1. Bloed
1.1 Samenstelling van het bloed: Plasma en morfologie van de bloedcellen
- Rode kleur van bloed: komt door aanwezig van RBC met Hemoglobine
- Hemoglobine: eiwit dat heemgroepen bevat en gaan zuurstof binden
Hematocriet: Verhouding die constant is tussen de volume van de cellen en het totale
volume
= Maatstaf voor hoeveelheid BC
Gezond lichaam: 40-45%
Bloed heeft complexe samenstelling
1. Bloedcellen: RBC, WBC, Bloedplaatjes
2. Plasma: bestaat uit water en eiwitten
Verschil tussen plasma en Serum: Aan of afwezigheid van Fibrinogeen
→ Fibrinogeen: Aanwezig in plasma
Omzetting naar Fibrine draden (=Aaneenschakeling van Fibrinogeen) = Vormen van klonter
→ Bij klontering: Plasma kan afgenomen worden → Serum blijft over
Centrifugeren van bloed (Onder - Boven) = RBC - WBC - Bloedplaatjes - Plasma
- Bloedplaatjes zijn belangrijk voor stolling
- WBC zijn belangrijk voor immuniteit
- RBC: gaan densiteit van het bloed bepalen → Dat gaat de bloeddruk bepalen
PLASMA SAMENSTELLING
1. Grootste substantie is water (90%)
2. Elektrolyten
3. Eiwitten: 70 gram per liter is een constante
- De grote eiwitten hebben constante concentratie en zijn altijd hetzelfde in het
bloed (in dezelfde omgeving)
, - De kleine eiwitten zijn variabel: hangt af van waar we de bloedstalen hebben
afgenomen en in welke status het lichaam is
4. Koolhydraten en lipiden
Voorbeeld Kleine eiwitten: Cytokinesis = Inflammatoire eiwitten
- Aanwezig in lage concentratie (normaal)
- Bij bacteriële infecties: zal de concentratie meer zijn
Meettechnieken om hoeveelheden van eiwitten te bepalen
1. 1 Eiwit meten: ELISA (AL maken tegen een specifiek eiwit)
2. Meerdere eiwitten meten: Plasma Proteome
PLASMA-ANALYSE: gebruikt om te weten te komen of men te maken heeft met een
plasma staal of een serum staal
→ Kijken voor de aanwezigheid van Fibrinogeen
→ Als plasma staal actief wordt → Fibrine draden gemaakt
2D DIGE: Scheiden op basis van grootte en lading → Eiwit identificeren
Klinische toepassing: Diagnose doen aan de hand van een eiwit die in het bloed aanwezig is
→ VB: Hartinfarct = Afbraakproduct Troponine 1 is aanwezig in het bloed
Bloedcellen meten = Via Hemato Canter → Heeft een diagnostische waarde
- Op basis van grootte en kenmerken van BC: kan apparaat de verschillende BC uit
elkaar halen
- De concentratie van BC worden vergeleken met referente waarde
- Te laag aantal RBC = Anemie
- Bij een infectie = Meer WBC
MORFOLOGIE VAN BLOEDCELLEN: Wordt bepaald door bloeduitstrijkje
- Aan bloedstaal wordt Anticoagulant toegevoegd → Geen stolling van bloed
- 1 Druppel op plaatje plaatje
- Met ander plaatje → Druppel uitsmeren
, - Kleuring: Op basis van milieu basisch of zuur is → Gaat het rood of blauw kleuren
- RBC heeft geen kern en organellen, BP hebben geen kern maar wel organellen
1.2 Differentiatie tot bloedplaatjes en Erytrocyten: Megakaryopoiesis en Erytropoïese
Twee processen: Proliferatie (Celdeling) en Differentiatie (Uitrijping)
- Hematopoietische SC: Als deze SC in contact komt met bepaalde cytokines (= GF)
zal het differentiëren en andere cellen vormen
Twee voorlopercellen die gaan bepalen in welke arm de cel gaat differentiëren
1. Gemeenschappelijke Myeloïde voorlopercel
2. Gemeenschappelijke Lymphoide voorlopercel
Proliferatie: Celdeling via mitose
1. De twee dochtercellen zijn identiek aan moedercel
2. Dit proces kan zich vele malen herhalen
Differentiatie: Overgang van een cel van een onrijp naar rijper stadium (Zonder celdeling)
- Alle BC ontstaan uit een gemeenschappelijk voorlopercel (= De pluripotentie
hematopoietische SC)
- De stamcel kan door celdeling vermenigvuldigen en differentiëren tot specifieke
voorlopercel van elke celsoort
- Die voorlopercel kan zich nog steeds door deling vermenigvuldiging, maar kan
slechts in 1 richting verder differentiëren
Megakaryopoiesis Vorming van bloedplaatjes
Megakaryoblast Grote cel: 20 - 30 micrometer
, (2N DNA) Kern is ovaal
Enkel in beenmerg
Bevat geen granulen
Promegakaryocyt Hoeveelheid DNA neemt toe
(2 - 4 N DNA) Kern ondergaat een meiose zonder de splitsing → Blijven samen in 1 kern
Enkel in BM
Cytoplasma neemt toe
Megakaryocyte (4 - DNA zal meer toenemen door endomitose (= Mitose zonder dat de cel splitst
64 N DNA) Verschillende lobben worden gevormd door stijging van DNA
Cytoplasma met Granulen neemt ook toe
Enkel in BM en niet in circulerend bloed
→ Bloedplaatjes splitsen hiervan
- Ze hebben geen kern
- Ze bevatten wel granulen die afkomstig zijn van de megakaryocyte
Trombopoietine (TPO) = GF die specifiek zijn voor bloedplaatjes te vormen
Als de megakaryocyte rijp is → Gaat het zich steeds dichter bij het bloedvat plaatsen
→ Vrijgave van bloedplaatjes in circulerend bloed
= Actief proces waarbij het cytoskelet een belangrijke rol heeft
Defecten in het uitrijpen van de bloedplaatjes
1. DNA wordt te weinig compact opgeslagen in Nucleus → Te veel lobben (=
Hyperlobulatie)
2. Mono / Hypolobaire = Te weinig lobben
3. Losse kernlobben
4. Micromegakaryocyten = Te kleine megakarocyten
5. Reuze megakaryocyten = Te grote megakaryocyten
In vitro rijping nabootsen = kijken of dit normaal verloopt
Bloedplaatjes