1. Hoofdstuk – Teamwork:
1. Team:
= kleine groep die onderdeel is van grotere organisatie, leden zijn afhankelijk van elkaar
en waar men samenwerkt om een gezamenlijk doel te bereiken. Duidelijk wie wel tot het
team behoort.
1.1. Waarom in teamverband werken:
Hogere productiviteit
Beter kwaliteit
Groter gevoel van welzijn bij de werknemers
1.2. Teamwork steunt op volgende principes:
Vele handen maken licht werk: taken verdelen -> sneller werken
Specialisatie: -> grondiger te werk gaan
Wat we goed kunnen, lukt nog beter in groep: de aanwezigheid van
relevante anderen -> mensen zetten beste beentje voor.
1+1=3: De gestaltewet zegt: ‘het geheel is meer dan de som van de delen’
samenwerken = meerwaarde
Gedeeld geluk is dubbel geluk: Sociale contacten -> prettiger werken
Gedeelde smart is halve smart: tegenslagen en frustraties delen ->
dragelijker
1.3. Groepsgrote:
3-4 groepsleden 8 groepsleden
Groter betrokkenheid, intensere Potentieel enkel benut als groep
relaties gestructureerd is en goed wordt
Kwetsbaar (uitval, competenties) geleid.
Gelijkmatige, individuele participatie
wordt moeilijker
6 groepsleden 10-12 groepsleden
Brengen het er het best vanaf Moeilijk overleggen
Genoeg potentieel aanwezig Kleine meerderheid voortouw,
Makkelijk werkterreinen afbaken andere haken af, komen niet aan
Team vindt makkelijk evenwicht bod
Bij 15 & meer: deelgroepjes
(complementair of parallel werken)
1.4. Taak- en rolverdeling:
Taakverdeling:
Taken zijn duidelijk, afgerond en nuttig
Teamleden werken zelfstand en nemen verantwoordelijkheid
Taakomschrijving is helder, met ruimte voor eigen invulling
Iedereen weet wat hijzelf en anderen doen.
De taakverdeling is vastgesteld
Individuele prestaties krijgen feedback
Rolverdeling: Rollen van Belbin (1993)
1
, Denkers Doeners Mensgericht
De monitor De bedrijfsman De brononderzoeker
(De evaluator) (Uitvoerder) (Verkenner)
De plant De vormer De voorzitter
(Stille bedenker) (Regelaar) (coördinator)
De specialist De zorgdrager De groepswerker
(Afwerker) (Teamspeler)
Goed functionerend team -> rollen evenwichtig verdeeld over teamleden.
Max 3 rollen per teamlid
1.5. Eigenschappen goed draaiend team:
1) Taakgericht en rationeel:
Een team = effectief als: (Michael West – 1996)
Taakgerichte doelstellingen realiseren
Aandacht voor persoonlijke groei en welzijn van werknemers
‘Levensvatbaar’: kans is groot dat team zal blijven functioneren
2) Diversiteit:
Groter Creativiteit
Kans op conflicten minder
3) Een sterke leider:
Meningen Focus op doelen
opsparen Conflicten oplossen
Luisteren Humor gebruiken
Eerlijk leiden Goed
Stille betrekken onderhandelen
Naar een besluit Team aanmoedigen
sturen In team geloven
Consensus zoeken
4) Andere eigenschappen:
Complementariteit -> elkaar aanvullen op vlak van bekwaamheden en
persoonlijkheden
Flexibiliteit -> ruimte voor verandering, elkaars taken kunnen
overnemen, bereidheid uit fouten te leren.
Teamspirit -> het belang van de groep primeert boven het persoonlijk
belang. Praten met elkaar en over elkaar. Leden moeten graag in
groep werken.
Team self-efficacy -> een goed team gelooft in zichzelf
1.6. Teambuilding:
Bedoeling:
Intern functioneren van teams te verbeteren. Te komen tot ‘High
Ervaringsgericht leren staat centraal performance team
Bij voorkeur op locatie
2
, 1.7. Groepen en groepsgedrag:
Mensen = sociale dieren
Baruch Spinoza -> mensen zijn sociale wezens. We leven samen en hebben
elkaar nodig.
Geven en nemen -> samenwerken en elkaar helpen hoort bij het leven.
Sociale regels -> ongeschreven regels zorgen voor orde en respect in groepen.
Conclusie: we passen ons aan en volgen sociale normen om deel uit te maken
van de samenleving.
1.8. Sociale normen en groepsgedrag:
Sociale normen = ongeschreven regels die bepalen hoe je je in een groep
moet gedragen om erbij te horen.
Descriptieve normen -> wat de meeste mensen doen, het normale
groepsgedrag. Bv: Stil zijn in een wachtkamer, praten op een feestje.
Verplichte normen -> gedragsregels die je moet volgen om geaccepteerd te
worden. Bv: optijd komen op school, stoppen voor een rood licht.
Descriptieve normen = gewoontes, verplichte normen = zijn regels
2. Hoofdstuk – Brainstormen:
Creativiteitstechniek
Iedereen = gelijk
Snel veel nieuwe ideeën over bepaald onderwerp
Eerst ideeën geven, pas daarna je mening geven
Hoe meer ideeën, hoe beter
Wilde ideeën zijn welkom
1+1=3 (combineren van ideeën)
Focus op die nieuwe ideeën, niet de haalbaarheid ervan
Alles kan
2. Fase van brainstormen:
2.1. Fase 1: ideeën verzamelen
Doel = zoveel mogelijk ideeën te bedenken.
Oordelen en kritiek geven niet toegestaan.
2.2. Fase 2: ideeën evalueren:
In deze fase mag je opnieuw oordelen
Zo de beste ideeën te kiezen, die te vergelijken, voor- en nadelen af te wegen.
De voorzitter clustert de ideeën en rangschikt ze naargelang het aantal stickers op de
post-its.
2.3. Fase 3: Ideeën uitwerken:
Uitwerken in een soort schema.
3
1. Team:
= kleine groep die onderdeel is van grotere organisatie, leden zijn afhankelijk van elkaar
en waar men samenwerkt om een gezamenlijk doel te bereiken. Duidelijk wie wel tot het
team behoort.
1.1. Waarom in teamverband werken:
Hogere productiviteit
Beter kwaliteit
Groter gevoel van welzijn bij de werknemers
1.2. Teamwork steunt op volgende principes:
Vele handen maken licht werk: taken verdelen -> sneller werken
Specialisatie: -> grondiger te werk gaan
Wat we goed kunnen, lukt nog beter in groep: de aanwezigheid van
relevante anderen -> mensen zetten beste beentje voor.
1+1=3: De gestaltewet zegt: ‘het geheel is meer dan de som van de delen’
samenwerken = meerwaarde
Gedeeld geluk is dubbel geluk: Sociale contacten -> prettiger werken
Gedeelde smart is halve smart: tegenslagen en frustraties delen ->
dragelijker
1.3. Groepsgrote:
3-4 groepsleden 8 groepsleden
Groter betrokkenheid, intensere Potentieel enkel benut als groep
relaties gestructureerd is en goed wordt
Kwetsbaar (uitval, competenties) geleid.
Gelijkmatige, individuele participatie
wordt moeilijker
6 groepsleden 10-12 groepsleden
Brengen het er het best vanaf Moeilijk overleggen
Genoeg potentieel aanwezig Kleine meerderheid voortouw,
Makkelijk werkterreinen afbaken andere haken af, komen niet aan
Team vindt makkelijk evenwicht bod
Bij 15 & meer: deelgroepjes
(complementair of parallel werken)
1.4. Taak- en rolverdeling:
Taakverdeling:
Taken zijn duidelijk, afgerond en nuttig
Teamleden werken zelfstand en nemen verantwoordelijkheid
Taakomschrijving is helder, met ruimte voor eigen invulling
Iedereen weet wat hijzelf en anderen doen.
De taakverdeling is vastgesteld
Individuele prestaties krijgen feedback
Rolverdeling: Rollen van Belbin (1993)
1
, Denkers Doeners Mensgericht
De monitor De bedrijfsman De brononderzoeker
(De evaluator) (Uitvoerder) (Verkenner)
De plant De vormer De voorzitter
(Stille bedenker) (Regelaar) (coördinator)
De specialist De zorgdrager De groepswerker
(Afwerker) (Teamspeler)
Goed functionerend team -> rollen evenwichtig verdeeld over teamleden.
Max 3 rollen per teamlid
1.5. Eigenschappen goed draaiend team:
1) Taakgericht en rationeel:
Een team = effectief als: (Michael West – 1996)
Taakgerichte doelstellingen realiseren
Aandacht voor persoonlijke groei en welzijn van werknemers
‘Levensvatbaar’: kans is groot dat team zal blijven functioneren
2) Diversiteit:
Groter Creativiteit
Kans op conflicten minder
3) Een sterke leider:
Meningen Focus op doelen
opsparen Conflicten oplossen
Luisteren Humor gebruiken
Eerlijk leiden Goed
Stille betrekken onderhandelen
Naar een besluit Team aanmoedigen
sturen In team geloven
Consensus zoeken
4) Andere eigenschappen:
Complementariteit -> elkaar aanvullen op vlak van bekwaamheden en
persoonlijkheden
Flexibiliteit -> ruimte voor verandering, elkaars taken kunnen
overnemen, bereidheid uit fouten te leren.
Teamspirit -> het belang van de groep primeert boven het persoonlijk
belang. Praten met elkaar en over elkaar. Leden moeten graag in
groep werken.
Team self-efficacy -> een goed team gelooft in zichzelf
1.6. Teambuilding:
Bedoeling:
Intern functioneren van teams te verbeteren. Te komen tot ‘High
Ervaringsgericht leren staat centraal performance team
Bij voorkeur op locatie
2
, 1.7. Groepen en groepsgedrag:
Mensen = sociale dieren
Baruch Spinoza -> mensen zijn sociale wezens. We leven samen en hebben
elkaar nodig.
Geven en nemen -> samenwerken en elkaar helpen hoort bij het leven.
Sociale regels -> ongeschreven regels zorgen voor orde en respect in groepen.
Conclusie: we passen ons aan en volgen sociale normen om deel uit te maken
van de samenleving.
1.8. Sociale normen en groepsgedrag:
Sociale normen = ongeschreven regels die bepalen hoe je je in een groep
moet gedragen om erbij te horen.
Descriptieve normen -> wat de meeste mensen doen, het normale
groepsgedrag. Bv: Stil zijn in een wachtkamer, praten op een feestje.
Verplichte normen -> gedragsregels die je moet volgen om geaccepteerd te
worden. Bv: optijd komen op school, stoppen voor een rood licht.
Descriptieve normen = gewoontes, verplichte normen = zijn regels
2. Hoofdstuk – Brainstormen:
Creativiteitstechniek
Iedereen = gelijk
Snel veel nieuwe ideeën over bepaald onderwerp
Eerst ideeën geven, pas daarna je mening geven
Hoe meer ideeën, hoe beter
Wilde ideeën zijn welkom
1+1=3 (combineren van ideeën)
Focus op die nieuwe ideeën, niet de haalbaarheid ervan
Alles kan
2. Fase van brainstormen:
2.1. Fase 1: ideeën verzamelen
Doel = zoveel mogelijk ideeën te bedenken.
Oordelen en kritiek geven niet toegestaan.
2.2. Fase 2: ideeën evalueren:
In deze fase mag je opnieuw oordelen
Zo de beste ideeën te kiezen, die te vergelijken, voor- en nadelen af te wegen.
De voorzitter clustert de ideeën en rangschikt ze naargelang het aantal stickers op de
post-its.
2.3. Fase 3: Ideeën uitwerken:
Uitwerken in een soort schema.
3