DIERKUNDE
Samenvatting
,H1: Inleiding
1 Een definitie van leven?
1.1 wat is biologie?
• Dierkunde (Zoologie):
o Oude wetenschap, oorspronkelijk gericht op het observeren van dieren voor jacht en
overleving.
o Nu een fundamentele wetenschap: doel is om zoveel mogelijk kennis over dieren te
verzamelen.
o Toepassingen kunnen pas later komen (bijvoorbeeld voor medicijnen of
milieuonderzoek).
o Verschil met Dierwetenschappen:
▪ Dierkunde gaat over alle dieren (wild en gedomesticeerd).
▪ Dierwetenschappen richten zich voornamelijk op gedomesticeerde dieren
(zoals vee of huisdieren).
• Raakvlakken met andere wetenschappen:
o Aardrijkskunde, Fysica, Chemie, Genetica.
Diverse wetenschap, verschillende diergroepen
MC: wat betekent de term “morfologie”?
- Studie van de vorm van een dier
- Studie van de processen in een dier
- Studie van het gedrag van een dier
1
,1.3 Wat is leven?
Dieren: levende organismen
- Moeilijk te definiëren
- Constante evolutie: eigenschappen veranderen
- Toch enkele gemeenschappelijke kenmerken:
Unieke chemische samenstelling:
Leven gebruikt energie om complexe moleculen te maken, zoals suikers (bijvoorbeeld glucose).
• Glucose kan niet zonder energie worden gevormd.
• Verder worden complexere moleculen gemaakt, zoals DNA en RNA, die bestaan uit
aaneengeschakelde nucleïnezuren.
• Deze complexe chemische samenstelling onderscheidt levende organismen van niet-levende
materie.
Hiërarchische organisatieniveaus:
Elk levend individu bestaat uit verschillende niveaus van organisatie:
• Atomen vormen moleculen.
• Moleculen vormen macromoleculen.
• Macromoleculen worden gegroepeerd in cellen, die omgeven zijn door een celmembraan.
• Cellen groeperen zich tot weefsels.
• Weefsels vormen organen.
• Meerdere organen werken samen in één individu.
• Individuen vormen populaties en uiteindelijk gemeenschappen van verschillende soorten.
Deze niveaus tonen de opbouw van levende organismen, van moleculen tot ecosystemen.
moleculen -> cellen -> weefsels -> organen -> individuen -> populaties -> gemeenschappen
Voortplanting:
Leven heeft de capaciteit om zich voort te planten, in tegenstelling tot niet-levende objecten zoals
rotsen die niet kunnen reproduceren.
• DNA bevat de genetische informatie die wordt gereproduceerd en doorgegeven tijdens de
voortplanting.
• Soms ontstaan er foutjes tijdens het kopiëren van deze informatie, wat leidt tot variatie en
diversiteit binnen de soort.
• Seksuele reproductie zorgt voor nieuwe combinaties van genetische informatie, wat bijdraagt
aan de variëteit van levensvormen.
Genetische code:
De genetische code bevat de informatie die bepaalt hoe een organisme eruit ziet en hoe het zich
ontwikkelt.
• Deze informatie is opgeslagen in DNA, en soms ook in RNA.
2
, Metabolisme:
Voedingsstoffen uit de omgeving worden opgenomen door het organisme en omgezet in andere
moleculen die nodig zijn voor het voortbestaan van het individu.
• Er vindt een afbraak plaats van complexe moleculen tot eenvoudigere stoffen, wat energie
oplevert.
• Deze energie wordt gebruikt om nieuwe moleculen op te bouwen die nodig zijn voor de
functie en groei van het organisme.
• Bijvoorbeeld, via de Krebs-cyclus worden voedingsstoffen verder afgebroken om energie te
verkrijgen, die vervolgens gebruikt wordt voor de opbouw van andere moleculen en het
onderhoud van het organisme.
• Het metabolisme omvat dus zowel afbraak als opbouw van stoffen, en is essentieel voor het
behoud van leven.
Ontwikkeling en groei:
Organismen veranderen voortdurend van vorm gedurende hun leven, hoewel de genetische code
constant blijft.
• De moleculen in het lichaam worden continu uitgewisseld en vervangen door andere
atomen die via voeding worden verkregen. Dit zorgt ervoor dat het organisme groeit en zich
aanpast.
• Dit proces zorgt voor groei en veranderingen in de uiterlijke vorm van het organisme, zoals
bijvoorbeeld de metamorfose van een vlinder, die door verschillende stadia van ontwikkeling
gaat (eier, rups, pop, en volwassen vlinder). Elke fase ziet er anders uit, maar de genetische
informatie die bepaalt hoe de vlinder zich ontwikkelt, blijft hetzelfde.
• De genetische code zorgt voor de basisstructuur, maar de cellen en moleculen in het lichaam
worden constant vernieuwd en aangepast.
1.3 Wat is een dier?
MC: welk van de volgende organismen is geen dier?
- Spons
o Vroege vorm van dier
- Koraal
- Pantoffeldiertje
o Eencellige met cilia op celmembraan
o Dieren zijn altijd meercellig
1.3.1 Indeling van levende organismen
Levende organismen worden ingedeeld in 3 hoofdgroepen of domeinen:
Eukaryoten: volledige celbouw (o.a. celkern, organellen)
1) Domein Eukarya
a. Regnum protista (protisten)
i. Meestal eencellige organismen, zoals algen en amoeben
b. Regnum fungi (schimmels)
3
Samenvatting
,H1: Inleiding
1 Een definitie van leven?
1.1 wat is biologie?
• Dierkunde (Zoologie):
o Oude wetenschap, oorspronkelijk gericht op het observeren van dieren voor jacht en
overleving.
o Nu een fundamentele wetenschap: doel is om zoveel mogelijk kennis over dieren te
verzamelen.
o Toepassingen kunnen pas later komen (bijvoorbeeld voor medicijnen of
milieuonderzoek).
o Verschil met Dierwetenschappen:
▪ Dierkunde gaat over alle dieren (wild en gedomesticeerd).
▪ Dierwetenschappen richten zich voornamelijk op gedomesticeerde dieren
(zoals vee of huisdieren).
• Raakvlakken met andere wetenschappen:
o Aardrijkskunde, Fysica, Chemie, Genetica.
Diverse wetenschap, verschillende diergroepen
MC: wat betekent de term “morfologie”?
- Studie van de vorm van een dier
- Studie van de processen in een dier
- Studie van het gedrag van een dier
1
,1.3 Wat is leven?
Dieren: levende organismen
- Moeilijk te definiëren
- Constante evolutie: eigenschappen veranderen
- Toch enkele gemeenschappelijke kenmerken:
Unieke chemische samenstelling:
Leven gebruikt energie om complexe moleculen te maken, zoals suikers (bijvoorbeeld glucose).
• Glucose kan niet zonder energie worden gevormd.
• Verder worden complexere moleculen gemaakt, zoals DNA en RNA, die bestaan uit
aaneengeschakelde nucleïnezuren.
• Deze complexe chemische samenstelling onderscheidt levende organismen van niet-levende
materie.
Hiërarchische organisatieniveaus:
Elk levend individu bestaat uit verschillende niveaus van organisatie:
• Atomen vormen moleculen.
• Moleculen vormen macromoleculen.
• Macromoleculen worden gegroepeerd in cellen, die omgeven zijn door een celmembraan.
• Cellen groeperen zich tot weefsels.
• Weefsels vormen organen.
• Meerdere organen werken samen in één individu.
• Individuen vormen populaties en uiteindelijk gemeenschappen van verschillende soorten.
Deze niveaus tonen de opbouw van levende organismen, van moleculen tot ecosystemen.
moleculen -> cellen -> weefsels -> organen -> individuen -> populaties -> gemeenschappen
Voortplanting:
Leven heeft de capaciteit om zich voort te planten, in tegenstelling tot niet-levende objecten zoals
rotsen die niet kunnen reproduceren.
• DNA bevat de genetische informatie die wordt gereproduceerd en doorgegeven tijdens de
voortplanting.
• Soms ontstaan er foutjes tijdens het kopiëren van deze informatie, wat leidt tot variatie en
diversiteit binnen de soort.
• Seksuele reproductie zorgt voor nieuwe combinaties van genetische informatie, wat bijdraagt
aan de variëteit van levensvormen.
Genetische code:
De genetische code bevat de informatie die bepaalt hoe een organisme eruit ziet en hoe het zich
ontwikkelt.
• Deze informatie is opgeslagen in DNA, en soms ook in RNA.
2
, Metabolisme:
Voedingsstoffen uit de omgeving worden opgenomen door het organisme en omgezet in andere
moleculen die nodig zijn voor het voortbestaan van het individu.
• Er vindt een afbraak plaats van complexe moleculen tot eenvoudigere stoffen, wat energie
oplevert.
• Deze energie wordt gebruikt om nieuwe moleculen op te bouwen die nodig zijn voor de
functie en groei van het organisme.
• Bijvoorbeeld, via de Krebs-cyclus worden voedingsstoffen verder afgebroken om energie te
verkrijgen, die vervolgens gebruikt wordt voor de opbouw van andere moleculen en het
onderhoud van het organisme.
• Het metabolisme omvat dus zowel afbraak als opbouw van stoffen, en is essentieel voor het
behoud van leven.
Ontwikkeling en groei:
Organismen veranderen voortdurend van vorm gedurende hun leven, hoewel de genetische code
constant blijft.
• De moleculen in het lichaam worden continu uitgewisseld en vervangen door andere
atomen die via voeding worden verkregen. Dit zorgt ervoor dat het organisme groeit en zich
aanpast.
• Dit proces zorgt voor groei en veranderingen in de uiterlijke vorm van het organisme, zoals
bijvoorbeeld de metamorfose van een vlinder, die door verschillende stadia van ontwikkeling
gaat (eier, rups, pop, en volwassen vlinder). Elke fase ziet er anders uit, maar de genetische
informatie die bepaalt hoe de vlinder zich ontwikkelt, blijft hetzelfde.
• De genetische code zorgt voor de basisstructuur, maar de cellen en moleculen in het lichaam
worden constant vernieuwd en aangepast.
1.3 Wat is een dier?
MC: welk van de volgende organismen is geen dier?
- Spons
o Vroege vorm van dier
- Koraal
- Pantoffeldiertje
o Eencellige met cilia op celmembraan
o Dieren zijn altijd meercellig
1.3.1 Indeling van levende organismen
Levende organismen worden ingedeeld in 3 hoofdgroepen of domeinen:
Eukaryoten: volledige celbouw (o.a. celkern, organellen)
1) Domein Eukarya
a. Regnum protista (protisten)
i. Meestal eencellige organismen, zoals algen en amoeben
b. Regnum fungi (schimmels)
3