Zie syllabus met studeeraanwijzingen voor voorbereidingen en inleiding bij thema's enzo!!
Metabole paden kaart!!!!
Zie voor Stryer boek de drive
Zie ook in documenten 'samenvatting SE studeersnel’
Schuingedrukt in syllabus is geen tt stof!!
Thema 1 zelfstudie (HC1+2) - Regulering van het
koolhydraatmetabolisme
§1.1. Overzicht regulering koolhydraatmetabolisme en samenhang met vetzuur en ketonlichaam
metabolisme
Voor de calorische homeostase en de glucostase zijn lever en vetweefsel de belangrijkste organen. De
lever fungeert als metabole ‘zeef’ voor het portale bloed en zorgt ervoor dat de bloedsuikerspiegel op
peil blijft. Hoe:
- In de lever worden bijvoorbeeld suikers afkomstig van de spijsvertering opgeslagen (glucose →
glycogeen),
- Omgezet in TAG (met glycolyse en Krebs en elektronentransportketen en
- En weer geëxporteerd.
- Ook verzorgt de lever de omzetting van lactaat, (glucogene) aminozuren en glycerol in glucose
(gluconeogenese).
- Daarnaast vindt de productie van ketonlichamen uitsluitend in de lever plaats.
De herkauwer vormt hierop een uitzondering, aangezien deze dieren ook ketonlichamen
vormen in de penswand.
Gluconeogenese en ketogenese zijn essentiële processen bij een langdurig tekort aan koolhydraten.
Deze processen worden hoofdzakelijk aangestuurd door de zuiver antagonistisch werkende pancreas-
hormonen: insuline en glucagon (INS en GCN)
Het vetweefsel werkt nauw samen met de lever. Vanuit adipocyten wordt de afgifte van vrije vetzuren
aan het bloed gecontroleerd en daardoor ook de oxidatie van vetzuren, het ketonlichaam-metabolisme
en het verbruik van glucose (zie de oorzaak → gevolg schema van Fig. 1.1).
, Alleen verhoogde
lipolyse wordt hormonaal gereguleerd de rest niet!!!!
Het digestie-apparaat, lever en vetweefsel bepalen samen dus hoe het ‘wandelend buffet’
(=substraataanbod in het bloed) eruitziet. Een buffet waarvan de overige cellen en weefsels zich
vervolgens bedienen om aan hun metabole behoeften te voldoen.
Sommige cellen (myocyten = spiercellen b.v.) zijn omnivoor: afhankelijk van het aanbod worden glucose,
vetzuren dan wel aminozuren verbrand. Andere celtypen zijn kieskeuriger. Een hersencel gebruikt
bijvoorbeeld altijd glucose. Alleen tijdens een langdurige hongerperiode schakelen onze hersenen
gedeeltelijk over op ketonlichamen als energiebron. Ook cellen die géén of weinig mitochondriën
bevatten (rode en witte bloedcellen) metaboliseren vrijwel uitsluitend glucose. Het is dus noodzakelijk
dat de bloedglucose-spiegel op peil wordt gehouden (glucostase). De concentraties van andere
substraten (vetzuur, triacylglycerol, ketonlichamen) variëren juist sterk, afhankelijk van dieet,
lichamelijke inspanning en hormonale ‘status’ (met name [INS]/[GCN]). De opname van vrije vetzuren en
ketonlichamen door de weefsels wordt voornamelijk bepaald door de concentraties van deze substraten
in het bloed.
, !!! Vooral letten op
ketonlichamen niet door homronen, AZ gaan weefsels in via actief transport, en reuglering van INS bij
opname glucose, AZ en TAG uit bloed vooral in vet- en spierweefsel
§1.2. Verschillende principes waarop regulatie in het metabolisme is gebaseerd.
Om het metabolisme te reguleren zijn er een paar basisprincipes om enzymen te stimuleren, dan wel te
remmen, te weten 1) meer/minder substraat aanbieden, 2) bestaande enzym actiever/inactiever
maken, en 3) meer/minder enzymen maken (vnl. door gen-transcriptie regulering, en door afbraak van
het enzym). Bestudeer hiervoor § 15.6 uit Stryer op pag. 301-303 (3de editie 268-275). Ook de
samenvatting van het hele hoofdstuk op pag. 304 en 305 is belangrijk en zeker de moeite waard om te
bestuderen.
§ 15.6 uit Stryer op pag. 301-303 (alleen bel dingen plakken)
, Catalytic Activity Is Regulated
The catalytic activity of enzymes is controlled in several ways.
Allosteric control is especially important. For example, the first
reaction in many biosynthetic pathways is allosterically
inhibited by the ultimate product of the pathway, an example of
feedback inhibition. This type of control can be almost
instantaneous. Another recurring mechanism is the activation
and deactivation of enzymes by reversible covalent
modification. Reversible modification is often the endpoint of
the signal-transduction cascades discussed in Chapter 13. For
example, glycogen phosphorylase, the enzyme catalyzing the
breakdown of glycogen, a storage form of glucose, is activated