IMMUNOLOGIE
1 – Inleiding
2 – Cellen en organen
Het immuunsysteem: van verdediging tot tolerantie
Verdediging tegen
⬧ Pathogenen (virus, bacterie, schimmel, parasiet)
⬧ Lichaamsvreemd materiaal (RBC van andere species, andere humane bloedgroepen)
⬧ Kankercellen (eigen lichaamsvreemd geworden materiaal)
Tolerantie van
⬧ Lichaamseigen structuren en cellen
⬧ Ongevaarlijke lichaamsvreemde elementen
⬧ Aangeboren treedt snel op, wordt gevolgd door verworven immuunsysteem
⬧ Verworven treedt sneller op na herhaling
De cellen
⬧ Witte bloedcellen (leukocyten)
Granulocyten (neutrofielen, eosinofielen, basofielen)
Monocyten, macrofagen (in weefsel)
Dendritische cellen
Lymfocyten (T-cellen, B-cellen, innate lymphoid cells)
Mastcellen (enkel in weefsels)
⬧ Thymus
⬧ Lymfeknoop, lymfevaten
⬧ Milt
Myeloïde cellijn
Uit de myeloïde cellijn ontstaan
⬧ Rode bloedcellen
⬧ Bloedplaatjes
⬧ Granulocyten
⬧ Monocyten
⬧ Macrofagen
⬧ Dendritische cellen
⬧ Mast cellen
1
,Neutrofielen
⬧ 50% tot 70% van de circulerende leukocyten in ons bloed
⬧ Circuleren 7 à 10 uur in het bloed vooraleer ze migreren in de weefsels waar ze hoogstens
enkele dagen overleven
⬧ Ontwikkeling in beenmerg wordt gestimuleerd door inflammatoire moleculen en groeifactoren
⬧ Transiënte stijging ervan in ons bloed is een teken van ontsteking
⬧ Migreren van bloed naar de plaats van ontsteking (= chemotaxis oiv chemokines)
⬧ Fagocyteren en lyseren deze intracellulair mbv enzymes en antimicrobiële proteînes vanuit
granules die fuseren met het fagosoom
⬧ Scheiden antimicrobiële proteïnen af
⬧ Genereren van neutrophil extracellular traps (NETs) voor
bacteriën
⬧ Geheel vormt etter of pus
⬧ Secreteren cytokines die oa de functie van B- en T-lymfocyten
mee helpt reguleren
⬧ ! geen neutrofielen = alarmteken
Eosinofielen
⬧ 1% tot 3% van de circulerende leukocyten in ons bloed
⬧ Belang in verdediging tegen parasitaire wormen
⬧ Rol in astma en allergische symptomen
⬧ Secreteren cytokines die de functie van B en T lymfocyten,
mastcel, basofiel.. mee helpt reguleren
Basofielen
⬧ <beenmerg - <1% van de circulerende leukocyten in ons bloed
⬧ Belang in verdediging tegen parasitaire wormen
⬧ Faciliteren migratie van andere immuuncellen naar de plaats van
infectie via vasodilatatie (granule-vrijzetting) – aantrekken van
eosinofielen en lymfocyten
⬧ Rol in allergische symptomen (via IgE-binding)
Monocyten
⬧ Componenten van het aangeboren immuunsysteem
⬧ Afkomstig van myoloïde cellijn
⬧ Monocyten circuleren in het bloed waar ze 2-12% vd leukocyten
uitmaken
⬧ Monocyten differentiëren tot macrofagen in de weefsels
⬧ Monocyten en macrofagen zijn myeloïde antigeen presenterende
cellen (APCs)
Macrofagen
Deel afkomstig van inflammatoire monocyten
⬧ Inflammatoire monocyten migreren naar aanleiding van een infectie in de weefsels waarin ze
dan differentiëren in inflammatoire macrofagen
2
, ⬧ Hebben APC activiteit
⬧ Zijn experten in fagocytose waardoor ze het pathogeen
verwijderen
Deel is weefsel-residente macrofagen
⬧ Reeds in embryonale fase aanwezig (niet afkomstig van
inflammatoire monocyten)
⬧ In vele weefsels aanwezig als specifiek celtypes, met weefsel-specifieke functies
⬧ Self-renewal
⬧ APC activiteit
Dendritische cellen
⬧ Aanwezig in weefsels (niet vermeld in een resultaat van een perifere bloedname)
⬧ In weefsels monitoren DCs invaderende pathogenen: nemen
antigenen op – verwerken die – migreren naar lymfoïde organen
⬧ DC presenteren vervolgens deze antigenen aan cellen van het
adaptief immuunsysteem
⬧ DC zijn dus in staat antigenen op één plaats te capteren en op
andere te presenteren (APC functie)
Wanneer APCs in aanraking komen met een pathogeen in de infectiehaard
→ Fagocytose (opeten) van pathogeen in de infectiehaard
→ Stukje peptide van pathogeen wordt verwerkt en op het celmembraan van de
APC gepresenteerd aan T-cellen
→ De APCs zijn dus de boodschappers die vertrekken vanuit de infectiehaard
(alwaar de eerstelijnsverdediging van het aangeboren systeem de strijd voert)
richting de lymfeknopen om aldaar de T-cellen op te trommelen/ te activeren
Lymfoïde cellen
1. B-lymfocyten of B-cellen
2. T-lymfocyten of T-cellen
3. Innate lymphoid cells, eigenschappen van zowel aangeboren als verworven immuunsyteem
Mastcellen
⬧ Aanwezig in de huid, slijmvliezen, bindweefsel van organen
⬧ Hebben verschillende granulen en kunnen ook pro-inflammatoire mediatoren vrijstellen
⬧ In weefsels monitoren mastcellen de aanwezigheid van pathogenen (of weefselschade)
⬧ Spelen een rol in de verdediging tegen parasitaire infecties maar ook bij allergische reacties
De organen
Primair en secundair lymfoïd weefsel
Immature B-cel (beenmerg) => immature, naïve B-cel (beenmerg) => mature tot effector B-cel:
humorale immuunrespons
Immature B-cel (beenmerg) => mature, naïve B-cel (thymus) => effector T-cel: cellulaire
immuunrespons
Thymus
= hier rijpen (matureren) T cellen (komen binnen thv corticomedullaire junctie)
T-cel progenitor cellen ontstaan eerst in beenmerg van waaruit ze zich verplaatsen
via bloed richting thymus
3
, Corticomedullaire junctie: zone/overgang tussen cortex (buitenste deel
thymus) en de medulla (binnenste deel thymus)
Secundaire lymfoïde organen
= de legerkazernes van de actieve (effector) cellen
⬧ Aparte organen
Lymfeknopen (+lymfevaten)
Milt
Tonsillen
⬧ Minder gecompartimentaliseerd en in associatie met andere organen
Typisch in barrière weefsels
Mucosa: MALT
Huid
De lymfeknoop
⬧ Boonvormig, omkapseld
⬧ Bevat stromale cellen (bindweefsel) en
immuuncellen zoals lymfocyten, macrofagen en
dendritische cellen
⬧ Krijgt toevoer van zowel lymfevaten als bloedvaten
⬧ Drie belangrijke zones: cortex, paracortex en
medulla
1. Cortex
= buitenste laag met
Kapsel
B-lymfocyten georganiseerd in B-
follikels
Alsook wat macrofagen en folliculair dendritische cellen in de subscapulaire sinus
(holte)
2. Paracortex
= bevat voornamelijk T-lymfocyten alsook dendritische cellen
3. Medulla
= bevat voornamelijk antistof producerende plasma cellen
= de plaats waar cellen de lymfeknoop verlaten via de efferente bloedvaten
Organisatie van de lymfeknoop
⬧ IN: Naïeve lymfocyten circuleren in het bloed en komen via hoog endotheel venules (HEVs)
de (para)cortex van de lymfeknopen binnen.
HEVs bevatten ongewoon grote endotheel cellen waartussen lymfocyten zich wringen om
vanuit bloed in de lymfeknoop te migreren
⬧ IN: Antigeen presenterende cellen (APCs) en antigeen komt via aanvoerende (afferente)
lymfevaten toe
⬧ UIT: Cellen verlaten de lymfeknoop via de afvoerende (efferente) lymfevaten
4
1 – Inleiding
2 – Cellen en organen
Het immuunsysteem: van verdediging tot tolerantie
Verdediging tegen
⬧ Pathogenen (virus, bacterie, schimmel, parasiet)
⬧ Lichaamsvreemd materiaal (RBC van andere species, andere humane bloedgroepen)
⬧ Kankercellen (eigen lichaamsvreemd geworden materiaal)
Tolerantie van
⬧ Lichaamseigen structuren en cellen
⬧ Ongevaarlijke lichaamsvreemde elementen
⬧ Aangeboren treedt snel op, wordt gevolgd door verworven immuunsysteem
⬧ Verworven treedt sneller op na herhaling
De cellen
⬧ Witte bloedcellen (leukocyten)
Granulocyten (neutrofielen, eosinofielen, basofielen)
Monocyten, macrofagen (in weefsel)
Dendritische cellen
Lymfocyten (T-cellen, B-cellen, innate lymphoid cells)
Mastcellen (enkel in weefsels)
⬧ Thymus
⬧ Lymfeknoop, lymfevaten
⬧ Milt
Myeloïde cellijn
Uit de myeloïde cellijn ontstaan
⬧ Rode bloedcellen
⬧ Bloedplaatjes
⬧ Granulocyten
⬧ Monocyten
⬧ Macrofagen
⬧ Dendritische cellen
⬧ Mast cellen
1
,Neutrofielen
⬧ 50% tot 70% van de circulerende leukocyten in ons bloed
⬧ Circuleren 7 à 10 uur in het bloed vooraleer ze migreren in de weefsels waar ze hoogstens
enkele dagen overleven
⬧ Ontwikkeling in beenmerg wordt gestimuleerd door inflammatoire moleculen en groeifactoren
⬧ Transiënte stijging ervan in ons bloed is een teken van ontsteking
⬧ Migreren van bloed naar de plaats van ontsteking (= chemotaxis oiv chemokines)
⬧ Fagocyteren en lyseren deze intracellulair mbv enzymes en antimicrobiële proteînes vanuit
granules die fuseren met het fagosoom
⬧ Scheiden antimicrobiële proteïnen af
⬧ Genereren van neutrophil extracellular traps (NETs) voor
bacteriën
⬧ Geheel vormt etter of pus
⬧ Secreteren cytokines die oa de functie van B- en T-lymfocyten
mee helpt reguleren
⬧ ! geen neutrofielen = alarmteken
Eosinofielen
⬧ 1% tot 3% van de circulerende leukocyten in ons bloed
⬧ Belang in verdediging tegen parasitaire wormen
⬧ Rol in astma en allergische symptomen
⬧ Secreteren cytokines die de functie van B en T lymfocyten,
mastcel, basofiel.. mee helpt reguleren
Basofielen
⬧ <beenmerg - <1% van de circulerende leukocyten in ons bloed
⬧ Belang in verdediging tegen parasitaire wormen
⬧ Faciliteren migratie van andere immuuncellen naar de plaats van
infectie via vasodilatatie (granule-vrijzetting) – aantrekken van
eosinofielen en lymfocyten
⬧ Rol in allergische symptomen (via IgE-binding)
Monocyten
⬧ Componenten van het aangeboren immuunsysteem
⬧ Afkomstig van myoloïde cellijn
⬧ Monocyten circuleren in het bloed waar ze 2-12% vd leukocyten
uitmaken
⬧ Monocyten differentiëren tot macrofagen in de weefsels
⬧ Monocyten en macrofagen zijn myeloïde antigeen presenterende
cellen (APCs)
Macrofagen
Deel afkomstig van inflammatoire monocyten
⬧ Inflammatoire monocyten migreren naar aanleiding van een infectie in de weefsels waarin ze
dan differentiëren in inflammatoire macrofagen
2
, ⬧ Hebben APC activiteit
⬧ Zijn experten in fagocytose waardoor ze het pathogeen
verwijderen
Deel is weefsel-residente macrofagen
⬧ Reeds in embryonale fase aanwezig (niet afkomstig van
inflammatoire monocyten)
⬧ In vele weefsels aanwezig als specifiek celtypes, met weefsel-specifieke functies
⬧ Self-renewal
⬧ APC activiteit
Dendritische cellen
⬧ Aanwezig in weefsels (niet vermeld in een resultaat van een perifere bloedname)
⬧ In weefsels monitoren DCs invaderende pathogenen: nemen
antigenen op – verwerken die – migreren naar lymfoïde organen
⬧ DC presenteren vervolgens deze antigenen aan cellen van het
adaptief immuunsysteem
⬧ DC zijn dus in staat antigenen op één plaats te capteren en op
andere te presenteren (APC functie)
Wanneer APCs in aanraking komen met een pathogeen in de infectiehaard
→ Fagocytose (opeten) van pathogeen in de infectiehaard
→ Stukje peptide van pathogeen wordt verwerkt en op het celmembraan van de
APC gepresenteerd aan T-cellen
→ De APCs zijn dus de boodschappers die vertrekken vanuit de infectiehaard
(alwaar de eerstelijnsverdediging van het aangeboren systeem de strijd voert)
richting de lymfeknopen om aldaar de T-cellen op te trommelen/ te activeren
Lymfoïde cellen
1. B-lymfocyten of B-cellen
2. T-lymfocyten of T-cellen
3. Innate lymphoid cells, eigenschappen van zowel aangeboren als verworven immuunsyteem
Mastcellen
⬧ Aanwezig in de huid, slijmvliezen, bindweefsel van organen
⬧ Hebben verschillende granulen en kunnen ook pro-inflammatoire mediatoren vrijstellen
⬧ In weefsels monitoren mastcellen de aanwezigheid van pathogenen (of weefselschade)
⬧ Spelen een rol in de verdediging tegen parasitaire infecties maar ook bij allergische reacties
De organen
Primair en secundair lymfoïd weefsel
Immature B-cel (beenmerg) => immature, naïve B-cel (beenmerg) => mature tot effector B-cel:
humorale immuunrespons
Immature B-cel (beenmerg) => mature, naïve B-cel (thymus) => effector T-cel: cellulaire
immuunrespons
Thymus
= hier rijpen (matureren) T cellen (komen binnen thv corticomedullaire junctie)
T-cel progenitor cellen ontstaan eerst in beenmerg van waaruit ze zich verplaatsen
via bloed richting thymus
3
, Corticomedullaire junctie: zone/overgang tussen cortex (buitenste deel
thymus) en de medulla (binnenste deel thymus)
Secundaire lymfoïde organen
= de legerkazernes van de actieve (effector) cellen
⬧ Aparte organen
Lymfeknopen (+lymfevaten)
Milt
Tonsillen
⬧ Minder gecompartimentaliseerd en in associatie met andere organen
Typisch in barrière weefsels
Mucosa: MALT
Huid
De lymfeknoop
⬧ Boonvormig, omkapseld
⬧ Bevat stromale cellen (bindweefsel) en
immuuncellen zoals lymfocyten, macrofagen en
dendritische cellen
⬧ Krijgt toevoer van zowel lymfevaten als bloedvaten
⬧ Drie belangrijke zones: cortex, paracortex en
medulla
1. Cortex
= buitenste laag met
Kapsel
B-lymfocyten georganiseerd in B-
follikels
Alsook wat macrofagen en folliculair dendritische cellen in de subscapulaire sinus
(holte)
2. Paracortex
= bevat voornamelijk T-lymfocyten alsook dendritische cellen
3. Medulla
= bevat voornamelijk antistof producerende plasma cellen
= de plaats waar cellen de lymfeknoop verlaten via de efferente bloedvaten
Organisatie van de lymfeknoop
⬧ IN: Naïeve lymfocyten circuleren in het bloed en komen via hoog endotheel venules (HEVs)
de (para)cortex van de lymfeknopen binnen.
HEVs bevatten ongewoon grote endotheel cellen waartussen lymfocyten zich wringen om
vanuit bloed in de lymfeknoop te migreren
⬧ IN: Antigeen presenterende cellen (APCs) en antigeen komt via aanvoerende (afferente)
lymfevaten toe
⬧ UIT: Cellen verlaten de lymfeknoop via de afvoerende (efferente) lymfevaten
4