HOOFDSTUK 1: VOEDINGSSTOFFEN
INLEIDING
Inzichten dgk + wetenschap à evolutie begrip voeding
o Traditioneel: opbouw + onderhoud + energie organisme
o Huidig: preventie + genezing
Voeding > ingrediënt > nutriënt/voedingsstof
NUTRIËNT/VOEDINGSSTOF
Kenmerken
o Organische molecule/mineraal element
o Vormen samenstelling voedingsmiddel
o Onmisbaar voor functioneren lichaam
o Bereiken darmkanaal als complexe molecule à verteringsproces à splitsen à opname eenvoudigere structuur door
organisme
Nodig om organisme
o Op te bouwen
o Te onderhouden
o Te voorzien van energie
EVENWICHTIGE VOEDING
Samenstellen evenwichtige voeding = maken van puzzel
o Elk puzzelstukje
Voor dier onmisbare voedingsstof à geleverd door verschillende elkaar aanvullende ingrediënten
Verschillende puzzelstukjes in juiste verhouding à evenwichtige voeding
4 doelen voeding
o Opbouw + onderhoud lichaam
Eiwitten + bepaalde vetten + mineralen + vitaminen + sporenelementen
o Lichaam voorzien van energie
Eiwitten + koolhydraten + vetten
- Belangrijkste energiebronnen hond: vetten + koolhydraten
- Belangrijkste energiebronnen kat: voor energiemetabolisme ook eiwitten nodig
o Voorkomen van ziekte
Anti-oxidanten + essentiële vetzuren + prebiotica + voedingsvezels
Preventie: ouderdomsverschijnselen + nieraandoeningen
o Genezen
Sommige voedingsstoffen bevorderen genezing tijdens therapeutische processen + herstelperiode
VOEDINGSBOUWSTENEN
= basiscomponenten van voedsel
= families voedingsstoffen
Algemeen: 6 essentieel
o Sommige nodig in grote hoeveelheden vs. andere in kleine
o Te veel/weinig van component gedurende lange periode à nutritionele stoornissen + problemen dier
Voedingsbouwsteen Eenheid Hulp/brand/bouwstof
Water kg/dag Hulpstof
Koolhydraten (glucose) (4 kcal) g/dag Brandstof
Vetten (essentiële vetzuren) (9 kcal) g/dag Brandstof (bouwstof)
Eiwitten (essentiële aminozuren) (4 kcal) g/dag Bouwstof
Mineralen mg/dag Hulpstof
Vitaminen ug of g/dag Hulpstof
*ruwvezel + sporenelementen = hulpstof
BEHOEFTE ßà HOEVEELHEID
Behoefte: individueel + dierafhankelijk
o Diersoort + ras + leeftijd + geslacht
o Verhoogde omgevingstemperatuur + lactatie + verhoogde urineproductie + braken + diarree + ernstige bloeding
, Hoeveelheid (voeder) + onderlinge verhoudingen = belangrijk
Verder
o Hond + kat met sterk reukorgaan – belang van geur
o Voeder kleur + vorm niet belangrijk – vorm van belangrijk voor tanden
o Gewoonte
o Ook rekening houden met
Acceptatiefactor
Warm voedsel – geuren beter los
Vlees goede kwaliteit – geen ranzig vet
Vet in voedsel – niet overdrijven
Wat vochtig voer – betere opname
Alleen eten/met meerdere in groep?
Conclusie: (DA)assistente moet uitgebalanceerd dieet verschaffen aan ieder individueel dier
WATER
ALGEMEEN
Essentiële behoeften dier: O2 + H2O
Lichaam: 60 – 80% H2O
o Stel -10% H2O à ziekte (dus kleine verliezen à problemen)
o Stel -> 15% H2O à sterfte
Geen energetische waarde: hoog vochtgehalte à lage energiedichtheid
BRONNEN (4)
1. Vrij drink H2O
o Kwantitatief: moet genoeg zijn
o Kwalitatief: moet schoon + veilig zijn
2. Gebonden H2O (aan voedermiddelen)
o Kwantitatief belangrijk: vb. kat die veel natvoer eet à minder drinken want vochtopname
reeds via voer
3. Metabolisch H2O
o = water dat lichaam zelf aanmaakt tijdens stofwisselingsreacties
o Condensatiereactie = binding van 2 moleculen met afsplitsing van water
o Oxidatiereactie: organische stoffen + O2 à CO2 + H2O + energie (warmte/ATP)
Condensatiereactie: glucose (MS) + glucose (MS) à maltose (DS) + water
4. H2O bij weefselafbraak
o Weefselafbraak bij negatieve energiebalans
o Afbraak 100 g VET à 107 g H2O
o Afbraak 100 g KHD à 60 g H2O
o Afbraak 100 g EW à 41 g H2O
WATER IN DIERLIJK LICHAAM
Overal in lichaam
o Intra + extracellulair
o Betrokken bij alle processen
Kenmerken
o Niet vervuilend eindproductie bij oxidatiereactie
o Schokabsorberend + smeermiddel
o Transportmedium (afval)stoffen + circulatiemedium bloed & lymfecellen
o Thermoregulatie
o Vertering
BELANG VOOR DIER
Dagelijkse H2O-behoefte (in ml) ≈ dagelijkse energiebehoefte (in kcal ME of KJ ME)
o ME = metaboliseerbare energie = hoeveel energie dier daadwerkelijk kan gebruiken uit voeding
o Algemeen: +- 50 ml/kg LG/dag
, Hoge temperaturen à tot 100 ml/kg LG/dag
Dagelijkse H2O-behoefte (4 – 5% van LG) varieert ifv
o Dier
Diersoort: vogel < zoogdier
Fysiologische toestand: spier (bestaat uit 75% water)/melk (85% water)/foetus (90%)
Gezondheidstoestand: koorts/diarree/braken/PU (= poly urie)
Grootte: kleiner à ↑ H2O (verklaring: kleiner dier = hoger metabolisme)
Leeftijd: jonger à ↑ H2O
o Voeder
↑ DS + EW + mineralen + RC à ↑
o Omgeving
↑ T + ↓ vochtigheid à ↑
H2O HEEFT GEEN ENERGETISCHE WAARDE
Voer met hoog vochtgehalte zal doorgaans lage energiedichtheid hebben
Vb. hond 10 kg
o Optie 1: H2O-behoefte = 50 ml/kg LG/dag à 500 ml H2O/dag
o Optie 2: H2O-behoefte = 4% LG/dag à 400 ml H2O/dag
o Pathologisch: 1l of meer
H2O moet steeds voorhanden zijn à !tenzij dier buitensporig braakt!
CONCLUSIE
Opname: drinken/voedsel
o ↑ vochtgehalte in voeding ↑ à ↓ minder drinken
o Blikvoer à ↓ drinken
Water komt vrij bij verbranding glucose (water + koolzuurgas blijven over)
60 – 70% lichaam = water
Altijd laten staan – soms bij ziekte afwijken
o Hond bepaalt zelf hoeveel hij nodig heeft
50 ml/kg LG/dag nodig – pup meer
KOOLHDYRATEN
ALGEMEEN
= alle moleculen opgebouwd uit C + H + O
SOORTEN
Enkelvoudige suikers – monosacchariden
o Kenmerk: makkelijke absorptie
Samengestelde suikers
o Disacchariden = combinatie 2 mono’s
Kenmerk: makkelijk hydrolyseren in maagdarmstelsel
Maltose = glucose + glucose (moutsuiker)
Sucrose = saccharose = glucose + fructose (riet/bietsuiker)
Lactose = glucose + galactose (melksuiker)
o Oligosachariden = korte ketens mono’s (3 – 9 verbonden suikermoleculen)
Kenmerk: hydrolyseren tot mono/di maar meestal als vezelbron in dieet
FOS + MOS
o Polysachariden = lange ketens mono’s
α – glucanen = polysacchariden met alfa-verbindingen
- Zetmeel vb. amylose + glycogeen
- Kenmerk: splitsing mogelijk door amylase
(enzym)
- Kenmerk: koken verbetert verteerbaarheid
β – glucanen = polysacchariden met beta-verbindingen
- Vezels vb. cellulose + pectine
- Kenmerk: geen splitsing mogelijk door enzymen dier
- Kenmerk: vormen vezels in dieet
, STEREO-ISOMERIE
= 2 moleculen hebben zelfde chemische formule maar andere ruimtelijke schikking
GLYCOSIDISCHE BINDING
= verbinding tussen 2 suikermoleculen
Onderverdeling
o Alfa glycosidische binding
Vb. amylose + glycogeen
Opgesplitst door enzym amylase
o Beta glycosidische binding
Vb. (hemi)cellulose + pectine
Niet opgesplitst door enzymen van dier
VORMEN VAN KOOLHYDRATEN
Suiker
o Snel verteerbaar
o Smakelijk à ↑ voederopname
o Niet-vezel koolhydraat
Zetmeel
o Snel verteerbaar
o Graan + maissoorten = hoog % zetmeel
o Niet-vezel koolhydraat
Vezel
o = koolhydraat met celwand
o 4 onderdelen
Cellulose
Hemicellulose
Pectine
Lignine
VERTEERBAAR VS. ONVERTEERBARE KOOLHDYRATEN
Verteerbaar = glycemische koolhydraten
o Opname door lichaam
o Gebruiken als energiebron
o Vb. glucose + fructose + galactose + maltose + zetmeel
Niet-verteerbaar = niet-glycemische koolhydraten
o Geen opname door lichaam
o Geen energiebron à belangrijk voor darmfunctie
o = voedingsvezels
BRONNEN
Plantaardig
o Goede bron
o Graan: tarwe + haver + gerst
o Biet
o Aardappel
o Rijst
o Onverteerbare boomschorsvezel
Dierlijk
o Slechte bron behalve
Bloedglucose
Glycogeen (uit spieren – vlees)
Lactose