lOMoARcPSD|383 406 3
Rechtshandeling?
Mogelijke situaties:
1. Wil en verklaring stemmen overeen. De rechtshandeling komt tot stand krachtens
3:33.
2. Wil en verklaring stemmen niet overeen, maar de ontvanger der verklaring doet
een geslaagd beroep op zijn gerechtvaardigd vertrouwen. De rechtshandeling komt
tot stand krachtens 3:35 jo. 3:33.
3. Wil en verklaring stemmen niet overeen, de ontvanger der verklaring
heeft geen beroep op 3:35 of laat dit beroep achterwege. Er komt in het geheel
geen rechtshandeling tot stand. Uitzondering: een eenzijdige gerichte of meerzijdige
rechtshandeling van een geestelijk gestoorde komt wel tot stand, maar is
vernietigbaar (3:34 lid 2, nr. 36).
Ten aanzien van een eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling is 3:35 niet
van toepassing: de totstandkoming is alleen van 3:33 afhankelijk.
Goederenrechtelijke verhouding – verhouding persoon tot een goed
1. Goederenrechtelijke rechten.
1. Het eigendomsrecht (volledig recht op een zaak, 5:1, zie nr. 16).
2. Alle beperkte rechten (3:8, zie nr. 17).
2. Andersoortige goederenrechtelijke verhoudingen.
1. Bezit: een feitelijke machtsverhouding die gepaard gaat met de
suggestie van een eigen recht (
2. Bewind: een op bepaalde goederen liggend verband, dat met een
beperkt recht kan worden vergeleken, zonder overigens daadwerkelijk een
beperkt recht te zijn
3. Gemeenschap: situatie waarin een of meer goederen toebehoren aan
twee of meer deelgenoten gezamenlijk
4. Verhaalsrecht op goederen. Een verhaalsrecht is zelf geen
goederenrechtelijk recht. Het is de voor een crediteur aan
zijn vorderingsrecht verbonden mogelijkheid om zich, bij niet-nakoming door
zijn debiteur, door middel van executie van diens goederen te verhalen. De
schuldeiser dient daartoe beslag te leggen op de te executeren goederen.
Vanwege het verband met beslag en executie (en derhalve met pand
en hypotheek) wordt het verhaalsrecht meestal in het kader van het
goederenrecht behandeld.
1. Goederenrechtelijke rechten (eigendom en beperkte rechten). Zij schetsen de
verhouding van mens tot goed, en kenmerken zich door hun absolute karakter.
Rust het recht op een zaak, dan spreekt men van een zakelijk recht
2. Persoonlijke rechten (verbintenisrechtelijke rechten).
Zij zien op de verhouding van mens tot mens, hun relatieve karakter (werking
jegens een bepaalde persoon). Slechts één categorie: de vorderingsrechten. Het
goederenrecht is evenwel ook voor de vorderingsrechten van belang. Men
bedenke immers, dat het vorderingsrecht zelf een goed is in de zin van 3:1
– Voor overdracht, verjaring etc. zijn de algemene goederenrechtelijke regels van
toepassing.
, lOMoARcPSD|383 406 3
Kenmerken van goederenrechtelijke rechten: belangrijkste kenmerken zijn:
1. Het recht rust op een zaak of op een vermogensrecht.
Dat eiser stelt en zo nodig bewijst op welk individueel bepaald goed dat recht
rust; zie o.m. HR 4-12-1998, NJ 1999, 549 (Potharst/Serrée).
2. Absoluut en exclusief.
Goederenrechtelijke rechten werken jegens een ieder, niet slechts jegens
een bepaalde persoon (absoluutheid), en de rechthebbende is gerechtigd
met uitsluiting van alle anderen (exclusiviteit)
1. Kenmerken die samenhangen met het feit dat het bestaan van een beperkt
recht op een goed de rechthebbende op dat goed in zijn beschikkingsbevoegdheid
beperkt (zie nr. 114):
1. Indien een goed waarop een beperkt recht rust wordt overgedragen:
het beperkte recht blijft op het goed rusten (droit de suite – volgrecht)
2. Indien op een goed waarop een beperkt recht rust een tweede beperkt
recht wordt gevestigd: het eerdere recht gaat voor het latere (prioriteitsregel).
Persoonlijke rechten (vorderingsrechten) zijn gelijk van rang
(paritas creditorum, 3:277, zie evenwel voor een bijzonder
geval 3:298
3. Een (beperkt) recht op een goed ondervindt geen nadeel van een later
beslag of faillissement (maar wel van een eerder beslag of faillissement)
Gesloten systeem der goederenrechtelijke rechten
1. Partijen zijn niet bevoegd naar eigen goeddunken nieuwe soorten
goederenrechtelijke rechten in het leven te roepen.
2. Ook de inhoud van een in de wet genoemd goederenrechtelijk recht kan door
partijen niet vrijelijk worden bepaald:
A) Hun vrijheid is beperkt tot de aspecten die door de wet niet worden geregeld, of
ten aanzien waarvan de wet een afwijkende regeling toelaat.
b) Wel dienen de door hen geregelde bevoegdheden en verplichtingen
voldoende verband te vertonen met het betrokken recht.
Ontbreekt dit verband, dan hebben hun afspraken geen goederenrechtelijk effect,
daar zij niet tot het bewuste recht zijn gaan behoren. Wel zijn dan
partijen verbintenisrechtelijk gebonden (er ontstaan persoonlijke rechten).
In tegenstelling tot het goederenrecht heeft het verbintenissenrecht een open systeem.
Overdraagbaarheid: 3:83
1. Eigendom en alle beperkte rechten: overdraagbaar, tenzij de (formele) wet of de
aard van het recht zich tegen een overdracht verzet (lid 1).
Een wettelijke uitzondering bevatten 2-10 Wet voorkeursrecht
gemeenten, waarover HR 9-4-1999, NJ 2000, 688 (Meulen cs/Weert).
2. Vorderingsrechten: overdraagbaar, tenzij (a) de formele wet of de aard van het
recht zich tegen een overdracht verzet, of (b) de overdraagbaarheid door een beding
tussen schuldeiser en schuldenaar is uitgesloten (leden 1 en 2).
Overdracht in strijd met zulk een beding levert niet slechts wanprestatie
op, maar leidt tot ongeldigheid van de overdracht: HR 17-1-2003, NJ 2004,
281 (Oryx/Van Eesteren).
3. Overige vermogensrechten, met name de rechten op voortbrengselen van de
geest: overdraagbaar wanneer de wet dit bepaalt (lid 3).
, lOMoARcPSD|383 406 3
Vereisten voor overdracht: 3:84
Voor overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die
bevoegd is over het goed te beschikken (3:84 lid 1). Vereisten derhalve:
1. Een geldige titel tot overdracht.
2. Beschikkingsbevoegdheid bij de vervreemder.
3. Levering, bestaande uit twee componenten:
1. Een (goederenrechtelijke) overeenkomst van overdracht.
2. Een leveringshandeling, waarin de overeenkomst van overdracht wordt uitgewerkt
(het vervullen van formaliteiten).
Deze drie vereisten gelden voor de overdracht van alle soorten goederen. Één
rechtshandeling (de sub 3a genoemde goederenrechtelijke overeenkomst). De
overdracht zelf is geen rechtshandeling, maar slechts een rechtsgevolg
Begrip titel
Titel: de rechtsgrond van de overdracht, de rechtsverhouding die aan de overdracht ten grondslag ligt
en die haar rechtvaardigt. Zij dient het over te dragen goed met voldoende bepaaldheid te omschrijven
(3:84 lid 2); vgl. nr. 116a.
Meestal fungeert als titel een verbintenis uit overeenkomst. Maar een titel kan ook voortvloeien uit een
andersoortige rechtshandeling, of gelegen zijn in een verbintenis uit de wet. Ook de natuurlijke
verbintenis levert een voldoende titel op (6:4). Soms vallen het ontstaan van de titel en haar tenietgaan
(door nakoming) in de tijd samen, b.v. bij koop in een supermarkt.
Zie voor het gebruik van de term ‘titel’ in een andere betekenis 3:80 (verkrijging onder algemene of
bijzondere titel, nr. 100).
Causaal stelsel bij overdracht
Causaal stelsel: zonder geldige titel vindt geen overdracht plaats (3:84 lid 1). Ontbreekt een geldige
titel, dan blijft de vervreemder derhalve rechthebbende.
De geldigheid van de titel wordt beoordeeld naar het moment waarop de levering geschiedt; wel
dient hierbij rekening te worden gehouden met een eventuele terugwerkende kracht. Het causale
stelsel maakt een overdracht derhalve in twee groepen gevallen ongeldig:
1. Als van meet af aan geen geldige titel voorhanden is:
– de titel is nietig, b.v. op grond van strijd met wet of goede zeden; –
de titel is putatief (d.w.z. bestaat alleen in de gedachten van partijen).
2. Als een aanvankelijk geldige titel later met terugwerkende kracht komt te vervallen:
– de titel wordt vernietigd (3:53 lid 1, nr. 65), b.v. op grond van handelingsonbekwaamheid of een
wilsgebrek.
Als de titel zonder terugwerkende kracht vervalt nadat de levering heeft plaatsgevonden, heeft het
causale stelsel geen nadelige gevolgen voor de geschiede overdracht. Deze situatie doet zich voor bij:
– ontbinding door het in vervulling gaan van een ontbindende voorwaarde (3:38 lid 2, 6:22,; maar
toch goederenrechtelijk effect via 3:84 lid 4);
– ontbinding van een wederkerige overeenkomst wegens contractsschending (6:269, nr. 524);
– vernietiging zonder terugwerkende kracht (als de rechter de uitzonderingsregel van 3:53 lid 2
toepast, nr. 66).
112 Goederenrechtelijk effect (‘zakelijke werking’)
Van goederenrechtelijk effect – ook wel ‘zakelijke werking’ genoemd – spreekt men, wanneer een
bepaald feit gevolgen heeft voor de goederenrechtelijke rechtstoestand van een bepaald goed.
Twee categorieën:
1. Goederenrechtelijk effect krachtens het causale stelsel (3:84 lid 1).
De vereiste geldige titel op het moment van levering ontbrak. Nietigheid c.q. vernietiging der
titel heeft dus goederenrechtelijk effect: de vervreemder is steeds rechthebbende gebleven, de
ontvanger heeft het goed nimmer verkregen.
2. Goederenrechtelijk effect los van causale stelsel. In twee gevallen:
1. Vervulling van een ontbindende voorwaarde (3:84 lid 4).
Als de titel door de vervulling van een ontbindende voorwaarde wordt ontbonden, heeft
Rechtshandeling?
Mogelijke situaties:
1. Wil en verklaring stemmen overeen. De rechtshandeling komt tot stand krachtens
3:33.
2. Wil en verklaring stemmen niet overeen, maar de ontvanger der verklaring doet
een geslaagd beroep op zijn gerechtvaardigd vertrouwen. De rechtshandeling komt
tot stand krachtens 3:35 jo. 3:33.
3. Wil en verklaring stemmen niet overeen, de ontvanger der verklaring
heeft geen beroep op 3:35 of laat dit beroep achterwege. Er komt in het geheel
geen rechtshandeling tot stand. Uitzondering: een eenzijdige gerichte of meerzijdige
rechtshandeling van een geestelijk gestoorde komt wel tot stand, maar is
vernietigbaar (3:34 lid 2, nr. 36).
Ten aanzien van een eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling is 3:35 niet
van toepassing: de totstandkoming is alleen van 3:33 afhankelijk.
Goederenrechtelijke verhouding – verhouding persoon tot een goed
1. Goederenrechtelijke rechten.
1. Het eigendomsrecht (volledig recht op een zaak, 5:1, zie nr. 16).
2. Alle beperkte rechten (3:8, zie nr. 17).
2. Andersoortige goederenrechtelijke verhoudingen.
1. Bezit: een feitelijke machtsverhouding die gepaard gaat met de
suggestie van een eigen recht (
2. Bewind: een op bepaalde goederen liggend verband, dat met een
beperkt recht kan worden vergeleken, zonder overigens daadwerkelijk een
beperkt recht te zijn
3. Gemeenschap: situatie waarin een of meer goederen toebehoren aan
twee of meer deelgenoten gezamenlijk
4. Verhaalsrecht op goederen. Een verhaalsrecht is zelf geen
goederenrechtelijk recht. Het is de voor een crediteur aan
zijn vorderingsrecht verbonden mogelijkheid om zich, bij niet-nakoming door
zijn debiteur, door middel van executie van diens goederen te verhalen. De
schuldeiser dient daartoe beslag te leggen op de te executeren goederen.
Vanwege het verband met beslag en executie (en derhalve met pand
en hypotheek) wordt het verhaalsrecht meestal in het kader van het
goederenrecht behandeld.
1. Goederenrechtelijke rechten (eigendom en beperkte rechten). Zij schetsen de
verhouding van mens tot goed, en kenmerken zich door hun absolute karakter.
Rust het recht op een zaak, dan spreekt men van een zakelijk recht
2. Persoonlijke rechten (verbintenisrechtelijke rechten).
Zij zien op de verhouding van mens tot mens, hun relatieve karakter (werking
jegens een bepaalde persoon). Slechts één categorie: de vorderingsrechten. Het
goederenrecht is evenwel ook voor de vorderingsrechten van belang. Men
bedenke immers, dat het vorderingsrecht zelf een goed is in de zin van 3:1
– Voor overdracht, verjaring etc. zijn de algemene goederenrechtelijke regels van
toepassing.
, lOMoARcPSD|383 406 3
Kenmerken van goederenrechtelijke rechten: belangrijkste kenmerken zijn:
1. Het recht rust op een zaak of op een vermogensrecht.
Dat eiser stelt en zo nodig bewijst op welk individueel bepaald goed dat recht
rust; zie o.m. HR 4-12-1998, NJ 1999, 549 (Potharst/Serrée).
2. Absoluut en exclusief.
Goederenrechtelijke rechten werken jegens een ieder, niet slechts jegens
een bepaalde persoon (absoluutheid), en de rechthebbende is gerechtigd
met uitsluiting van alle anderen (exclusiviteit)
1. Kenmerken die samenhangen met het feit dat het bestaan van een beperkt
recht op een goed de rechthebbende op dat goed in zijn beschikkingsbevoegdheid
beperkt (zie nr. 114):
1. Indien een goed waarop een beperkt recht rust wordt overgedragen:
het beperkte recht blijft op het goed rusten (droit de suite – volgrecht)
2. Indien op een goed waarop een beperkt recht rust een tweede beperkt
recht wordt gevestigd: het eerdere recht gaat voor het latere (prioriteitsregel).
Persoonlijke rechten (vorderingsrechten) zijn gelijk van rang
(paritas creditorum, 3:277, zie evenwel voor een bijzonder
geval 3:298
3. Een (beperkt) recht op een goed ondervindt geen nadeel van een later
beslag of faillissement (maar wel van een eerder beslag of faillissement)
Gesloten systeem der goederenrechtelijke rechten
1. Partijen zijn niet bevoegd naar eigen goeddunken nieuwe soorten
goederenrechtelijke rechten in het leven te roepen.
2. Ook de inhoud van een in de wet genoemd goederenrechtelijk recht kan door
partijen niet vrijelijk worden bepaald:
A) Hun vrijheid is beperkt tot de aspecten die door de wet niet worden geregeld, of
ten aanzien waarvan de wet een afwijkende regeling toelaat.
b) Wel dienen de door hen geregelde bevoegdheden en verplichtingen
voldoende verband te vertonen met het betrokken recht.
Ontbreekt dit verband, dan hebben hun afspraken geen goederenrechtelijk effect,
daar zij niet tot het bewuste recht zijn gaan behoren. Wel zijn dan
partijen verbintenisrechtelijk gebonden (er ontstaan persoonlijke rechten).
In tegenstelling tot het goederenrecht heeft het verbintenissenrecht een open systeem.
Overdraagbaarheid: 3:83
1. Eigendom en alle beperkte rechten: overdraagbaar, tenzij de (formele) wet of de
aard van het recht zich tegen een overdracht verzet (lid 1).
Een wettelijke uitzondering bevatten 2-10 Wet voorkeursrecht
gemeenten, waarover HR 9-4-1999, NJ 2000, 688 (Meulen cs/Weert).
2. Vorderingsrechten: overdraagbaar, tenzij (a) de formele wet of de aard van het
recht zich tegen een overdracht verzet, of (b) de overdraagbaarheid door een beding
tussen schuldeiser en schuldenaar is uitgesloten (leden 1 en 2).
Overdracht in strijd met zulk een beding levert niet slechts wanprestatie
op, maar leidt tot ongeldigheid van de overdracht: HR 17-1-2003, NJ 2004,
281 (Oryx/Van Eesteren).
3. Overige vermogensrechten, met name de rechten op voortbrengselen van de
geest: overdraagbaar wanneer de wet dit bepaalt (lid 3).
, lOMoARcPSD|383 406 3
Vereisten voor overdracht: 3:84
Voor overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die
bevoegd is over het goed te beschikken (3:84 lid 1). Vereisten derhalve:
1. Een geldige titel tot overdracht.
2. Beschikkingsbevoegdheid bij de vervreemder.
3. Levering, bestaande uit twee componenten:
1. Een (goederenrechtelijke) overeenkomst van overdracht.
2. Een leveringshandeling, waarin de overeenkomst van overdracht wordt uitgewerkt
(het vervullen van formaliteiten).
Deze drie vereisten gelden voor de overdracht van alle soorten goederen. Één
rechtshandeling (de sub 3a genoemde goederenrechtelijke overeenkomst). De
overdracht zelf is geen rechtshandeling, maar slechts een rechtsgevolg
Begrip titel
Titel: de rechtsgrond van de overdracht, de rechtsverhouding die aan de overdracht ten grondslag ligt
en die haar rechtvaardigt. Zij dient het over te dragen goed met voldoende bepaaldheid te omschrijven
(3:84 lid 2); vgl. nr. 116a.
Meestal fungeert als titel een verbintenis uit overeenkomst. Maar een titel kan ook voortvloeien uit een
andersoortige rechtshandeling, of gelegen zijn in een verbintenis uit de wet. Ook de natuurlijke
verbintenis levert een voldoende titel op (6:4). Soms vallen het ontstaan van de titel en haar tenietgaan
(door nakoming) in de tijd samen, b.v. bij koop in een supermarkt.
Zie voor het gebruik van de term ‘titel’ in een andere betekenis 3:80 (verkrijging onder algemene of
bijzondere titel, nr. 100).
Causaal stelsel bij overdracht
Causaal stelsel: zonder geldige titel vindt geen overdracht plaats (3:84 lid 1). Ontbreekt een geldige
titel, dan blijft de vervreemder derhalve rechthebbende.
De geldigheid van de titel wordt beoordeeld naar het moment waarop de levering geschiedt; wel
dient hierbij rekening te worden gehouden met een eventuele terugwerkende kracht. Het causale
stelsel maakt een overdracht derhalve in twee groepen gevallen ongeldig:
1. Als van meet af aan geen geldige titel voorhanden is:
– de titel is nietig, b.v. op grond van strijd met wet of goede zeden; –
de titel is putatief (d.w.z. bestaat alleen in de gedachten van partijen).
2. Als een aanvankelijk geldige titel later met terugwerkende kracht komt te vervallen:
– de titel wordt vernietigd (3:53 lid 1, nr. 65), b.v. op grond van handelingsonbekwaamheid of een
wilsgebrek.
Als de titel zonder terugwerkende kracht vervalt nadat de levering heeft plaatsgevonden, heeft het
causale stelsel geen nadelige gevolgen voor de geschiede overdracht. Deze situatie doet zich voor bij:
– ontbinding door het in vervulling gaan van een ontbindende voorwaarde (3:38 lid 2, 6:22,; maar
toch goederenrechtelijk effect via 3:84 lid 4);
– ontbinding van een wederkerige overeenkomst wegens contractsschending (6:269, nr. 524);
– vernietiging zonder terugwerkende kracht (als de rechter de uitzonderingsregel van 3:53 lid 2
toepast, nr. 66).
112 Goederenrechtelijk effect (‘zakelijke werking’)
Van goederenrechtelijk effect – ook wel ‘zakelijke werking’ genoemd – spreekt men, wanneer een
bepaald feit gevolgen heeft voor de goederenrechtelijke rechtstoestand van een bepaald goed.
Twee categorieën:
1. Goederenrechtelijk effect krachtens het causale stelsel (3:84 lid 1).
De vereiste geldige titel op het moment van levering ontbrak. Nietigheid c.q. vernietiging der
titel heeft dus goederenrechtelijk effect: de vervreemder is steeds rechthebbende gebleven, de
ontvanger heeft het goed nimmer verkregen.
2. Goederenrechtelijk effect los van causale stelsel. In twee gevallen:
1. Vervulling van een ontbindende voorwaarde (3:84 lid 4).
Als de titel door de vervulling van een ontbindende voorwaarde wordt ontbonden, heeft