Respiratie
Inhoud
Longfysiologie.........................................................................................................................................1
Zuurstoftherapieën.................................................................................................................................7
Zuurbase evenwicht...............................................................................................................................8
Respiratoire insufficiëntie.......................................................................................................................9
Thoraxdrainage.....................................................................................................................................13
Longfysiologie
De anatomie en fysiologie benoemen, onderste en bovenste luchtwegen, slijmvliezen en pleura.
Bovenste luchtwegen zie pag 643 A&F
Neus, neusholte, paranasale sinussen en de keel (farynx)
Larynx (strottenhoofd) welke bestaat uit 3 delen: epiglottis,
schildkraakbeen en het ringvormig kraakbeen, trachea, bronchiën,
longen die de bronchiolen en de alveoli bevatten.
Onderste luchtwegen
Hoofdbronchus, de carina is het onderste deel van de trachea en
vormt de vertakkingen naar de linker en rechter hoofdbronchus.
De rechter loopt steiler naar beneden waardoor hier de meeste
vreemde voorwerpen in terecht komen.
Bronchiolen, sympatische activeren leidt tot ontspanning van
de gladde spieren en bronchodilatatie. Parasympatische
prikkels leiden tot samentrekking van de gladde spieren en
brochoconstrictie. De smalste bronchiolen worden terminale
bronchiolen genoemd. Zij vervoeren lucht naar een stukje van
een long. Deze vertakken zich in respiratoire bronchiolen en
vervoeren gas.
Het slijmvlies wordt ook wel respiratoire mucosa genoemd. Het
bekleedt de buizen van het ademhalingsstelsel.
Pleura zie losse pagina!
De verschillende ademhalingsspieren benoemen. Zie ook pag
656 van A&F
, De verschillende ademhalingspatronen beschrijven.
Normale ademhaling: teug van ongeveer 500 ml in- en uitgeademd, in een frequentie van 12-15 keer
per minuut.
Tachypneu: te snelle ademhaling. (Oorzaken: koorts, hartfalen, longaandoeningen of lichamelijke
inspanning)
Bradypneu: te langzame ademhaling. (Oorzaken: stofwisselingsziektes, opiaten, alcoholgebruik,
tumor die ademhalingscentrum beïnvloed)
Hyperventilatie is een snelle en/of diepe ademhaling. Het ontstaat meestal door psychische
spanningen of angst. Het leidt tot een abnormaal grote uitademing van CO2 en daarmee ontstaat er
een laag CO2 in het bloed. Gevolgen hiervan zijn: tintelingen in de vingers, duizeligheid, pijn op de
borst, hartkloppingen, krampen rond de mond, hoofdpijn en misselijkheid.
Hyperventilatie onderscheid zicht van een tachypneu, door het feit dat een tachypneu in sommige
gevallen nodig kan zijn.
Cheyne-stokes ademhaling: afwisselende periodes van hyperventilatie en apneu. De periode van
hyperventilatie begint snel en diep en neemt geleidelijk af. Dit patroon past bij hersenbloeding,
hartfalen of overlijden.
Kussmaul ademhaling: diepe, rustige en regelmatige ademhaling. Dit patroon past bij ernstige
metabole acidose op basis van hyperglycemie en een ernstig contusio cerebri (hersenkneuzing).
Atactische ademhaling: volledig irregulair ademhalingspatroon wat betreft frequentie en diepte. Kan
optreden bij letsel van de hersenstam.
BIOT ademhaling: snelle teugen afgewisseld met apneu. De ademhaling is snel en diep. Past bij
gebruik van opioïden, hoofdletsel en CVA’s.
Inhoud
Longfysiologie.........................................................................................................................................1
Zuurstoftherapieën.................................................................................................................................7
Zuurbase evenwicht...............................................................................................................................8
Respiratoire insufficiëntie.......................................................................................................................9
Thoraxdrainage.....................................................................................................................................13
Longfysiologie
De anatomie en fysiologie benoemen, onderste en bovenste luchtwegen, slijmvliezen en pleura.
Bovenste luchtwegen zie pag 643 A&F
Neus, neusholte, paranasale sinussen en de keel (farynx)
Larynx (strottenhoofd) welke bestaat uit 3 delen: epiglottis,
schildkraakbeen en het ringvormig kraakbeen, trachea, bronchiën,
longen die de bronchiolen en de alveoli bevatten.
Onderste luchtwegen
Hoofdbronchus, de carina is het onderste deel van de trachea en
vormt de vertakkingen naar de linker en rechter hoofdbronchus.
De rechter loopt steiler naar beneden waardoor hier de meeste
vreemde voorwerpen in terecht komen.
Bronchiolen, sympatische activeren leidt tot ontspanning van
de gladde spieren en bronchodilatatie. Parasympatische
prikkels leiden tot samentrekking van de gladde spieren en
brochoconstrictie. De smalste bronchiolen worden terminale
bronchiolen genoemd. Zij vervoeren lucht naar een stukje van
een long. Deze vertakken zich in respiratoire bronchiolen en
vervoeren gas.
Het slijmvlies wordt ook wel respiratoire mucosa genoemd. Het
bekleedt de buizen van het ademhalingsstelsel.
Pleura zie losse pagina!
De verschillende ademhalingsspieren benoemen. Zie ook pag
656 van A&F
, De verschillende ademhalingspatronen beschrijven.
Normale ademhaling: teug van ongeveer 500 ml in- en uitgeademd, in een frequentie van 12-15 keer
per minuut.
Tachypneu: te snelle ademhaling. (Oorzaken: koorts, hartfalen, longaandoeningen of lichamelijke
inspanning)
Bradypneu: te langzame ademhaling. (Oorzaken: stofwisselingsziektes, opiaten, alcoholgebruik,
tumor die ademhalingscentrum beïnvloed)
Hyperventilatie is een snelle en/of diepe ademhaling. Het ontstaat meestal door psychische
spanningen of angst. Het leidt tot een abnormaal grote uitademing van CO2 en daarmee ontstaat er
een laag CO2 in het bloed. Gevolgen hiervan zijn: tintelingen in de vingers, duizeligheid, pijn op de
borst, hartkloppingen, krampen rond de mond, hoofdpijn en misselijkheid.
Hyperventilatie onderscheid zicht van een tachypneu, door het feit dat een tachypneu in sommige
gevallen nodig kan zijn.
Cheyne-stokes ademhaling: afwisselende periodes van hyperventilatie en apneu. De periode van
hyperventilatie begint snel en diep en neemt geleidelijk af. Dit patroon past bij hersenbloeding,
hartfalen of overlijden.
Kussmaul ademhaling: diepe, rustige en regelmatige ademhaling. Dit patroon past bij ernstige
metabole acidose op basis van hyperglycemie en een ernstig contusio cerebri (hersenkneuzing).
Atactische ademhaling: volledig irregulair ademhalingspatroon wat betreft frequentie en diepte. Kan
optreden bij letsel van de hersenstam.
BIOT ademhaling: snelle teugen afgewisseld met apneu. De ademhaling is snel en diep. Past bij
gebruik van opioïden, hoofdletsel en CVA’s.