HC – visuele systeem p1
Anatomie van het visuele systeem
Hersenzenuwen betrekken bij visus: II, III, IV, VI, V1, VII
We vergelijken het oog met een camera, beide hebben een:
• Lens
• Diafragma; iris = regelt hoeveel licht op het oog valt
• Receptor oppervlak; retina
• Omgekeerd beeld
Visuele systeem
• Optische component:
o Zichzelf schoonmaken
o Zeer goede lens
o Autofocus = scherpstellen ogen
o Auto tracking = volgen wat er in wereld gebeurt
o Steadycam = ook bij springen kunnen zien
o Brede dynamische range = ook bij heel weinig/veel licht goed zien
• Neurale component: achter de ogen zit het CNS (brein)
o Autofocus
o Auto tracking
o Steadycam
o Brede dynamische range
Neurale component
Thalamus: corpus geniculatum laterale = onderdeel thalamus waar visuele informatie binnenkomt
Cerebrum: primaire (en 70 andere) visuele cortexen = rond sulcus calcarinus
Hoe verder in visuele schors, hoe complexer analyse van gevormde beeld
Hersenstam:
• Colliculus superior/pretectum = compensatiemechanisme – als we bewegen beeld constant
Ondersteuning van: occulomotor kernen (oogbewegingen), vestibulaire kernen,
proprioceptieve systeem (wat nek & lichaam doet)
Oogbol
1. Sclera = taaie, buitenste bindweefsellaag
2. Choroidea = vaatvlies; oxygenatie retina
3. Retina = binnenste laag; gevoelige laag
à hele oog is uitstulping diencephalon à alles CZS, behalve voorste gedeelten
Voorste deel oog:
• Lens met systeem om bolling lens te veranderen
• Achterste oogkamer
• Iris
• Voorste oogkamer
• Cornea: doorzichtig, ondanks bloedvaten & zenuwen
Ora serrata = voorste einde van de retina, omdat hier geen licht kan komen
à N. II met centraal de a. & v. centralis retina
,2 assen
• Optische-as = voor-achterwaarts
• Visuele as = kijkrichting oog, eindigt in fovea (macula lutea/gele vlek) = naast n. II
o Temporale retina = lateraal van fovea
o Nasale retina = mediaal van fovea
Visuele veld
Gezichtsveld = wat elk oog van de buitenwereld ziet
De visuele assen convergeren tov optische-as à overlap gezichtsveld L & R oog à diepte
• Centrale zien: fovea
• Perifere zien
Binoculair = deel dat overlapt
Monoculair = deel dat niet overlapt
à nasaal boven/onderkwadrant & temporaal boven/onderkwadrant
Linker BEELD (groen/blauw 1) à rechter hemisfeer (groen/blauw 2)
Retina
• Distorsie = boven à onder & links à rechts, bv linksboven à rechtsonder op retina
• Projectie op bol oppervlak à vertekend beeld – hoe verder naar periferie, hoe meer vertekend
Blinde vlek = geen staafjes en kegeltjes waar n. II uittreedt à L & R andere plek à compensatie,
maar ook als je 1 oog dicht doet is er compensatie
Testen
Funduscopie = met oogspiegel & lichtbron in oog patiënt kijken, om retina waar te nemen
Uit de blinde vlek lopen retinale bloedvaten over retina langs naar buiten – tussen licht & retina à
zouden schaduw moeten geven, maar doen ze niet.
Lichtreceptoren: staafjes & kegeltjes
• Staafjes = hoog sensitief & alleen zwart/wit – overal retina behalve macula lutea
o Sterke convergentie à sensitiviteit groter & scherpte lager
• Kegeltjes = minder sensitief & blauw, groen & rood – in macula lutea
Periferie: sensor : ganglioncellen = groot – gevoelig/niet nauwkeurig of scherp (waar info vandaan)
Centraal: sensor : ganglioncellen = 1 : 1 – scherpst/nauwkeurigst (macula lutea)
- Betekent niet: 1 sensor verbonden met 1 neuron – conver/divergentie & laterale inhibitie
, Sensatie vs perceptie
Sensatie = omgekeerd gebold beeld, met in het midden kleur & scherp + blinde vlek + bloedvaten
Perceptie = volledig normaal beeld
HC – visuele systeem p2
Oogbewegingen
Geconjugeerde oogbewegingen = beide ogen maken dezelfde beweging, zichtbaar bij:
• Stabilisatiebewegingen bv vestibulo-oculaire reflex & optokinetische reflex (reflex/niet bewust)
• Sarccadische oogbewegingen
• Achtervolgingsbewegingen (bewust bal volgen bij voetbal)
Gedisconjugeerde oogbewegingen = ogen maken tegengestelde beweging
• Doel beweegt naar ogen toe of ervanaf
Saccadische oogbewegingen
Saccadische oogbewegingen = geconjugeerde bewegingen, waarmee het beeld wordt afgetast. Er
wordt gefocust op ‘interessante verschijnselen’ en de periferie wordt ingevuld door de cortex.
• Saccades te snel om waar te nemen door observeerder
• Tijdens saccade even blind
Visuele cortex à posterior pariëtale cortex à frontaal oogveld (premotorcortex)
à colliculus superior/pretectum (CPG) à hersenstam à oculumotorische kernen
Receptieve veld
1. Receptor (staafjes/kegeltjes)
à Synapsslaag met convergentie/divergentie/laterale inhibitie met horizontale cellen
2. Bipolaire cel = 1e relay neuron in retina
à Synapsslaag met convergentie/divergentie/laterale inhibitie met amacriene cellen
3. Ganglionaire cel= 2e relay neuron in retina
4. Nervus opticus
5. Thalamische neuron = 3e relay neuron in corpus genticulatum laterale
Staafjes en kegels kijken van het licht weg, hierdoor komt het licht overal langs voordat het op een
pigment zwarte laag van choroidea komt.
Logisch: als ze naar het licht kijken krijgen ze informatie van links, rechts, boven, onder à nu
krijgen ze informatie in 1 richting en zo weten we zeker waar het licht vandaan komt
Anatomie van het visuele systeem
Hersenzenuwen betrekken bij visus: II, III, IV, VI, V1, VII
We vergelijken het oog met een camera, beide hebben een:
• Lens
• Diafragma; iris = regelt hoeveel licht op het oog valt
• Receptor oppervlak; retina
• Omgekeerd beeld
Visuele systeem
• Optische component:
o Zichzelf schoonmaken
o Zeer goede lens
o Autofocus = scherpstellen ogen
o Auto tracking = volgen wat er in wereld gebeurt
o Steadycam = ook bij springen kunnen zien
o Brede dynamische range = ook bij heel weinig/veel licht goed zien
• Neurale component: achter de ogen zit het CNS (brein)
o Autofocus
o Auto tracking
o Steadycam
o Brede dynamische range
Neurale component
Thalamus: corpus geniculatum laterale = onderdeel thalamus waar visuele informatie binnenkomt
Cerebrum: primaire (en 70 andere) visuele cortexen = rond sulcus calcarinus
Hoe verder in visuele schors, hoe complexer analyse van gevormde beeld
Hersenstam:
• Colliculus superior/pretectum = compensatiemechanisme – als we bewegen beeld constant
Ondersteuning van: occulomotor kernen (oogbewegingen), vestibulaire kernen,
proprioceptieve systeem (wat nek & lichaam doet)
Oogbol
1. Sclera = taaie, buitenste bindweefsellaag
2. Choroidea = vaatvlies; oxygenatie retina
3. Retina = binnenste laag; gevoelige laag
à hele oog is uitstulping diencephalon à alles CZS, behalve voorste gedeelten
Voorste deel oog:
• Lens met systeem om bolling lens te veranderen
• Achterste oogkamer
• Iris
• Voorste oogkamer
• Cornea: doorzichtig, ondanks bloedvaten & zenuwen
Ora serrata = voorste einde van de retina, omdat hier geen licht kan komen
à N. II met centraal de a. & v. centralis retina
,2 assen
• Optische-as = voor-achterwaarts
• Visuele as = kijkrichting oog, eindigt in fovea (macula lutea/gele vlek) = naast n. II
o Temporale retina = lateraal van fovea
o Nasale retina = mediaal van fovea
Visuele veld
Gezichtsveld = wat elk oog van de buitenwereld ziet
De visuele assen convergeren tov optische-as à overlap gezichtsveld L & R oog à diepte
• Centrale zien: fovea
• Perifere zien
Binoculair = deel dat overlapt
Monoculair = deel dat niet overlapt
à nasaal boven/onderkwadrant & temporaal boven/onderkwadrant
Linker BEELD (groen/blauw 1) à rechter hemisfeer (groen/blauw 2)
Retina
• Distorsie = boven à onder & links à rechts, bv linksboven à rechtsonder op retina
• Projectie op bol oppervlak à vertekend beeld – hoe verder naar periferie, hoe meer vertekend
Blinde vlek = geen staafjes en kegeltjes waar n. II uittreedt à L & R andere plek à compensatie,
maar ook als je 1 oog dicht doet is er compensatie
Testen
Funduscopie = met oogspiegel & lichtbron in oog patiënt kijken, om retina waar te nemen
Uit de blinde vlek lopen retinale bloedvaten over retina langs naar buiten – tussen licht & retina à
zouden schaduw moeten geven, maar doen ze niet.
Lichtreceptoren: staafjes & kegeltjes
• Staafjes = hoog sensitief & alleen zwart/wit – overal retina behalve macula lutea
o Sterke convergentie à sensitiviteit groter & scherpte lager
• Kegeltjes = minder sensitief & blauw, groen & rood – in macula lutea
Periferie: sensor : ganglioncellen = groot – gevoelig/niet nauwkeurig of scherp (waar info vandaan)
Centraal: sensor : ganglioncellen = 1 : 1 – scherpst/nauwkeurigst (macula lutea)
- Betekent niet: 1 sensor verbonden met 1 neuron – conver/divergentie & laterale inhibitie
, Sensatie vs perceptie
Sensatie = omgekeerd gebold beeld, met in het midden kleur & scherp + blinde vlek + bloedvaten
Perceptie = volledig normaal beeld
HC – visuele systeem p2
Oogbewegingen
Geconjugeerde oogbewegingen = beide ogen maken dezelfde beweging, zichtbaar bij:
• Stabilisatiebewegingen bv vestibulo-oculaire reflex & optokinetische reflex (reflex/niet bewust)
• Sarccadische oogbewegingen
• Achtervolgingsbewegingen (bewust bal volgen bij voetbal)
Gedisconjugeerde oogbewegingen = ogen maken tegengestelde beweging
• Doel beweegt naar ogen toe of ervanaf
Saccadische oogbewegingen
Saccadische oogbewegingen = geconjugeerde bewegingen, waarmee het beeld wordt afgetast. Er
wordt gefocust op ‘interessante verschijnselen’ en de periferie wordt ingevuld door de cortex.
• Saccades te snel om waar te nemen door observeerder
• Tijdens saccade even blind
Visuele cortex à posterior pariëtale cortex à frontaal oogveld (premotorcortex)
à colliculus superior/pretectum (CPG) à hersenstam à oculumotorische kernen
Receptieve veld
1. Receptor (staafjes/kegeltjes)
à Synapsslaag met convergentie/divergentie/laterale inhibitie met horizontale cellen
2. Bipolaire cel = 1e relay neuron in retina
à Synapsslaag met convergentie/divergentie/laterale inhibitie met amacriene cellen
3. Ganglionaire cel= 2e relay neuron in retina
4. Nervus opticus
5. Thalamische neuron = 3e relay neuron in corpus genticulatum laterale
Staafjes en kegels kijken van het licht weg, hierdoor komt het licht overal langs voordat het op een
pigment zwarte laag van choroidea komt.
Logisch: als ze naar het licht kijken krijgen ze informatie van links, rechts, boven, onder à nu
krijgen ze informatie in 1 richting en zo weten we zeker waar het licht vandaan komt