H6 Voeding, vertering en gezondheid
6.1 Gezonde voeding
De optimale samenstelling van het voedsel is echter voor iedereen verschillend. Stem je
jouw voeding af op de behoefte van je lichaam, dan spreek je van gezonde voeding.
Voeding en ziekten
Bij het eten van te veel vet en suikers heb je kans op welvaartsziekten zoals vetzucht en
hart- en vaatziekten.
Bij het eten van te eenzijdig voedsel leidt dat tot een tekort aan bepaalde voedingsstoffen,
meestal vitamines of mineralen. Het gevolg is een gebreksziekte.
Gezonde voeding is afgestemd op inspanning, groei en herstel. Een gezamenlijke maaltijd
en welbevinden kunnen samenhangen.
6.2 Verteringsstelsel
Voedsel kleiner maken
Mechanische verkleining is het verkleinen van voedseldeeltjes door te kauwen. Door de
mechanische verkleining kan de chemische afbraak sneller verlopen.
Verteringsstelsel
- Mondholte: De wand van haar mondholte bevat zes grote speekselklieren. Het
speeksel bevat een enzym dat het grote koolhydraat zetmeel afbreekt.
- Slokdarm: Spieren duwen de voedselbrokjes door de slokdarm. Dat doen spieren in
alle darmen.
- Maag: Tussen de plooien van de wand monden afvoerbuizen van de maagsapklieren
uit. Sommige cellen van deze klieren maken maagzuur. Andere cellen maken
pepsinogeen. Dit is een inactief enzym.
- Twaalfvingerige darm: De alvleesklier geeft verschillende enzymen af aan de
twaalfvingerige darm, het begin van de dunne darm. Gal uit de lever helpt bij de
vertering van vetten.
- Dunne darm: Verschillende enzymen uit de darmsapklieren voltooien de vertering
met de laatste stappen van de koolhydraat- en eiwitvertering. Wat overblijft is een
vloeibare brij die de blindedarm inglijdt.
- Blindedarm: De blindedarm is het begin van de anderhalve meter lange dikke darm.
In dit deel van de dikke darm leeft een grote darmflora.
- Dikke darm: De dikke darm bevat bacteriën die met hun enzymen stoffen verteren
die mensen zelf niet kunnen verteren. Verder haalt de dikke darm veel water uit
de voedselbrij.
- Endeldarm: Hier wordt de ontlasting in opgeslagen.
verteringssap geproduceerd door actief in verteerd
speeksel speekselklieren mond koolhydraten
maagsap maag maag vetten
, alvleessap alvleesklier twaalfvingerige darm koolhydraten, eiwitten en
vetten
darmsap darmsapklieren dunne darm koolhydraten, eiwitten en
vetten
gal lever twaalfvingerige darm vetten
opgeslagen
(galblaas)
Additieven
Je darmcellen nemen niet alleen voedingsstoffen op, maar soms ook andere stoffen.
Bijvoorbeeld kleurstoffen en smaakstoffen, dit worden additieven genoemd.
Van een aantal additieven is de ADI-waarde vastgesteld. Dat is de hoeveelheid die mensen
per dag per kg lichaamsgewicht kunnen eten zonder risico op gezondheidsklachten.
6.3 Verteringsenzymen
Enzymwerking
Verteringsenzymen zijn het moleculaire gereedschap voor de chemische afbraak. Ze
katalyseren (versnellen) de chemische reacties. Het molecuul waar het enzymmolecuul op
inwerkt, noem je het substraatmolecuul. Komt een enzymmolecuul in contact met een
substraatmolecuul, dan vormen ze samen een enzym-substraatcomplex.
Het enzymmolecuul heeft een holte waarin een specifiek substraatmolecuul precies past. In
het substraatmolecuul gaat hierbij een binding stuk
waardoor het splitst in twee kleinere moleculen: de producten. Daarna laat het
enzymmolecuul los. Dit gebeurt allemaal in een fractie van een seconde. Het
enzymmolecuul verandert niet door de reactie en is dus weer beschikbaar voor een
volgende substraat koppeling. In korte tijd kan een kleine hoeveelheid enzymmoleculen zo
een grote hoeveelheid voedingsstoffen afbreken.
Enzymen kunnen door hun vorm en structuur maar met één type voedsel molecuul
koppelen: ze zijn substraatspecifiek.
Naast enzymen die een substraat splitsen zoals
verteringsenzymen, heeft je lichaam ook enzymen die
stoffen opbouwen. In je cellen bijvoorbeeld draagt het
enzym DNA-polymerase bij aan de opbouw van DNA
moleculen.
Elke enzymreactie kent een bepaalde temperatuur
waarbij de reactiesnelheid het hoogst is. De reactiesnelheid is de hoeveelheid producten die
per tijdseenheid ontstaat.
Bij een lage temperatuur bewegen de moleculen niet snel genoeg: het duurt lang voor een
enzym-substraatcomplex ontstaat.
De laagste temperatuur waarbij de enzymmoleculen nog net
een enzym-substraatcomplex vormen, heet de
maximumtemperatuur.
6.1 Gezonde voeding
De optimale samenstelling van het voedsel is echter voor iedereen verschillend. Stem je
jouw voeding af op de behoefte van je lichaam, dan spreek je van gezonde voeding.
Voeding en ziekten
Bij het eten van te veel vet en suikers heb je kans op welvaartsziekten zoals vetzucht en
hart- en vaatziekten.
Bij het eten van te eenzijdig voedsel leidt dat tot een tekort aan bepaalde voedingsstoffen,
meestal vitamines of mineralen. Het gevolg is een gebreksziekte.
Gezonde voeding is afgestemd op inspanning, groei en herstel. Een gezamenlijke maaltijd
en welbevinden kunnen samenhangen.
6.2 Verteringsstelsel
Voedsel kleiner maken
Mechanische verkleining is het verkleinen van voedseldeeltjes door te kauwen. Door de
mechanische verkleining kan de chemische afbraak sneller verlopen.
Verteringsstelsel
- Mondholte: De wand van haar mondholte bevat zes grote speekselklieren. Het
speeksel bevat een enzym dat het grote koolhydraat zetmeel afbreekt.
- Slokdarm: Spieren duwen de voedselbrokjes door de slokdarm. Dat doen spieren in
alle darmen.
- Maag: Tussen de plooien van de wand monden afvoerbuizen van de maagsapklieren
uit. Sommige cellen van deze klieren maken maagzuur. Andere cellen maken
pepsinogeen. Dit is een inactief enzym.
- Twaalfvingerige darm: De alvleesklier geeft verschillende enzymen af aan de
twaalfvingerige darm, het begin van de dunne darm. Gal uit de lever helpt bij de
vertering van vetten.
- Dunne darm: Verschillende enzymen uit de darmsapklieren voltooien de vertering
met de laatste stappen van de koolhydraat- en eiwitvertering. Wat overblijft is een
vloeibare brij die de blindedarm inglijdt.
- Blindedarm: De blindedarm is het begin van de anderhalve meter lange dikke darm.
In dit deel van de dikke darm leeft een grote darmflora.
- Dikke darm: De dikke darm bevat bacteriën die met hun enzymen stoffen verteren
die mensen zelf niet kunnen verteren. Verder haalt de dikke darm veel water uit
de voedselbrij.
- Endeldarm: Hier wordt de ontlasting in opgeslagen.
verteringssap geproduceerd door actief in verteerd
speeksel speekselklieren mond koolhydraten
maagsap maag maag vetten
, alvleessap alvleesklier twaalfvingerige darm koolhydraten, eiwitten en
vetten
darmsap darmsapklieren dunne darm koolhydraten, eiwitten en
vetten
gal lever twaalfvingerige darm vetten
opgeslagen
(galblaas)
Additieven
Je darmcellen nemen niet alleen voedingsstoffen op, maar soms ook andere stoffen.
Bijvoorbeeld kleurstoffen en smaakstoffen, dit worden additieven genoemd.
Van een aantal additieven is de ADI-waarde vastgesteld. Dat is de hoeveelheid die mensen
per dag per kg lichaamsgewicht kunnen eten zonder risico op gezondheidsklachten.
6.3 Verteringsenzymen
Enzymwerking
Verteringsenzymen zijn het moleculaire gereedschap voor de chemische afbraak. Ze
katalyseren (versnellen) de chemische reacties. Het molecuul waar het enzymmolecuul op
inwerkt, noem je het substraatmolecuul. Komt een enzymmolecuul in contact met een
substraatmolecuul, dan vormen ze samen een enzym-substraatcomplex.
Het enzymmolecuul heeft een holte waarin een specifiek substraatmolecuul precies past. In
het substraatmolecuul gaat hierbij een binding stuk
waardoor het splitst in twee kleinere moleculen: de producten. Daarna laat het
enzymmolecuul los. Dit gebeurt allemaal in een fractie van een seconde. Het
enzymmolecuul verandert niet door de reactie en is dus weer beschikbaar voor een
volgende substraat koppeling. In korte tijd kan een kleine hoeveelheid enzymmoleculen zo
een grote hoeveelheid voedingsstoffen afbreken.
Enzymen kunnen door hun vorm en structuur maar met één type voedsel molecuul
koppelen: ze zijn substraatspecifiek.
Naast enzymen die een substraat splitsen zoals
verteringsenzymen, heeft je lichaam ook enzymen die
stoffen opbouwen. In je cellen bijvoorbeeld draagt het
enzym DNA-polymerase bij aan de opbouw van DNA
moleculen.
Elke enzymreactie kent een bepaalde temperatuur
waarbij de reactiesnelheid het hoogst is. De reactiesnelheid is de hoeveelheid producten die
per tijdseenheid ontstaat.
Bij een lage temperatuur bewegen de moleculen niet snel genoeg: het duurt lang voor een
enzym-substraatcomplex ontstaat.
De laagste temperatuur waarbij de enzymmoleculen nog net
een enzym-substraatcomplex vormen, heet de
maximumtemperatuur.