Boek: Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht
Week 1
Strafrecht = houdt zich bezig met het bestraffen van personen die een strafbaar
feit hebben gepleegd
Civiel recht = recht tussen burgers onderling
Officier van justitie (OVJ)
Kan verdachte van een strafbaar feit voor de (straf)rechter brengen
Vertegenwoordiger van het OM
Soorten dagvaardingen
- Civielrechtelijk: van burger naar burger om een civielrechtelijk geschil uit
te vechten ten overstaan van de burgerlijke rechter
- Strafrechtelijk: worden verzonden door een OVJ om een verdachte
terecht te laten staan voor de strafrechter
Eigenrichting = het recht in eigen hand nemen
Om fysieke en mentale schade te verhalen moet je een advocaat aanschaffen.
Deze zal de verdachte dagvaarden voor de rechter. Of schadevergoeding via
strafrechter.
2 doelen van opleggen straf:
- Vergelding (straffen)
- Preventie (voorkomen)
2 soorten preventie:
Speciaal: voorkomen dat iemand opnieuw een fout begaat
Generaal: bedoeld om anderen af te schrikken van het plegen van
misdaden
Strafrecht onderverdeeld
1. Materiaal strafrecht (WvSr)
Bepaald welk gedrag niet toegestaan is en welke personen daarvoor
kunnen worden gestraft
2. Formeel strafrecht (WvSv)
Bepaald welke regels moeten worden gevolgd wanneer een norm van het
materiële strafrecht is overtreden
3. Sanctierecht
Voorwaarden waaronder bepaalde straffen mogen worden opgelegd en ten
uitvoer gelegd
Wet in formele zin
- Door regering en SG
- Zegt niets over de inhoud
Wet in materiële zin
- Bevat algemene regels die burgers binden
,Commune strafrecht = wetten waarin het algemene deel van het strafrecht en
het strafprocesrecht is opgenomen.
Bijzondere strafwetten:
- Wegenverkeerswet 1994
- Wet wapens en munitie
- Opiumwet
Supranationaal rechtelijke regels:
- Regels die een internationale organisatie oplegt waar de lidstaten bij die
organisatie zich aan moeten houden
- Uitspraken EHRM
Materiële strafrecht = bepaald welk gedrag strafbaar is
Strafbepaling bestaat uit:
- Delictsomschrijving geeft aan welke ongewenste gedraging de
wetgever strafbaar heeft willen stellen
- Kwalificatie-aanduiding maakt duidelijk hoe het gedrag in juridisch
opzicht moeten worden benoemd
- Strafbedreiging bepaald welk soort straf mag worden opgelegd +
maximum
4 componenten strafbaar feit:
1. Menselijke gedraging Rood = element
2. Wettelijke delictsomschrijving
3. Wederrechtelijkheid Blauw = bestanddeel (=
4. Schuld als verwijtbaarheid onderdelen waaruit een DO is
opgebouwd)
Menselijke gedraging
- Natuurlijke personen en rechtspersonen
- Iets wat gedaan wordt
- Tenlastelegging = processtuk waarin staat welke gedraging de verdachte
zou hebben verricht
Wettelijke delictsomschrijving = gedragingen zijn strafbaar als ze in de
strafwet zijn terug te vinden
Kwalificatie = de rechter beslist op welke strafbaar feit het bewezenverklaarde
volgens de wet oplevert
Wederrechtelijkheid = In strijd met het recht
Schuld = Verwijtbaarheid
Legaliteitsbeginsel = strafbepalingen moeten terug te vinden zijn in het
geschreven recht
! Bij alle delicten waarbij wederrechtelijkheid in de delictsomschrijving voorkomt,
is de wederrechtelijkheid geen element maar een bestanddeel.
, Strafbare feiten
- Misdrijven
Ernstig, tweede boek Sr
- Overtredingen
Minder ernstig, derde boek Sr
3 redenen belang onderscheidt
- Welk soort rechter is bevoegd
- Poging en medeplichtigheid wel/niet strafbaar
- Voor toepassing van dwangmiddelen
Formele delicten zijn een handeling, een specifiek omschreven activiteit (is
strafbaar). Voorbeelden:
- Het wegenemen van een goed (diefstal)
- Meer dan 40km/u te hard rijden (snelheidsovertreding)
- Het invoeren van cocaïne (Opiumwet)
- Het dragen van een vuurwapen (Wet wapens en munitie)
Materiële delicten heeft de wetgever niet een handeling strafbaar gesteld, maar
het veroorzaken van een gevolg gevolgsdelict
Delict kan ontstaan door:
- Doen of handelen = commissiedelict
- Nalaten = omissiedelict
Verschillende leerstukken:
1. Causaliteit = leer van oorzaak en gevolg
2. Conditio sine qua non = een handeling is oorzaak als zonder die
handeling het gevolg niet was ingetreden
3. Causa-proximaleer = alleen de meeste directe oorzaak telt juridisch als
oorzaak
4. Voorzienbaarheidsleer = alleen gevolgen die voorzienbaar waren op het
moment van handelen wordt toegerekend
Culpoos = niet opzettelijk, onvoorzichtelijk handelen
Opzettelijk handelen = willens en wetens handelen
Graden van opzet:
a. Opzet met bedoeling
b. Voorwaardelijk opzet/opzet met mogelijkheidsbewustzijn
c. Opzet met noodzakelijkheidsbewustzijn
Schuld als element = verwijtbaarheid
Strafbaar feit = een menselijke gedraging die binnen de grenzen van een
wettelijke delictsomschrijving, die wederrechtelijk is en aan schuld te wijten
Verwijtbaarheid = van de dader kon in redelijkheid worden gevergd dat hij zich
anders gedroeg dan hij deed
Schuld als bestanddeel = culpa