Week 1:
Kelderluik arrest:
Feiten:
Sjouwerman, een medewerker van de Coca-Cola Corporation, heeft in februari 1961
bij het afleveren van frisdrank aan café De Munt in Amsterdam, een kelderluik open
laten staan. Mathieu Duchateau die het café bezocht, viel op weg naar het toilet in
het kelderluik en liep daarbij ernstige verwondingen op. Op grond van dit voorval
heeft Duchateau vergoeding van de door hem geleden schade gevorderd. De
rechtsvraag die in dit kader centraal staat, luidt als volgt. Is Sjouwerman
aansprakelijk jegens Duchateau op grond van onrechtmatige daad, en aan welke
criteria dient dit getoetst te worden?
Rechtsregel:
Gevaarzetting is het scheppen of laten voortduren van een gevaarlijke situatie. Van
onrechtmatigheid is slechts sprake wanneer de mate van waarschijnlijkheid van een
ongeval als gevolg van het gevaarzettend gedrag zo groot is, dat de dader zich naar
maatstaven van zorgvuldigheid van dat gevaarscheppend gedrag had moeten
onthouden. Voor de beoordeling daarvan dient gekeken te worden naar:
1. de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de
vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht
2. de kans dat daaruit ongevallen ontstaan
3. de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben
4. en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.
Staat/Daalder of Veenbroei:
Feiten:
Een 5-jarig jongetje wandelt met zijn vader door een niet voor publiek toegankelijk gemaakt
maar wel te betreden terrein, een zogenoemde schor uitlopend in een waddengebied. Het
jongetje loopt brandwonden op doordat hij weg is gezakt in veengrond waar sprake was van
veenbroei. Dit is een soms niet soms wel zichtbaar natuurverschijnsel waarbij de begroeiing
zodanig broeit/smeult dat aanraking tot brandwonden kan leiden. De vader heeft de staat
aansprakelijk gesteld.
Rechtsregel:
De Hoge Raad heeft in dit arrest besloten dat wie een voor het algemeen publiek
toegankelijk terrein beheert een waarschuwingsplicht heeft, indien zich op het terrein
een niet waarneembaar en onbekend gevaar voordoet. Oftewel, als de beheerder
weet van het gevaar en dat er mensen op zijn terrein zouden kunnen komen, is er
sprake van een waarschuwingsplicht.
Kelderluik arrest:
Feiten:
Sjouwerman, een medewerker van de Coca-Cola Corporation, heeft in februari 1961
bij het afleveren van frisdrank aan café De Munt in Amsterdam, een kelderluik open
laten staan. Mathieu Duchateau die het café bezocht, viel op weg naar het toilet in
het kelderluik en liep daarbij ernstige verwondingen op. Op grond van dit voorval
heeft Duchateau vergoeding van de door hem geleden schade gevorderd. De
rechtsvraag die in dit kader centraal staat, luidt als volgt. Is Sjouwerman
aansprakelijk jegens Duchateau op grond van onrechtmatige daad, en aan welke
criteria dient dit getoetst te worden?
Rechtsregel:
Gevaarzetting is het scheppen of laten voortduren van een gevaarlijke situatie. Van
onrechtmatigheid is slechts sprake wanneer de mate van waarschijnlijkheid van een
ongeval als gevolg van het gevaarzettend gedrag zo groot is, dat de dader zich naar
maatstaven van zorgvuldigheid van dat gevaarscheppend gedrag had moeten
onthouden. Voor de beoordeling daarvan dient gekeken te worden naar:
1. de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de
vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht
2. de kans dat daaruit ongevallen ontstaan
3. de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben
4. en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.
Staat/Daalder of Veenbroei:
Feiten:
Een 5-jarig jongetje wandelt met zijn vader door een niet voor publiek toegankelijk gemaakt
maar wel te betreden terrein, een zogenoemde schor uitlopend in een waddengebied. Het
jongetje loopt brandwonden op doordat hij weg is gezakt in veengrond waar sprake was van
veenbroei. Dit is een soms niet soms wel zichtbaar natuurverschijnsel waarbij de begroeiing
zodanig broeit/smeult dat aanraking tot brandwonden kan leiden. De vader heeft de staat
aansprakelijk gesteld.
Rechtsregel:
De Hoge Raad heeft in dit arrest besloten dat wie een voor het algemeen publiek
toegankelijk terrein beheert een waarschuwingsplicht heeft, indien zich op het terrein
een niet waarneembaar en onbekend gevaar voordoet. Oftewel, als de beheerder
weet van het gevaar en dat er mensen op zijn terrein zouden kunnen komen, is er
sprake van een waarschuwingsplicht.