Mens en werk 1
Afbakening Arbeids- en Organisatiepsychologie
A&O: inhoud van het vakgebied
• Gedragingen, emoties en cognities van mensen in een “werk” setting
• Zowel individueel als in groep
• Niet over ziektebeelden, pathologieën (klinische psy); wel “gewone” mens in
dagdagelijkse leven op het werk
• Gedrag in organisaties verklaren én voorspellen
Betekenis van werk vandaag
• Werken = leveren van prestatie
• Werk = zingever
• Meer dan enkel financiële motieven, o.a. identiteit, macht, sociaal
contact
• Werknemers willen (voor iedereen anders!):
• Goede vakantieregeling /werktijden, interessante functie,
doorgroeimogelijkheden, loon, …
Definities:
Verzuim: het niet aanwezig zijn op het werk door ziekte of andere omstandigheden,
al dan niet tijdelijk.
Werkdruk: De hoeveelheid werk die iemand in een bepaalde tijd moet uitvoeren en
de daarbij ervaren stress.
Contract onbepaalde duur: Een arbeidsovereenkomst waarbij de wekgever en
werknemer een langdurige samenwerking aangaan.
Autonomie: De vrijheid die een werknemer heeft om zelf beslissingen te nemen over
hoe het werk wordt uitgevoerd.
Duurzaam werk: Werk dat fysiek, mentaal en sociaal haalbaar blijft voor de
werknemer op lange termijn.
Arbeid: Het verrichten van lichamelijke of geestelijke inspanning om goederen of
diensten te produceren, in ruil voor iets anders.
Psychologisch consulent: De gedeelde waarden, normen en gedragingen die
bepalen hoe mensen samenwerken.
Arbeidsmarkt: Het geheel van vraag en aanbod van arbeid.
Selectieproces: Het geheel van stappen die een organisatie doorloopt om een
nieuwe werknemer aan te werven.
Organisatiecultuur: De ongeschreven verwachtingen tussen een werknemer en
een werkgever.
Loopbaanontwikkeling: Het proces waarin een werknemer groeit in kennis,
vaardigheden en functies gedurende haar carrière.
Leiderschap: Het vermogen om een groep mensen te inspireren en te sturen om
bepaalde doelen te bereiken.
Loon: De financiële vergoeding die een werknemer ontvangt voor het verrichten van
arbeid.
,Introductie: Attitude profiel
Herhaling
Werkcollege 2
Historiek Overzicht:
1. Adam smith
2. Scientific management -> -taylor
-ford
3. Human realtions beweging (Elton Mayo)
4. revisionisme
Voorgeschiedenis
• Adam Smith (1723-1790):
• Filosoof
• Grondlegger van de hedendaagse economie
• boek: The wealth of nations:
• Gehele taak in deeltaken verdelen (iedere medewerker één deeltaak)
• Comparatieve voordelen (= voordelen door specialisatie)
, ‘doe alleen hetgeen waar je goed in bent, de rest niet. Op deze wijze
wordt de welvaart maximaal’
2. Scientific management
• Frederick Taylor (1856-1915):
• Ingenieur
• Wetenschappelijke bedrijfsvoering (De werkmethode moet op
wetenschappelijke principe)
• The principles of scientific management:
• Productie efficiënter maken
• Aandacht van technologie naar de werknemers
o Tijds- en bewegingsstudies
o Medewerkers zijn van nature lui: prestatieloon
• Horizontale en verticale arbeidsdeling
Horizontale arbeidsdeling, rollen worden verdeeld
Verticaal, iemand is de leider
• Selectie van medewerkers
• Interindividuele verschillen: (tussen verschillende mensen) iemand is bv sterker
voor die taak
• Intra-individuele verschillen: (binnen één persoon) plaatsing van de medewerker,
waar het best?
• Homo economicus:
• MWs willen zoveel mogelijk verdienen,
• Zo weinig mogelijk doen
• Graag geleid worden door anderen
• Henry Ford: veel deeltaken
• Lopende band in autofabrieken
• Mens diende zich aan te passen aan de machine, aan de organisatie
• Hield geen rekening met sociale relaties, kwaliteit van het werk,
medewerkerstevredenheid
• Basisloon
• Machines en massaconsumptie
• de auto wordt betaalbaar
• mens is verlengstuk van machine
• Gevaarlijk: Als iemand elke dag het zelfde doet kan hij daar belast door geraken.
3. Human relations-beweging
• Elton Mayo:
• Hawthorne-experimenten:
• Aandacht voor mensen loont
, Hawthorne-effect: de verbetering van de prestatie wordt niet veroorzaakt door de
experimentele manipulaties, maar door de extra aandacht die aan de medewerkers
besteed wordt.
Onderzoek fabriek licht feler maken-> productiever.
Meer dimming-> ook productiever, Het gaat op het feit dat ze aandacht kregen.
• Homo sociologicus:
• mens reageert niet alleen op financiële prikkels maar ook op grond van
sociale normen en regels
• belang van sociale relaties in ondernemingen
• leiderschapscursussen: de leider dient informele normen en waarden af te
stemmen op de ondernemingsdoelstellingen
• communicatietrainingen, groepstrainingen, …
4. Revisionisme
• = auteurs die zich afzetten tegen scientific management en human relations
beweging
• Aandacht voor schrale arbeidsinhoud
Bijvoorbeeld Herzberg en Maslow: de mens is op zoek naar zelfontplooiing en
zelfverwezenlijking
• Hedendaagse denken:
• Medewerkers zijn belangrijke activa van de organisatie (human resources)
human resource management (HRM)
• Organisaties zijn open systemen in nauwe relatie met de omgeving
• Optimale stijl van leiddinggeven is afhankelijk van de omstandigheden (zie
MW2)
• Optimale organisatiestructuur is afhankelijk van de omstandigheden
Maatschappelijke ontwikkelingen
1. Industrialisering – rond de eeuwwisseling
werknemer volgt slaafs de instructies en heeft geen eigen mening
2. Scientific management, taylorisme – WO I
werknemers heeft vooral rationeel – economische motieven
toenemende technologisering – WO II
3. rationalisering en humanisering; Mayo, Hawthorne – vanaf 1960
Werknemers hebben ook sociale behoeften
4. Revisionisme; Herzberg (MW2), Maslow (behoeftepiramide)
Werknemers willen ook iets opsteken van het werk, willen zich ontwikkelen en
bijleren
Werkcollege 3
• A&O en de link met de theoretische disciplines
• A&O binnen de psychologische tradities
• Gevolgen van veranderingen op A&O
Human relations: wisselwerking tussen individuelen, groepen en organistaties.
Afbakening Arbeids- en Organisatiepsychologie
A&O: inhoud van het vakgebied
• Gedragingen, emoties en cognities van mensen in een “werk” setting
• Zowel individueel als in groep
• Niet over ziektebeelden, pathologieën (klinische psy); wel “gewone” mens in
dagdagelijkse leven op het werk
• Gedrag in organisaties verklaren én voorspellen
Betekenis van werk vandaag
• Werken = leveren van prestatie
• Werk = zingever
• Meer dan enkel financiële motieven, o.a. identiteit, macht, sociaal
contact
• Werknemers willen (voor iedereen anders!):
• Goede vakantieregeling /werktijden, interessante functie,
doorgroeimogelijkheden, loon, …
Definities:
Verzuim: het niet aanwezig zijn op het werk door ziekte of andere omstandigheden,
al dan niet tijdelijk.
Werkdruk: De hoeveelheid werk die iemand in een bepaalde tijd moet uitvoeren en
de daarbij ervaren stress.
Contract onbepaalde duur: Een arbeidsovereenkomst waarbij de wekgever en
werknemer een langdurige samenwerking aangaan.
Autonomie: De vrijheid die een werknemer heeft om zelf beslissingen te nemen over
hoe het werk wordt uitgevoerd.
Duurzaam werk: Werk dat fysiek, mentaal en sociaal haalbaar blijft voor de
werknemer op lange termijn.
Arbeid: Het verrichten van lichamelijke of geestelijke inspanning om goederen of
diensten te produceren, in ruil voor iets anders.
Psychologisch consulent: De gedeelde waarden, normen en gedragingen die
bepalen hoe mensen samenwerken.
Arbeidsmarkt: Het geheel van vraag en aanbod van arbeid.
Selectieproces: Het geheel van stappen die een organisatie doorloopt om een
nieuwe werknemer aan te werven.
Organisatiecultuur: De ongeschreven verwachtingen tussen een werknemer en
een werkgever.
Loopbaanontwikkeling: Het proces waarin een werknemer groeit in kennis,
vaardigheden en functies gedurende haar carrière.
Leiderschap: Het vermogen om een groep mensen te inspireren en te sturen om
bepaalde doelen te bereiken.
Loon: De financiële vergoeding die een werknemer ontvangt voor het verrichten van
arbeid.
,Introductie: Attitude profiel
Herhaling
Werkcollege 2
Historiek Overzicht:
1. Adam smith
2. Scientific management -> -taylor
-ford
3. Human realtions beweging (Elton Mayo)
4. revisionisme
Voorgeschiedenis
• Adam Smith (1723-1790):
• Filosoof
• Grondlegger van de hedendaagse economie
• boek: The wealth of nations:
• Gehele taak in deeltaken verdelen (iedere medewerker één deeltaak)
• Comparatieve voordelen (= voordelen door specialisatie)
, ‘doe alleen hetgeen waar je goed in bent, de rest niet. Op deze wijze
wordt de welvaart maximaal’
2. Scientific management
• Frederick Taylor (1856-1915):
• Ingenieur
• Wetenschappelijke bedrijfsvoering (De werkmethode moet op
wetenschappelijke principe)
• The principles of scientific management:
• Productie efficiënter maken
• Aandacht van technologie naar de werknemers
o Tijds- en bewegingsstudies
o Medewerkers zijn van nature lui: prestatieloon
• Horizontale en verticale arbeidsdeling
Horizontale arbeidsdeling, rollen worden verdeeld
Verticaal, iemand is de leider
• Selectie van medewerkers
• Interindividuele verschillen: (tussen verschillende mensen) iemand is bv sterker
voor die taak
• Intra-individuele verschillen: (binnen één persoon) plaatsing van de medewerker,
waar het best?
• Homo economicus:
• MWs willen zoveel mogelijk verdienen,
• Zo weinig mogelijk doen
• Graag geleid worden door anderen
• Henry Ford: veel deeltaken
• Lopende band in autofabrieken
• Mens diende zich aan te passen aan de machine, aan de organisatie
• Hield geen rekening met sociale relaties, kwaliteit van het werk,
medewerkerstevredenheid
• Basisloon
• Machines en massaconsumptie
• de auto wordt betaalbaar
• mens is verlengstuk van machine
• Gevaarlijk: Als iemand elke dag het zelfde doet kan hij daar belast door geraken.
3. Human relations-beweging
• Elton Mayo:
• Hawthorne-experimenten:
• Aandacht voor mensen loont
, Hawthorne-effect: de verbetering van de prestatie wordt niet veroorzaakt door de
experimentele manipulaties, maar door de extra aandacht die aan de medewerkers
besteed wordt.
Onderzoek fabriek licht feler maken-> productiever.
Meer dimming-> ook productiever, Het gaat op het feit dat ze aandacht kregen.
• Homo sociologicus:
• mens reageert niet alleen op financiële prikkels maar ook op grond van
sociale normen en regels
• belang van sociale relaties in ondernemingen
• leiderschapscursussen: de leider dient informele normen en waarden af te
stemmen op de ondernemingsdoelstellingen
• communicatietrainingen, groepstrainingen, …
4. Revisionisme
• = auteurs die zich afzetten tegen scientific management en human relations
beweging
• Aandacht voor schrale arbeidsinhoud
Bijvoorbeeld Herzberg en Maslow: de mens is op zoek naar zelfontplooiing en
zelfverwezenlijking
• Hedendaagse denken:
• Medewerkers zijn belangrijke activa van de organisatie (human resources)
human resource management (HRM)
• Organisaties zijn open systemen in nauwe relatie met de omgeving
• Optimale stijl van leiddinggeven is afhankelijk van de omstandigheden (zie
MW2)
• Optimale organisatiestructuur is afhankelijk van de omstandigheden
Maatschappelijke ontwikkelingen
1. Industrialisering – rond de eeuwwisseling
werknemer volgt slaafs de instructies en heeft geen eigen mening
2. Scientific management, taylorisme – WO I
werknemers heeft vooral rationeel – economische motieven
toenemende technologisering – WO II
3. rationalisering en humanisering; Mayo, Hawthorne – vanaf 1960
Werknemers hebben ook sociale behoeften
4. Revisionisme; Herzberg (MW2), Maslow (behoeftepiramide)
Werknemers willen ook iets opsteken van het werk, willen zich ontwikkelen en
bijleren
Werkcollege 3
• A&O en de link met de theoretische disciplines
• A&O binnen de psychologische tradities
• Gevolgen van veranderingen op A&O
Human relations: wisselwerking tussen individuelen, groepen en organistaties.