Hoorcolleges
, Week 1
Uitgangspunten van het strafprocesrecht
Doelstellingen en karakter
De hoofddoelstelling is het verzekeren van de juiste toepassing van het materiële strafrecht. De eerste
pijler hiervoor is het streven om de échte waarheid te vinden (art. 348 en 350 Sv). De waarheid kan echter
nooit met zekerheid worden vastgesteld, er bestaat dus altijd het risico op een onjuiste toepassing van het
materiële strafrecht, dit kan niet worden uitgesloten. Er moet steeds een balans worden gevonden tussen
wetshandhaving en rechtsbescherming.
- Wetshandhaving = bevorderen bestraffing schuldigen
- Rechtsbescherming = voorkomen bestraffing onschuldigen
Principiële asymmetrie = we vinden het minder erg als een schuldig persoon vrijuit gaat, dan als een
onschuldig iemand vast komt te zitten. Dat is ook terug te zien in bepaalde regels, zoals de
bewijsminimumregel, hieruit volgt dat 1 bewijsstuk niet voldoende is om een persoon te veroordelen. Dus
ook 1 geloofwaardige verklaring van een getuige mag niet tot een veroordeling leiden.
Voordat een rechter een sanctie kan opleggen, moet hij de vragen uit art. 348 en 350 Sv beantwoorden.
Het doel is dus wederom om de waarheid te vinden, en daaraan een juiste sanctie te verbinden. Er zijn
verschillende waarborgen die dit willen bewerkstelligen, zoals het pressieverbod. De tenlastelegging
werkt beperkend, deze bepaalt namelijk de grenzen van de rechtsstrijd. De rechter moet dit als
uitgangspunt nemen, hij moet zich afvragen of dat specifieke strafbare feit is begaan door de verdachte.
De tweede pijler is de rechtsbescherming: de eerbiediging van de rechten en vrijheden van burgers,
hieronder vallen ook verdachten, slachtoffers en andere betrokkenen. Een voorbeeld hiervan is art. 6
EVRM, het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter, en tot een eerlijk proces, waarbij de verdachte
in een strafzaak het recht heeft op juridische bijstand.
Het slachtoffer heeft pas in de afgelopen 20/30 jaar een grotere rol gekregen in het strafproces.
Een belangrijke invloed van het EVRM is het recht op aanwezigheid van een raadsman bij een
politieverhoor (Salduz arrest, 2008). Vooraf aan het eerste verhoor mag de verdachte met een advocaat
spreken, en sinds (redelijk) kort het recht op een advocaat tijdens het verhoor. Een tweede belangrijk
voorbeeld is het ondervragingsrecht van een getuige door de verdachte (via de advocaat). Door jarenlange
jurisprudentie is te zien dat de Nederlandse praktijk terughoudend is ingericht. In 2021 werd het Keskin
arrest gewezen, waaruit dit ook weer bleek.
Binnen de EU is nu de mogelijkheid om middels Richtlijnen het strafproces te harmoniseren, om ervoor te
zorgen dat verdachten en slachtoffers in alle lidstaten dezelfde basisrechten hebben. Binnen de EU is ook
een vervolgingsorgaan inmiddels, dat moet dan wel zien op EU-belangen, maar het is toch wel een breuk
met de soevereiniteitsgedachte van de lidstaten. Er zijn bijvoorbeeld richtlijnen over het recht op de
aanwezigheid van een raadsman tijdens het politieverhoor, en over slachtofferrechten.
Eind 2024 heeft het Europese Hof een arrest gewezen over het onderzoek aan smartphones door de politie
in Nederland. In 2025 heeft de Hoge Raad dit vertaald naar het Nederlandse proces, dat arrest is dus ook
voorgeschreven.
,Karakter van het strafprocesrecht
Accusatoir procesmodel = het gaat over een "partijenproces"
Inquisitoir procesmodel = een actieve overheid gaat actief op zoek naar de waarheid (continentaal)
In de meeste landen geldt een soort middenvorm, een puur accusatoir of inquisitoir systeem is niet echt te
vinden. In de VS geldt wel echt een accusatoir model, het is echt de aanklager tegenover de verdediging,
ten overstaan van een passieve jury. De rechter is enkel “scheidsrechter”. In beide modellen wordt
gestreefd om de waarheid te vinden, maar de manier waarop verschilt.
Het Nederlandse proces is een “contradictoir proces op inquisitoire leest geschoeid”. Hieronder vallen
ruime opsporingsmogelijkheden door autoriteiten, een actieve rechter, de verdachte als een volwaardige
procespartij (tegenspraak door verdachte).
Legaliteitsbeginsel
Het beginsel dat rechtszekerheid en rechtseenheid waarborgt: de burger moet het overheidshandelen
enigszins kunnen voorspellen, en de overheidsambtenaren moeten zelf ook weten wat ze wel en niet
mogen, en wanneer. Dit is geregeld in art. 1 Sv: “strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet
voorzien.”
De drie functies:
1. Bevorderen rechtseenheid
2. Waarborgfunctie (voorkomen willekeur / machtsmisbruik)
3. Democratische legitimatie
, Week 2
Politieverhoor en voorarrest
Ophouden voor onderzoek
Art. 56a Sv – dit geldt voor de aangehouden verdachte. Deze mag maximaal 9 uur worden vastgehouden
bij een VH-feit, en 6 uur bij een niet-VH-feit (de periode tussen middernacht en 9 uur ‘s ochtends telt niet
mee). Het doel hiervan is het verrichten van het eerste onderzoek, zoals het identificeren van de verdachte
en het verhoren.
Na het ophouden voor onderzoek kan de verdachte langer worden vastgehouden, door middel van een
inverzekeringstelling (art. 57-62 Sv), dit kan wel alleen wanneer hij verdacht wordt van een VH-feit. Dit
gebeurt door de hulpofficier van justitie. Inverzekeringstelling kan alleen in het belang van het onderzoek.
De termijn is maximaal 3 dagen, met hooguit 1 verlenging van wederom 3 dagen (art. 58 lid 2 Sv), dus
uiteindelijk is dat maximaal 6 dagen.
Binnen deze 6 dagen is de voorgeleiding bij de rechter-commissaris (art. 59a Sv). Deze vindt plaats als
de officier van justitie wil dat de verdachte langer vast blijft zitten, dus na de inverzekeringstelling. De OvJ
vordert dan een bevel tot bewaring, daarin legt hij uit waarom de verdachte langer vast zou moeten blijven
zitten. De voorgeleiding moet binnen 3 dagen en 18 uur na de aanhouding. Als de rechter de vordering
tot bewaring toewijst, begint de voorlopige hechtenis.
- De inverzekeringstelling kan ook onrechtmatig worden geacht, de rechter-commissaris beveelt dan
de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte (59a lid 5 Sv).
Voorlopige hechtenis – mensenrechtenkader
- Onschuldpresumptie, art. 6 lid 2 EVRM en 14 lid 2 IVBPR
- Recht op vrijheid (art. 5 EVRM)
- Ultimum remedium: dit heeft te maken met subsidiariteitsbeginsel. Men is verplicht om naar andere
alternatieven te kijken voordat de voorlopige hechtenis wordt bevolen.
- Motiveringsplicht van de voorlopige hechtenis
, Week 1
Uitgangspunten van het strafprocesrecht
Doelstellingen en karakter
De hoofddoelstelling is het verzekeren van de juiste toepassing van het materiële strafrecht. De eerste
pijler hiervoor is het streven om de échte waarheid te vinden (art. 348 en 350 Sv). De waarheid kan echter
nooit met zekerheid worden vastgesteld, er bestaat dus altijd het risico op een onjuiste toepassing van het
materiële strafrecht, dit kan niet worden uitgesloten. Er moet steeds een balans worden gevonden tussen
wetshandhaving en rechtsbescherming.
- Wetshandhaving = bevorderen bestraffing schuldigen
- Rechtsbescherming = voorkomen bestraffing onschuldigen
Principiële asymmetrie = we vinden het minder erg als een schuldig persoon vrijuit gaat, dan als een
onschuldig iemand vast komt te zitten. Dat is ook terug te zien in bepaalde regels, zoals de
bewijsminimumregel, hieruit volgt dat 1 bewijsstuk niet voldoende is om een persoon te veroordelen. Dus
ook 1 geloofwaardige verklaring van een getuige mag niet tot een veroordeling leiden.
Voordat een rechter een sanctie kan opleggen, moet hij de vragen uit art. 348 en 350 Sv beantwoorden.
Het doel is dus wederom om de waarheid te vinden, en daaraan een juiste sanctie te verbinden. Er zijn
verschillende waarborgen die dit willen bewerkstelligen, zoals het pressieverbod. De tenlastelegging
werkt beperkend, deze bepaalt namelijk de grenzen van de rechtsstrijd. De rechter moet dit als
uitgangspunt nemen, hij moet zich afvragen of dat specifieke strafbare feit is begaan door de verdachte.
De tweede pijler is de rechtsbescherming: de eerbiediging van de rechten en vrijheden van burgers,
hieronder vallen ook verdachten, slachtoffers en andere betrokkenen. Een voorbeeld hiervan is art. 6
EVRM, het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter, en tot een eerlijk proces, waarbij de verdachte
in een strafzaak het recht heeft op juridische bijstand.
Het slachtoffer heeft pas in de afgelopen 20/30 jaar een grotere rol gekregen in het strafproces.
Een belangrijke invloed van het EVRM is het recht op aanwezigheid van een raadsman bij een
politieverhoor (Salduz arrest, 2008). Vooraf aan het eerste verhoor mag de verdachte met een advocaat
spreken, en sinds (redelijk) kort het recht op een advocaat tijdens het verhoor. Een tweede belangrijk
voorbeeld is het ondervragingsrecht van een getuige door de verdachte (via de advocaat). Door jarenlange
jurisprudentie is te zien dat de Nederlandse praktijk terughoudend is ingericht. In 2021 werd het Keskin
arrest gewezen, waaruit dit ook weer bleek.
Binnen de EU is nu de mogelijkheid om middels Richtlijnen het strafproces te harmoniseren, om ervoor te
zorgen dat verdachten en slachtoffers in alle lidstaten dezelfde basisrechten hebben. Binnen de EU is ook
een vervolgingsorgaan inmiddels, dat moet dan wel zien op EU-belangen, maar het is toch wel een breuk
met de soevereiniteitsgedachte van de lidstaten. Er zijn bijvoorbeeld richtlijnen over het recht op de
aanwezigheid van een raadsman tijdens het politieverhoor, en over slachtofferrechten.
Eind 2024 heeft het Europese Hof een arrest gewezen over het onderzoek aan smartphones door de politie
in Nederland. In 2025 heeft de Hoge Raad dit vertaald naar het Nederlandse proces, dat arrest is dus ook
voorgeschreven.
,Karakter van het strafprocesrecht
Accusatoir procesmodel = het gaat over een "partijenproces"
Inquisitoir procesmodel = een actieve overheid gaat actief op zoek naar de waarheid (continentaal)
In de meeste landen geldt een soort middenvorm, een puur accusatoir of inquisitoir systeem is niet echt te
vinden. In de VS geldt wel echt een accusatoir model, het is echt de aanklager tegenover de verdediging,
ten overstaan van een passieve jury. De rechter is enkel “scheidsrechter”. In beide modellen wordt
gestreefd om de waarheid te vinden, maar de manier waarop verschilt.
Het Nederlandse proces is een “contradictoir proces op inquisitoire leest geschoeid”. Hieronder vallen
ruime opsporingsmogelijkheden door autoriteiten, een actieve rechter, de verdachte als een volwaardige
procespartij (tegenspraak door verdachte).
Legaliteitsbeginsel
Het beginsel dat rechtszekerheid en rechtseenheid waarborgt: de burger moet het overheidshandelen
enigszins kunnen voorspellen, en de overheidsambtenaren moeten zelf ook weten wat ze wel en niet
mogen, en wanneer. Dit is geregeld in art. 1 Sv: “strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet
voorzien.”
De drie functies:
1. Bevorderen rechtseenheid
2. Waarborgfunctie (voorkomen willekeur / machtsmisbruik)
3. Democratische legitimatie
, Week 2
Politieverhoor en voorarrest
Ophouden voor onderzoek
Art. 56a Sv – dit geldt voor de aangehouden verdachte. Deze mag maximaal 9 uur worden vastgehouden
bij een VH-feit, en 6 uur bij een niet-VH-feit (de periode tussen middernacht en 9 uur ‘s ochtends telt niet
mee). Het doel hiervan is het verrichten van het eerste onderzoek, zoals het identificeren van de verdachte
en het verhoren.
Na het ophouden voor onderzoek kan de verdachte langer worden vastgehouden, door middel van een
inverzekeringstelling (art. 57-62 Sv), dit kan wel alleen wanneer hij verdacht wordt van een VH-feit. Dit
gebeurt door de hulpofficier van justitie. Inverzekeringstelling kan alleen in het belang van het onderzoek.
De termijn is maximaal 3 dagen, met hooguit 1 verlenging van wederom 3 dagen (art. 58 lid 2 Sv), dus
uiteindelijk is dat maximaal 6 dagen.
Binnen deze 6 dagen is de voorgeleiding bij de rechter-commissaris (art. 59a Sv). Deze vindt plaats als
de officier van justitie wil dat de verdachte langer vast blijft zitten, dus na de inverzekeringstelling. De OvJ
vordert dan een bevel tot bewaring, daarin legt hij uit waarom de verdachte langer vast zou moeten blijven
zitten. De voorgeleiding moet binnen 3 dagen en 18 uur na de aanhouding. Als de rechter de vordering
tot bewaring toewijst, begint de voorlopige hechtenis.
- De inverzekeringstelling kan ook onrechtmatig worden geacht, de rechter-commissaris beveelt dan
de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte (59a lid 5 Sv).
Voorlopige hechtenis – mensenrechtenkader
- Onschuldpresumptie, art. 6 lid 2 EVRM en 14 lid 2 IVBPR
- Recht op vrijheid (art. 5 EVRM)
- Ultimum remedium: dit heeft te maken met subsidiariteitsbeginsel. Men is verplicht om naar andere
alternatieven te kijken voordat de voorlopige hechtenis wordt bevolen.
- Motiveringsplicht van de voorlopige hechtenis