzegging als hij geen huurprijsverlaging krijgt enz…
dus dat zijn abstracte aannames van de wetgeving die misschien in de
grootst gemene delen wel gelden, maar niet noodzakelijk altijd gelden.
Een ander heel duidelijk voorbeeld is: standaardcontracten, met algemene
maatschappijen. Bv. als u de trein neemt, dan kan u zeggen het
vervoerscontract dat ik zou moeten sluiten daar kan ik mij niet in vinden
dus ik wil wat aanpassingen aan een aantal contractuele bepalingen. Hier
is er geen onderhandelingsmarge of u blijft op het perron achter.
Hetzelfde met een gas- of elektriciteitsleverancier, als u zegt dat u een
clausule wil aanpassen, dan antwoorden zij vaakt niet meer en kan u een
andere leverancier zoeken.
Consumentenrecht sensu lato
Hier zie je heel duidelijk dat er een feitelijke ongelijkheid is tussen de
contractpartijen. En dus vanuit die vaststelling, vanuit de algemene
tendens van de socialisering van het privaatrecht, hebben we in het
contractenrecht een beschermemnde reflex gekregen voor de zwakke
contractpartij. (‘de ocharme-gedachte’)
1: Dwingende regimes.
Dwingende bepalingen waar partijen dus niet kunnen van afwijken,
specifiek ter bescherming van de zwakke/zwakkere/ of zwak/zwakker
geachte partij.
Typevoorbeeld hiervan zijn de bijzondere huurregimes; woninghuur,
handelshuur, pacht, de wet Breyne (bescherming tegen de bouwpromotor).
Dit zijn dwingende wettelijke bepalingen.
2: Gemeenrechtelijke bescherming.
4
, Asjraf Yaakoubi
Daarnaast hebben we eigenlijk een soort van zelfde beweging gehad
vanuit het gemene verbintenissen en contractenrecht.
Bv. gekwalificeerde benadeling/misbruik van omstandigheden (art. 5.37
BW). Dit is het gemene recht zelf dat de vernietiging van het contract
toelaat op basis van een duidelijk misbruik in onderhandelingspositie
tussen de partijen.
Ook het toenemend belang van de algemene zorgvuldigheidsnorm in de
contracten speelt ook een grote rol, meer en meer zit de
zorgvuldigheidsnorm structureel in ons contract, met een aantal
informatieplichten (handelen als een BPF)! Ook de werking van de goede
trouw en de aanvullende werking van de goede trouw speelt een rol.
Partijen hebben dit niet afgesproken, maar het zijn toch redelijke mensen,
dus redelijke verbintenissen zijn geimpliceerd in ons contract.
De matigende werking van de goede trouw, als iemand overdrijft en teveel
wil, dan duwen we die terug naar beneden. Dat is rechtsmisbruik.
Deze evoluties zijn volgens de prof consumentenrecht sensu lato. Daar zit
wel een consumentenbescherming gedachte in, maar dat is niet het
consumentenrecht sensu stricto. In die zin dat dat niet noodzakelijk gaat
om een verhoudng B2C. neem nu handelshuur, de handelshuurder is per
definitie een onderneming, dat is een huurder die een kleinhandel heeft
dus dat is geen consument. Als het een consument is dan zou de wet zelfs
niet van toepassing zijn, dat is wel die beschermingsgedachte en dat is het
consumentenrecht sensu lato.
Consumentenrecht sensu stricto (= door invloed EU-recht) (B2C-
verhouding)
Daarnaast hebben we vooral omwille van Europese invloed het
consulentenrecht sensu stricto. De besherming ECHT van de consument
/natuurlijke persoon, de echte B2C verhouding.
Dit is geen EU doelstelling, maar een incident van de algemene
doelstelling van de vrije markt. De droom van Europa is dat het vor u
onverschillig zou zijn of u nu een TV koopt in België, Nederland, Duitsland
of Spanje, daar zou eigenlijk geen drempel mogen zijn. Maar dan zou ook
je bescherming als koper gelijkaardig moeten zijn. Want als je in Spanje 15
jaar garantie krijgt en in België een halfjaar en in Frankrijk zelfs geen
aansprakelijkheid zou kunnen inroepen van de verkoper, dan koopt
iedereen in Spanje. Dus om de vrije markt optimaal te laten werken, moet
je zorgen dat de consumentenbescherming op een gelijkaardig niveau is.
Dat is de hoofdinsteek van de Europese consumentenbescherming.
En dus specifiek voor de bijzondere overeenkomsten hebben we het
Wetboek Economisch Recht (WER) dat een zeer grote impact heeft.
Hebben we consumentenkoop, dat ook een dwingend regime is met een
zeer grote impact. Dat is een regime dat alsmaar uitbreid om op den duur
zoveel mogelijk te regelen telkens vanuit de doelstelling om hindernissen
tussen de markten weg te werken.
5