1. Deze uitspraak betreft een uitspraak van de rechtbank Breda omtrent het besluit van het
college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Tilburg om de bezwaren van
stichting Anti Dierproeven Coalitie en de Stichting Een Dier een Vriend tegen de tijdelijke
huisvesting van apen op het terrein van een B.V. niet-ontvankelijk te verklaren.
Bij primair besluit heeft het college van burgemeesters en wethouders het verzoek van de
twee stichtingen om handhavend op te treden afgewezen. In deze annotatie zal ik ingaan op
het besluit van 2 mei 2011, waarbij het college van burgemeesters en wethouders het
bezwaar van de stichtingen tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In r.o. 3.2 wordt duidelijk dat de rechtbank van oordeel is dat het college de Stichting ‘Een
Dier een Vriend’ ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt in de zin van 1:2
Algemene wet bestuursrecht. Het college was van mening dat stichting ‘Een Dier een Vriend’
een te veel omvattend en onvoldoende onderscheidend belang heeft, waardoor het niet als
belanghebbende aangemerkt kon worden. Deze uitspraak illustreert het element van het
persoonlijk belang binnen het belanghebbende begrip.
3. Hoewel het college beweerde dat de stichting een onvoldoende onderscheidend belang
heeft, de stichting hierdoor geen belanghebbende is (in de zin van 1:2 Algemene wet
bestuursrecht) en daardoor geen aanvraag als bedoeld in 1:3 lid 3 Algemene wet
bestuursrecht kan doen, oordeelde de rechter hier in r.o. 3.2 anders over. De rechter begint
namelijk te stellen in r.o. 3 dat voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als
bedoeld in artikel 1:2, derde lid Algemene wet bestuursrecht, het volgens vaste
jurisprudentie bepalend is of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en
blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken
algemeen of collectief belang behartigt. In r.o. 3.2 laat de rechtbank vervolgens weten dat de
statutaire doelstelling voldoende onderscheidend werkt en dat daarom de stichting ‘Een Dier
een Vriend’ wel als belanghebbende bij het genomen besluit had moeten worden
aangemerkt omdat een diervriendelijke levenswijze en de handel in dieren onderdeel
uitmaakt van de statutaire doelstellingen en activiteiten van de stichting.
4. Wanneer is een rechtspersoon aan te merken als een belanghebbende? Hierbij is belangrijk
te stellen dat wanneer het gaat om een behartiging van eigen belang van de stichting, wij
gaan kijken in lid 1 van artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht. Dit lid vertelt ons dat dit
degene is wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.1
Volgens Schlössels & Zijlstra volgen hier vijf cumulatieve vereisten uit voort:
objectief bepaalbaar (1), persoonlijk belang (2), eigen belang (3), rechtstreeks belang (4) en
actueel belang (5). 2 Hetgeen wordt aangevoerd door het college, moet worden gekoppeld
aan het element van het ‘persoonlijk belang’. Hieronder wordt verstaan: het belang dat
iemand heeft, dat moet zich voldoende onderscheiden van die van een ander.3
1
Artikel 2, eerste lid van Hoofdstuk 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2
R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Deventer: Wolters Kluwer
2017, p. 125.
3
R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Deventer: Wolters Kluwer
2017, p. 131.
1
college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Tilburg om de bezwaren van
stichting Anti Dierproeven Coalitie en de Stichting Een Dier een Vriend tegen de tijdelijke
huisvesting van apen op het terrein van een B.V. niet-ontvankelijk te verklaren.
Bij primair besluit heeft het college van burgemeesters en wethouders het verzoek van de
twee stichtingen om handhavend op te treden afgewezen. In deze annotatie zal ik ingaan op
het besluit van 2 mei 2011, waarbij het college van burgemeesters en wethouders het
bezwaar van de stichtingen tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In r.o. 3.2 wordt duidelijk dat de rechtbank van oordeel is dat het college de Stichting ‘Een
Dier een Vriend’ ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt in de zin van 1:2
Algemene wet bestuursrecht. Het college was van mening dat stichting ‘Een Dier een Vriend’
een te veel omvattend en onvoldoende onderscheidend belang heeft, waardoor het niet als
belanghebbende aangemerkt kon worden. Deze uitspraak illustreert het element van het
persoonlijk belang binnen het belanghebbende begrip.
3. Hoewel het college beweerde dat de stichting een onvoldoende onderscheidend belang
heeft, de stichting hierdoor geen belanghebbende is (in de zin van 1:2 Algemene wet
bestuursrecht) en daardoor geen aanvraag als bedoeld in 1:3 lid 3 Algemene wet
bestuursrecht kan doen, oordeelde de rechter hier in r.o. 3.2 anders over. De rechter begint
namelijk te stellen in r.o. 3 dat voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als
bedoeld in artikel 1:2, derde lid Algemene wet bestuursrecht, het volgens vaste
jurisprudentie bepalend is of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en
blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken
algemeen of collectief belang behartigt. In r.o. 3.2 laat de rechtbank vervolgens weten dat de
statutaire doelstelling voldoende onderscheidend werkt en dat daarom de stichting ‘Een Dier
een Vriend’ wel als belanghebbende bij het genomen besluit had moeten worden
aangemerkt omdat een diervriendelijke levenswijze en de handel in dieren onderdeel
uitmaakt van de statutaire doelstellingen en activiteiten van de stichting.
4. Wanneer is een rechtspersoon aan te merken als een belanghebbende? Hierbij is belangrijk
te stellen dat wanneer het gaat om een behartiging van eigen belang van de stichting, wij
gaan kijken in lid 1 van artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht. Dit lid vertelt ons dat dit
degene is wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.1
Volgens Schlössels & Zijlstra volgen hier vijf cumulatieve vereisten uit voort:
objectief bepaalbaar (1), persoonlijk belang (2), eigen belang (3), rechtstreeks belang (4) en
actueel belang (5). 2 Hetgeen wordt aangevoerd door het college, moet worden gekoppeld
aan het element van het ‘persoonlijk belang’. Hieronder wordt verstaan: het belang dat
iemand heeft, dat moet zich voldoende onderscheiden van die van een ander.3
1
Artikel 2, eerste lid van Hoofdstuk 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2
R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Deventer: Wolters Kluwer
2017, p. 125.
3
R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Deventer: Wolters Kluwer
2017, p. 131.
1