Gemotiveerd leren
1.Motivatie
Motivatie = beweegreden voor gedrag
Waarom doen we wat we doen?
1.1. Zelfdeterminatietheorie (ZDT) (p.245-247)
Intrinsiek = gemotiveerd volledig vanuit jezelf
Extrinsiek = iemand/iets van buitenaf motiveert je
1. Amotivatie
Geen regulatie
Motivationele drijfveer: gebrek aan geloof of zelfvertrouwen, onverschilligheid
Onderliggende emoties: ontmoediging, faalangst
Geen internalisatie
2. Gecontroleerde motivatie
= MOETEN
Externe regulatie (extrinsiek)
Motivationele drijfveer: verwachtingen, beloning of straf
Onderliggende emoties: stress, druk of verplichting
Geen internalisatie
Geïntrojecteerde regulatie
(extrinsiek)
Motivationele drijfveer:
schuld, schaamte, angst of
interne druk
Onderliggende emoties:
stress, druk of verplichting
Gedeeltelijke internalisatie
Geen psychologische vrijheid
3. Autonome motivatie
= WILLEN (motivatie, plezier)
Geïdentificeerde regulatie (extrinsiek)
Motivationele drijfveer: persoonlijke waarde of zinvolheid
o Je doet het omdat je het zelf echt belangrijk vindt
Onderliggende emoties: vrijwillig, psychologische vrijheid
Volledige internalisatie
Intrinsieke regulatie (intrinsiek)
Motivationele drijfveer: plezier,
interesse of passie
Onderliggende emoties: vrijwillig,
psychologische vrijheid
Volledige internalisatie
Wel psychologische vrijheid
,1.1.1. Wat maakt het verschil in motivatie?
- Regulatie: ontstaan van de motivatie
- Motivationele drijfveer: soorten redenen waardoor iemand gemotiveerd is
- Onderliggende emoties: emoties gaan gepaard met de motivatie
- Internalisatie: de mate waarin iets vanzelf en spontaan gebeurt
1.1.2. Verschillende vormen van regulaties
= ontstaan van de motivatie
Externe regulatie: de motivatie ontstaat door externe verwachtingen/verplichtingen;
het gaat om straffen of belonen
Geïntrojecteerde regulatie: de motivatie ontstaat door interne druk, schuldgevoel; de
gedragsregulatie bevindt zich nu vanbinnen
Geïdentificeerde regulatie: de motivatie ontstaat doordat we iets belangrijk of nuttig
vinden; deels intern, deels extern
Intrinsieke regulatie: de motivatie ontstaat doordat we iets echt leuk of interessant
vinden; uit vrije wil
1.1.3. Verschil tussen gecontroleerde en autonome
motivatie
Gecontroleerde motivatie
= geen psychologische vrijheid
= omdat het moet, niet omdat je het zelf wilt
Autonome motivatie
= wel psychologische vrijheid
= voelt niet gedwongen; uit zichzelf
1.2. Het ABC van basisbehoeften
= 3 aangeboren psychologische basisbehoeften:
A = Autonomie
B = verBondenheid
C = Competentie
Stimuleren van autonome/intrinsieke motivatie
1.2.1. Autonomie
= “Ik kan het zelf (kiezen)”
Psychologische vrijheid en keuze
Eigenaar van eigen acties; denken en voelen
Zichzelf kunnen en mogen zijn
Bv. Laten kiezen tussen individueel of per 2 werken, keuze van data van toetsen, keuze
tussen verschillende boeken
1.2.2. Verbondenheid
= “Ik hoor erbij”
Relationele verbondenheid: goede en hechte relaties met anderen
Gevoel van verbondenheid met de leerkrachten en medeleerlingen
Voldoening halen uit sociale relaties
Warm en veilig leerklimaat
Bv. vragen naar de vakantie, namen kennen, samenwerking stimuleren
1.2.3. Competentie
= “Ik kan het”
, Geloof en vertrouwen dat men bekwaam is om de gewenste resultaten te behalen
Belang van succeservaringen en positieve feedback
Gevoel van een activiteit met succes te kunnen uitvoeren
Bv. leerlingen zijn beter in iets dus je geeft een uitdagende opdracht; bij andere leerlingen
doe je dit niet als ze niet volledig mee zijn, als je merkt dat een leerling niet mee is, ga er dan
bij en geef meteen feedback en hulp
1.3. Hoe kan je als leerkracht werken aan:
1. Autonomie
- Identificeren van interesses
= meer te weten komen over leerlingen
o Luistertijd
o Spreektijd
o Vragen wat leerlingen wensen
o Inspraak
o Empathie
- Voeden van interesses
o Zelfstandig werk
o Verantwoordelijkheid
o Informationele positieve feedback/tips/werkpunten
o Aanmoedigen
o Keuzes aanbieden
o Autonomie-ondersteunend taalgebruik (kunnen/willen i.p.v.
moeten/verwachten)
o Focus op individuele vooruitgang i.p.v. vergelijken met anderen
- Opbouwen van nieuwe interesses
o Zinvolle uitleg
o Leerlingen verbinden met de leerinhoud
2. Verbondenheid
- Positieve relaties onderhouden
o Kennismaking/teambuilding
o Leerlingen leren kennen (persoonlijk leven)
o Leerlingen persoonlijk aanspreken
o Fysieke nabijheid (leer de namen)
o Geloof in je leerlingen
- Warme, positieve en veilige leeromgeving
o Pesten geen kans geven
o Enthousiast zijn
o Leerlingen actief betrekken
o Falen mag: veilig voelen om fouten te maken
o Stressvol competitieklimaat vermijden
o Leerlingen elkaar laten leren kennen
o Samenwerking
o Open en positieve houding
o Rolmodel zijn
o Jezelf als leerkracht laten evalueren
1.Motivatie
Motivatie = beweegreden voor gedrag
Waarom doen we wat we doen?
1.1. Zelfdeterminatietheorie (ZDT) (p.245-247)
Intrinsiek = gemotiveerd volledig vanuit jezelf
Extrinsiek = iemand/iets van buitenaf motiveert je
1. Amotivatie
Geen regulatie
Motivationele drijfveer: gebrek aan geloof of zelfvertrouwen, onverschilligheid
Onderliggende emoties: ontmoediging, faalangst
Geen internalisatie
2. Gecontroleerde motivatie
= MOETEN
Externe regulatie (extrinsiek)
Motivationele drijfveer: verwachtingen, beloning of straf
Onderliggende emoties: stress, druk of verplichting
Geen internalisatie
Geïntrojecteerde regulatie
(extrinsiek)
Motivationele drijfveer:
schuld, schaamte, angst of
interne druk
Onderliggende emoties:
stress, druk of verplichting
Gedeeltelijke internalisatie
Geen psychologische vrijheid
3. Autonome motivatie
= WILLEN (motivatie, plezier)
Geïdentificeerde regulatie (extrinsiek)
Motivationele drijfveer: persoonlijke waarde of zinvolheid
o Je doet het omdat je het zelf echt belangrijk vindt
Onderliggende emoties: vrijwillig, psychologische vrijheid
Volledige internalisatie
Intrinsieke regulatie (intrinsiek)
Motivationele drijfveer: plezier,
interesse of passie
Onderliggende emoties: vrijwillig,
psychologische vrijheid
Volledige internalisatie
Wel psychologische vrijheid
,1.1.1. Wat maakt het verschil in motivatie?
- Regulatie: ontstaan van de motivatie
- Motivationele drijfveer: soorten redenen waardoor iemand gemotiveerd is
- Onderliggende emoties: emoties gaan gepaard met de motivatie
- Internalisatie: de mate waarin iets vanzelf en spontaan gebeurt
1.1.2. Verschillende vormen van regulaties
= ontstaan van de motivatie
Externe regulatie: de motivatie ontstaat door externe verwachtingen/verplichtingen;
het gaat om straffen of belonen
Geïntrojecteerde regulatie: de motivatie ontstaat door interne druk, schuldgevoel; de
gedragsregulatie bevindt zich nu vanbinnen
Geïdentificeerde regulatie: de motivatie ontstaat doordat we iets belangrijk of nuttig
vinden; deels intern, deels extern
Intrinsieke regulatie: de motivatie ontstaat doordat we iets echt leuk of interessant
vinden; uit vrije wil
1.1.3. Verschil tussen gecontroleerde en autonome
motivatie
Gecontroleerde motivatie
= geen psychologische vrijheid
= omdat het moet, niet omdat je het zelf wilt
Autonome motivatie
= wel psychologische vrijheid
= voelt niet gedwongen; uit zichzelf
1.2. Het ABC van basisbehoeften
= 3 aangeboren psychologische basisbehoeften:
A = Autonomie
B = verBondenheid
C = Competentie
Stimuleren van autonome/intrinsieke motivatie
1.2.1. Autonomie
= “Ik kan het zelf (kiezen)”
Psychologische vrijheid en keuze
Eigenaar van eigen acties; denken en voelen
Zichzelf kunnen en mogen zijn
Bv. Laten kiezen tussen individueel of per 2 werken, keuze van data van toetsen, keuze
tussen verschillende boeken
1.2.2. Verbondenheid
= “Ik hoor erbij”
Relationele verbondenheid: goede en hechte relaties met anderen
Gevoel van verbondenheid met de leerkrachten en medeleerlingen
Voldoening halen uit sociale relaties
Warm en veilig leerklimaat
Bv. vragen naar de vakantie, namen kennen, samenwerking stimuleren
1.2.3. Competentie
= “Ik kan het”
, Geloof en vertrouwen dat men bekwaam is om de gewenste resultaten te behalen
Belang van succeservaringen en positieve feedback
Gevoel van een activiteit met succes te kunnen uitvoeren
Bv. leerlingen zijn beter in iets dus je geeft een uitdagende opdracht; bij andere leerlingen
doe je dit niet als ze niet volledig mee zijn, als je merkt dat een leerling niet mee is, ga er dan
bij en geef meteen feedback en hulp
1.3. Hoe kan je als leerkracht werken aan:
1. Autonomie
- Identificeren van interesses
= meer te weten komen over leerlingen
o Luistertijd
o Spreektijd
o Vragen wat leerlingen wensen
o Inspraak
o Empathie
- Voeden van interesses
o Zelfstandig werk
o Verantwoordelijkheid
o Informationele positieve feedback/tips/werkpunten
o Aanmoedigen
o Keuzes aanbieden
o Autonomie-ondersteunend taalgebruik (kunnen/willen i.p.v.
moeten/verwachten)
o Focus op individuele vooruitgang i.p.v. vergelijken met anderen
- Opbouwen van nieuwe interesses
o Zinvolle uitleg
o Leerlingen verbinden met de leerinhoud
2. Verbondenheid
- Positieve relaties onderhouden
o Kennismaking/teambuilding
o Leerlingen leren kennen (persoonlijk leven)
o Leerlingen persoonlijk aanspreken
o Fysieke nabijheid (leer de namen)
o Geloof in je leerlingen
- Warme, positieve en veilige leeromgeving
o Pesten geen kans geven
o Enthousiast zijn
o Leerlingen actief betrekken
o Falen mag: veilig voelen om fouten te maken
o Stressvol competitieklimaat vermijden
o Leerlingen elkaar laten leren kennen
o Samenwerking
o Open en positieve houding
o Rolmodel zijn
o Jezelf als leerkracht laten evalueren