College 1. Vraag en aanbod en prijselas3citeit
De vraaglijn is een dalende lijn, verschuivingen hierop zijn:
- Rechts: s3jging van inkomen, succesvolle marke3ngcampagne.
- Links: crisis leidt tot daling van inkomen, mogelijke salmonella besmeBng.
Reserva3on price: maximale prijs die consument wil betalen (marktprijs < reserva3on prijs = kopen).
De aanbodlijn is een s3jgende lijn, verschuivingen hierop zijn:
- Rechts: daling van de kostprijs, snellere oogstmethode.
- Links: s3jging van de produc3ekosten, slechte oogst door droogte.
Supply choking price: bij een bepaalde prijs is het aanbod nul (hieronder: $1).
Voorbeeld: de markt voor tomaten.
- Vraaglijn: QV = 1.000 – 200p (inverse: P = 5 – 0.005 QV)
- Aanbodlijn: QA = 200p – 200 (inverse: P = 0.005 QA + 1)
Market equilibrium = marktevenwicht (400, 3), dit is het punt waar vraag en aanbod gelijk zijn.
Prijselas3citeit van de vraag = (% verandering vraag) / (% verandering prijs).
- Volkomen inelas3sch (E = 0) - bijvoorbeeld levensreddende medicijnen.
- Rela3ef inelas3sch (0 < E < -1)
- Unitair elas3sch (E = -1)
- Elas3sch (-1 < E < ∞)
- Volkomen elas3sch ( E = ∞) - bijvoorbeeld grondstoffengewassen
Inkomenselas3citeit = (% verandering vraag) / (% verandering inkomen)
- Inferieure goederen E < 0
- Normale goederen 0 < E < 1
- Luxegoederen E > 1
- Indifferente goederen E = 0
Het consumenten- en producentensurplus:
- Consumentensurplus = verschil tussen prijs die consument wil betalen en de werkelijke prijs.
In dit voorbeeld consumentensurplus = ½ * (5 – 3) * 400 = 400
- Producentensurplus = verschil tussen de werkelijke prijs en de kostprijs.
In dit voorbeeld producentensurplus = ½ * (3 – 1) * 400 = 400
, College 2. Consumentengedrag en de individuele en collec3eve vraaglijn
De vier aannames van consumentenvoorkeuren:
- Rangschikking: goederen kunnen gecombineerd worden en er is een voorkeur.
- Voor de meeste goederen geldt ‘hoe meer, hoe beter’.
- Transi3viteit: A > B en B > C leidt tot A > C.
- Hoe meer van één goed, hoe meer hiervan wordt opgegeven (varia3e).
Een indifferen3ecurve beschrijj de voorkeur
van een consument. De lijn geej al3jd
dezelfde behoejebevrediging aan bij
verschillende productcombina3es.
- De marginale subs3tu3evoet is de
helling van de indifferen3ecurve
(= ∆Y / ∆X).
De indifferen3ecurven kunnen er voor verschillende soorten producten ook verschillend uitzien:
Naast de verschillende behoejebevredigingen,
heej de consument ook te maken met een
budgetrestric3e. Het raakpunt tussen de
indifferen3ecurve en de budgetlijn is de
uitkomst.
Een engelcurve laat de consump3e van één
goed zien wanneer het inkomen verandert.
De vraaglijn is een dalende lijn, verschuivingen hierop zijn:
- Rechts: s3jging van inkomen, succesvolle marke3ngcampagne.
- Links: crisis leidt tot daling van inkomen, mogelijke salmonella besmeBng.
Reserva3on price: maximale prijs die consument wil betalen (marktprijs < reserva3on prijs = kopen).
De aanbodlijn is een s3jgende lijn, verschuivingen hierop zijn:
- Rechts: daling van de kostprijs, snellere oogstmethode.
- Links: s3jging van de produc3ekosten, slechte oogst door droogte.
Supply choking price: bij een bepaalde prijs is het aanbod nul (hieronder: $1).
Voorbeeld: de markt voor tomaten.
- Vraaglijn: QV = 1.000 – 200p (inverse: P = 5 – 0.005 QV)
- Aanbodlijn: QA = 200p – 200 (inverse: P = 0.005 QA + 1)
Market equilibrium = marktevenwicht (400, 3), dit is het punt waar vraag en aanbod gelijk zijn.
Prijselas3citeit van de vraag = (% verandering vraag) / (% verandering prijs).
- Volkomen inelas3sch (E = 0) - bijvoorbeeld levensreddende medicijnen.
- Rela3ef inelas3sch (0 < E < -1)
- Unitair elas3sch (E = -1)
- Elas3sch (-1 < E < ∞)
- Volkomen elas3sch ( E = ∞) - bijvoorbeeld grondstoffengewassen
Inkomenselas3citeit = (% verandering vraag) / (% verandering inkomen)
- Inferieure goederen E < 0
- Normale goederen 0 < E < 1
- Luxegoederen E > 1
- Indifferente goederen E = 0
Het consumenten- en producentensurplus:
- Consumentensurplus = verschil tussen prijs die consument wil betalen en de werkelijke prijs.
In dit voorbeeld consumentensurplus = ½ * (5 – 3) * 400 = 400
- Producentensurplus = verschil tussen de werkelijke prijs en de kostprijs.
In dit voorbeeld producentensurplus = ½ * (3 – 1) * 400 = 400
, College 2. Consumentengedrag en de individuele en collec3eve vraaglijn
De vier aannames van consumentenvoorkeuren:
- Rangschikking: goederen kunnen gecombineerd worden en er is een voorkeur.
- Voor de meeste goederen geldt ‘hoe meer, hoe beter’.
- Transi3viteit: A > B en B > C leidt tot A > C.
- Hoe meer van één goed, hoe meer hiervan wordt opgegeven (varia3e).
Een indifferen3ecurve beschrijj de voorkeur
van een consument. De lijn geej al3jd
dezelfde behoejebevrediging aan bij
verschillende productcombina3es.
- De marginale subs3tu3evoet is de
helling van de indifferen3ecurve
(= ∆Y / ∆X).
De indifferen3ecurven kunnen er voor verschillende soorten producten ook verschillend uitzien:
Naast de verschillende behoejebevredigingen,
heej de consument ook te maken met een
budgetrestric3e. Het raakpunt tussen de
indifferen3ecurve en de budgetlijn is de
uitkomst.
Een engelcurve laat de consump3e van één
goed zien wanneer het inkomen verandert.