Oefentoets Biopsychologie
1. Wat is de belangrijkste functie van de hypothalamus?
a. Reguleren van emotioneel gedrag
b. Coördineren van beweging
c. Handhaven van homeostase
d. Produceren van cerebrospinale vloeistof
2. Welke neurotransmitter is vooral betrokken bij beloning en
motivatie?
a. Serotonine
b. Dopamine
c. Acetylcholine
d. GABA
3. Welke structuur in de hersenen is vooral betrokken bij het
aanleren van motorische gewoontes?
a. Amygdala
b. Hippocampus
c. Basale ganglia
d. Cerebellum
4. Wat is het effect van schade aan de Broca’s area?
a. Problemen met taalbegrip
b. Problemen met spraakproductie
c. Problemen met geheugen
d. Problemen met zien
5. Welke celtypen in het zenuwstelsel zorgen voor myelinisatie?
a. Astrocyten en oligodendrocyten
b. Schwann-cellen en oligodendrocyten
c. Microgliacellen en Schwann-cellen
d. Astrocyten en ependymcellen
6. Welk deel van het autonome zenuwstelsel is vooral actief tijdens
stressvolle situaties?
a. Parasympathisch zenuwstelsel
b. Sympathisch zenuwstelsel
c. Somatisch zenuwstelsel
d. Centraal zenuwstelsel
7. Wat is een agonist in farmacologische termen?
a. Een stof die de werking van een neurotransmitter blokkeert
, b. Een stof die de werking van een neurotransmitter nabootst
c. Een enzym dat neurotransmitters afbreekt
d. Een receptor die alleen op hormonen reageert
8. Wat doet het limbisch systeem vooral?
a. Controle van bewuste bewegingen
b. Regulatie van emoties en motivatie
c. Regulatie van ademhaling
d. Integratie van sensorische informatie
9. Wat is synaptische plasticiteit?
a. De productie van nieuwe neuronen
b. Verandering in de sterkte van synaptische verbindingen
c. De afbraak van ongebruikte synapsen
d. De snelheid van actiepotentialen
10. Welk hersengebied is sterk geassocieerd met het vormen van
nieuwe expliciete herinneringen?
a. Amygdala
b. Thalamus
c. Hippocampus
d. Hypothalamus
11. Wat is de primaire functie van de cerebellaire hemisferen?
a. Reguleren van spraak
b. Fijnregelen van vrijwillige bewegingen
c. Emotionele verwerking
d. Visuele waarneming
12. Wat is het gevolg van schade aan de rechter pariëtale kwab?
a. Visuele agnosie
b. Hemineglect
c. Afasie
d. Ataxie
13. Welke neurotransmitter is het meest geassocieerd met
stemming en depressie?
a. Serotonine
b. Dopamine
c. GABA
d. Glutamaat
14. Wat gebeurt er tijdens depolarisatie van een neuron?
a. De cel wordt negatiever
1. Wat is de belangrijkste functie van de hypothalamus?
a. Reguleren van emotioneel gedrag
b. Coördineren van beweging
c. Handhaven van homeostase
d. Produceren van cerebrospinale vloeistof
2. Welke neurotransmitter is vooral betrokken bij beloning en
motivatie?
a. Serotonine
b. Dopamine
c. Acetylcholine
d. GABA
3. Welke structuur in de hersenen is vooral betrokken bij het
aanleren van motorische gewoontes?
a. Amygdala
b. Hippocampus
c. Basale ganglia
d. Cerebellum
4. Wat is het effect van schade aan de Broca’s area?
a. Problemen met taalbegrip
b. Problemen met spraakproductie
c. Problemen met geheugen
d. Problemen met zien
5. Welke celtypen in het zenuwstelsel zorgen voor myelinisatie?
a. Astrocyten en oligodendrocyten
b. Schwann-cellen en oligodendrocyten
c. Microgliacellen en Schwann-cellen
d. Astrocyten en ependymcellen
6. Welk deel van het autonome zenuwstelsel is vooral actief tijdens
stressvolle situaties?
a. Parasympathisch zenuwstelsel
b. Sympathisch zenuwstelsel
c. Somatisch zenuwstelsel
d. Centraal zenuwstelsel
7. Wat is een agonist in farmacologische termen?
a. Een stof die de werking van een neurotransmitter blokkeert
, b. Een stof die de werking van een neurotransmitter nabootst
c. Een enzym dat neurotransmitters afbreekt
d. Een receptor die alleen op hormonen reageert
8. Wat doet het limbisch systeem vooral?
a. Controle van bewuste bewegingen
b. Regulatie van emoties en motivatie
c. Regulatie van ademhaling
d. Integratie van sensorische informatie
9. Wat is synaptische plasticiteit?
a. De productie van nieuwe neuronen
b. Verandering in de sterkte van synaptische verbindingen
c. De afbraak van ongebruikte synapsen
d. De snelheid van actiepotentialen
10. Welk hersengebied is sterk geassocieerd met het vormen van
nieuwe expliciete herinneringen?
a. Amygdala
b. Thalamus
c. Hippocampus
d. Hypothalamus
11. Wat is de primaire functie van de cerebellaire hemisferen?
a. Reguleren van spraak
b. Fijnregelen van vrijwillige bewegingen
c. Emotionele verwerking
d. Visuele waarneming
12. Wat is het gevolg van schade aan de rechter pariëtale kwab?
a. Visuele agnosie
b. Hemineglect
c. Afasie
d. Ataxie
13. Welke neurotransmitter is het meest geassocieerd met
stemming en depressie?
a. Serotonine
b. Dopamine
c. GABA
d. Glutamaat
14. Wat gebeurt er tijdens depolarisatie van een neuron?
a. De cel wordt negatiever