Week 2
Reflexieve modernisering
“Wij zijn modern”
Met de woorden “wij zijn modern” vertellen we eigenlijk een heel groot verhaal. Met de Franse Verlichting
begint het rationele nadenken, het idee is dat we door kennis en wetenschap de wereld kunnen
beheersen, en onszelf kunnen bevrijden. Sociologen zeggen dat dat vanaf ongeveer 1750 begint, op dat
moment krijg je ook de industriële revolutie, bureaucratisering, etc. De moderniteit in zijn oorspronkelijke
gedaante loopt ongeveer tot 1950/1960, dat is het hoogtepunt van de moderniteit, zoals die zich ontrolde
in de 19e en 20e eeuw.
Sociologen gebruiken de moderniteit in een vrij specifieke betekenis: het gaat om organisatie, een
beheersbare wereld. Ze schrijven over het “moderne gezin”, dat is afgebakend met vaste rollen, de vrouw
werkt niet, de man werkt, en de man heeft idealiter een baan voor het leven – veel vastigheid en trouw
aan een werkgever.
- Werk wordt georganiseerd in een rationele organisatie van de arbeid (Ford), hyper-organisaties
die uiterst efficiënt zijn. Er kunnen weinig dingen fout gaan. Hoge standaarden voor kwaliteit. De
gezagsverhoudingen zijn hiërarchisch en duidelijk (Big boss).
Een ander element in de moderniteit is de ontwikkeling van natiestaten: wederom met duidelijke
structuren, afgescheiden van elkaar, met een eigen bestuur en organisatiestructuur. De hele wereld is
zich gaan vormen in staten, die allemaal soeverein zijn.
Kenmerkend voor de moderniteit (1750-1960) zijn de rationaliteit, alles kan rationeel worden doordacht
en verzonnen, vaste gezinsstructuren, duidelijke politieke stromingen, rechtsstaten, verzorgingsstaten,
stabiele banen, goede economie, etc.
Binnen een organisatie uit zich dit in rationaliteit en meetbaarheid, deskundigheids-hiërarchie,
resultaatsturing, “machinaal” nadenken over bedrijven en organisaties, maakbaarheid, natuur als
onbeperkt manipuleerbaar (de natuur zou oneindig zijn, die we onbeperkt kunnen organiseren).
- Onbeperkt manipuleerbare natuur: belangrijke metafoor voor managen in de eerste moderniteit
(1750-1960). Alles staat op zijn plaats, alles is hoe het moet zijn, want zo hebben we alles
georganiseerd (bijvoorbeeld keurige strakke rijtjeshuizen).
De “moderne mensen” waren dus ook niet premodern, daar werd ook wel op neer gekeken.
Het leven in de pre-moderniteit
1. De mens is afhankelijk van omstandigheden, zoals de natuur en machtsconstellaties (de
machtsstructuren van heersers, waar we niets aan konden doen)
2. Fatalistische levenshouding, het leven is zoals het is, daar moeten we het mee doen. De wereld
is niet maakbaar.
3. Geografisch: losse grenzen, als er überhaupt al grenzen aan te wijzen waren
4. Institutioneel: ongedifferentieerd, stamverbanden, grootfamilies, traditie-gebaseerde
gezagsverhoudingen
,Descartes (1596-1650)
Hij vond dat alles wat ons verteld werd, we zelf rationeel moeten kunnen construeren.
“Cogito, ergo sum” – ik denk, dus ik ben. Door te denken, en rationeel bezig te zijn, strak denken, het
wiskundige denken (mathematisering) krijgen we zicht op de wereld, en kunnen we onszelf en de wereld
leren kennen. Zelf denken betekent ook zelf meten, wegen of tellen. Dit zit nog steeds diep in onze
cultuur, we zien de wereld en resultaten als maakbaar, zolang we alles maar rationaliseren en berekenen.
- Krugman: mistaking beauty for truth, economen werden
Het “eindresultaat” van de geschiedenis als modernisering is dus die keurige aangeharkte tuin, waarin de
mens / de manager de ingenieur is, die de hele wereld zelf kan maken en organiseren, waarbij er geen
neveneffecten zijn.
Reflexieve modernisering
Ulrich Beck schreef eerder een studie over de risico-samenleving, wat niet past binnen het “moderne”
beeld. Hij zei dat men dan de risico’s alsnog beheersbaar ging proberen te maken, door er getallen aan te
hangen, en zo “kansberekeningen” te doen. Zelfs de onbeheersbare risico’s gaan we op papier alsnog
beheersbaar maken.
Verder schreef Beck ook nog over de basisstructuur van de laat-moderne samenleving:
1. Maakbaarheid van samenleving en organisatie
2. Rationaliteit centraal (expert-kennis belangrijk)
3. Natie-staat als kader
4. Verzorgingsstaten
5. Stabiele en stabiliserende maatschappelijke structuren (gezin, werk, vakbonden, politieke
partijen, bedrijven, etc. ), hiërarchisch
6. Natuur als materie
7. (Europa/het Westen als centrum van de wereld)
Het permanente idee dat hieraan ten grondslag ligt is continue ontwikkeling, een dominantie van
de toekomst, in plaats van terugkijken naar het verleden. Tegelijkertijd wilde de eerste
moderniteit ook tot heldere structuren en vaste resultaten komen, een eindsituatie waarin alles
goed georganiseerd is. Beck zet hier kanttekeningen bij: geloven we zelf wel in dit einddoel, in
de oneindige vooruitgang?
Francis Bacon, Head IV (1949): de vrees dat onze zelfgemaakte wereld een bedreiging zal
worden voor onszelf. Dit komt in de tweede helft van de 20e eeuw op. We zijn in interactie met
de digitale wereld, of is de digitale wereld in interactie met ons?
Dialectica van de Verlichting
De Verlichting begon zo rond 1750. De dialectiek van de verlichting gaat over dat we de wereld proberen
te beheersen, en alles in wetenschappelijke termen te omschrijven, inclusief ons lichaam en ons denken,
maar zijn die dingen dan ook allemaal manipuleerbaar? Door vrijheid na te streven door alles te
beheersen, streven we dan beheersing van de mens na? Is beheersing van de mens mogelijk en
wenselijk? En wat is dan vrijheid?
, Het einde van het paradigma van de eerste moderniteit
Het idee van de maakbare wereld binnen de eerste moderniteit gaat schuiven, onder andere door de
snelle globalisering (het idee van grenzen begint weer weg te vallen), individualisering (individuele
vrijheid, waarbij de structurering van de samenleving onder vuur ligt), diversificatie van genderrollen,
flexibilisering op de arbeidsmarkt (om veel verschillende redenen veranderen er banen, komen er
nieuwe banen bij, op veel verschillende plekken, waarvan veel banen op afstand kunnen worden
uitgevoerd. Veel mensen willen niet hun hele leven hetzelfde doel, mensen moeten stappen maken, er
zijn veel tijdelijke contracten, veel ZZP’ers) en ecologische crises (door ons idee van de maakbare
wereld en de onuitputbare natuur zijn we onzorgvuldig omgegaan met de omgeving en de natuur, er is
meer aandacht voor klimaatbeheersing).
- Al deze effecten, kunnen wij hier wel mee omgaan vanuit het paradigma van de eerste
moderniteit? Het gaat om ambivalenties, onzekerheden en risico’s.
Er zijn 5 dimensies van modernisering:
1. Individualisering
2. Moderne techniek
3. Economisering
4. Rationalisering van het wereldbeeld
5. Rechtsstaat voor iedereen
Er zijn neveneffecten, “3 vulkanische breuklijnen” waar de moderniteit scheurt in zijn eigen
idealen
1. Financiële verstrikking – financialisering. De financiële wereld is de drijfkracht achter
ontzettend veel processen, de omvang van de financiële sector is veel groter dan de
omvang van de reële economie. Alles wordt hierdoor (aan)gedreven
2. Ecologische uitputting
3. Dehumanisering – zoals de winst die techbedrijven maken op ons, we worden een of een
omgezet in data
“Otherness of the future” – mensen gaan anders naar de toekomst kijken dan in de eerste moderniteit,
we zien de wereld niet meer als beheersbaar en maakbaar, en we krijgen voor het eerst het idee dat de
volgende generatie het niet beter gaat hebben dan onze eigen generatie. Dit komt door de onbedoelde
neveneffecten. We vinden ook niet meer dat er maar 1 soort kennis is, er is meer dan enkel
wetenschappelijke (natuurkundig-achtige) kennis. Dit is ook het einde van het beheersbare denken. De
fundamentele onderlinge onderscheidingen vervagen: binnenland / buitenland, publiek / privaat, natuur /
samenleving.
Onbedoelde neveneffecten
1. Individualisering: burn-out
2. Ecologische problematiek
3. Sociale problematiek, gaan we eenzaamheid tegemoet?
4. Beheersingsproblematiek
5. De moderniteit verliest zijn eigen doel (telos), streven we nog wel naar het juiste doel? Zetten we
wel de juiste middelen in om dat doel te bereiken?
Reflexieve modernisering
“Wij zijn modern”
Met de woorden “wij zijn modern” vertellen we eigenlijk een heel groot verhaal. Met de Franse Verlichting
begint het rationele nadenken, het idee is dat we door kennis en wetenschap de wereld kunnen
beheersen, en onszelf kunnen bevrijden. Sociologen zeggen dat dat vanaf ongeveer 1750 begint, op dat
moment krijg je ook de industriële revolutie, bureaucratisering, etc. De moderniteit in zijn oorspronkelijke
gedaante loopt ongeveer tot 1950/1960, dat is het hoogtepunt van de moderniteit, zoals die zich ontrolde
in de 19e en 20e eeuw.
Sociologen gebruiken de moderniteit in een vrij specifieke betekenis: het gaat om organisatie, een
beheersbare wereld. Ze schrijven over het “moderne gezin”, dat is afgebakend met vaste rollen, de vrouw
werkt niet, de man werkt, en de man heeft idealiter een baan voor het leven – veel vastigheid en trouw
aan een werkgever.
- Werk wordt georganiseerd in een rationele organisatie van de arbeid (Ford), hyper-organisaties
die uiterst efficiënt zijn. Er kunnen weinig dingen fout gaan. Hoge standaarden voor kwaliteit. De
gezagsverhoudingen zijn hiërarchisch en duidelijk (Big boss).
Een ander element in de moderniteit is de ontwikkeling van natiestaten: wederom met duidelijke
structuren, afgescheiden van elkaar, met een eigen bestuur en organisatiestructuur. De hele wereld is
zich gaan vormen in staten, die allemaal soeverein zijn.
Kenmerkend voor de moderniteit (1750-1960) zijn de rationaliteit, alles kan rationeel worden doordacht
en verzonnen, vaste gezinsstructuren, duidelijke politieke stromingen, rechtsstaten, verzorgingsstaten,
stabiele banen, goede economie, etc.
Binnen een organisatie uit zich dit in rationaliteit en meetbaarheid, deskundigheids-hiërarchie,
resultaatsturing, “machinaal” nadenken over bedrijven en organisaties, maakbaarheid, natuur als
onbeperkt manipuleerbaar (de natuur zou oneindig zijn, die we onbeperkt kunnen organiseren).
- Onbeperkt manipuleerbare natuur: belangrijke metafoor voor managen in de eerste moderniteit
(1750-1960). Alles staat op zijn plaats, alles is hoe het moet zijn, want zo hebben we alles
georganiseerd (bijvoorbeeld keurige strakke rijtjeshuizen).
De “moderne mensen” waren dus ook niet premodern, daar werd ook wel op neer gekeken.
Het leven in de pre-moderniteit
1. De mens is afhankelijk van omstandigheden, zoals de natuur en machtsconstellaties (de
machtsstructuren van heersers, waar we niets aan konden doen)
2. Fatalistische levenshouding, het leven is zoals het is, daar moeten we het mee doen. De wereld
is niet maakbaar.
3. Geografisch: losse grenzen, als er überhaupt al grenzen aan te wijzen waren
4. Institutioneel: ongedifferentieerd, stamverbanden, grootfamilies, traditie-gebaseerde
gezagsverhoudingen
,Descartes (1596-1650)
Hij vond dat alles wat ons verteld werd, we zelf rationeel moeten kunnen construeren.
“Cogito, ergo sum” – ik denk, dus ik ben. Door te denken, en rationeel bezig te zijn, strak denken, het
wiskundige denken (mathematisering) krijgen we zicht op de wereld, en kunnen we onszelf en de wereld
leren kennen. Zelf denken betekent ook zelf meten, wegen of tellen. Dit zit nog steeds diep in onze
cultuur, we zien de wereld en resultaten als maakbaar, zolang we alles maar rationaliseren en berekenen.
- Krugman: mistaking beauty for truth, economen werden
Het “eindresultaat” van de geschiedenis als modernisering is dus die keurige aangeharkte tuin, waarin de
mens / de manager de ingenieur is, die de hele wereld zelf kan maken en organiseren, waarbij er geen
neveneffecten zijn.
Reflexieve modernisering
Ulrich Beck schreef eerder een studie over de risico-samenleving, wat niet past binnen het “moderne”
beeld. Hij zei dat men dan de risico’s alsnog beheersbaar ging proberen te maken, door er getallen aan te
hangen, en zo “kansberekeningen” te doen. Zelfs de onbeheersbare risico’s gaan we op papier alsnog
beheersbaar maken.
Verder schreef Beck ook nog over de basisstructuur van de laat-moderne samenleving:
1. Maakbaarheid van samenleving en organisatie
2. Rationaliteit centraal (expert-kennis belangrijk)
3. Natie-staat als kader
4. Verzorgingsstaten
5. Stabiele en stabiliserende maatschappelijke structuren (gezin, werk, vakbonden, politieke
partijen, bedrijven, etc. ), hiërarchisch
6. Natuur als materie
7. (Europa/het Westen als centrum van de wereld)
Het permanente idee dat hieraan ten grondslag ligt is continue ontwikkeling, een dominantie van
de toekomst, in plaats van terugkijken naar het verleden. Tegelijkertijd wilde de eerste
moderniteit ook tot heldere structuren en vaste resultaten komen, een eindsituatie waarin alles
goed georganiseerd is. Beck zet hier kanttekeningen bij: geloven we zelf wel in dit einddoel, in
de oneindige vooruitgang?
Francis Bacon, Head IV (1949): de vrees dat onze zelfgemaakte wereld een bedreiging zal
worden voor onszelf. Dit komt in de tweede helft van de 20e eeuw op. We zijn in interactie met
de digitale wereld, of is de digitale wereld in interactie met ons?
Dialectica van de Verlichting
De Verlichting begon zo rond 1750. De dialectiek van de verlichting gaat over dat we de wereld proberen
te beheersen, en alles in wetenschappelijke termen te omschrijven, inclusief ons lichaam en ons denken,
maar zijn die dingen dan ook allemaal manipuleerbaar? Door vrijheid na te streven door alles te
beheersen, streven we dan beheersing van de mens na? Is beheersing van de mens mogelijk en
wenselijk? En wat is dan vrijheid?
, Het einde van het paradigma van de eerste moderniteit
Het idee van de maakbare wereld binnen de eerste moderniteit gaat schuiven, onder andere door de
snelle globalisering (het idee van grenzen begint weer weg te vallen), individualisering (individuele
vrijheid, waarbij de structurering van de samenleving onder vuur ligt), diversificatie van genderrollen,
flexibilisering op de arbeidsmarkt (om veel verschillende redenen veranderen er banen, komen er
nieuwe banen bij, op veel verschillende plekken, waarvan veel banen op afstand kunnen worden
uitgevoerd. Veel mensen willen niet hun hele leven hetzelfde doel, mensen moeten stappen maken, er
zijn veel tijdelijke contracten, veel ZZP’ers) en ecologische crises (door ons idee van de maakbare
wereld en de onuitputbare natuur zijn we onzorgvuldig omgegaan met de omgeving en de natuur, er is
meer aandacht voor klimaatbeheersing).
- Al deze effecten, kunnen wij hier wel mee omgaan vanuit het paradigma van de eerste
moderniteit? Het gaat om ambivalenties, onzekerheden en risico’s.
Er zijn 5 dimensies van modernisering:
1. Individualisering
2. Moderne techniek
3. Economisering
4. Rationalisering van het wereldbeeld
5. Rechtsstaat voor iedereen
Er zijn neveneffecten, “3 vulkanische breuklijnen” waar de moderniteit scheurt in zijn eigen
idealen
1. Financiële verstrikking – financialisering. De financiële wereld is de drijfkracht achter
ontzettend veel processen, de omvang van de financiële sector is veel groter dan de
omvang van de reële economie. Alles wordt hierdoor (aan)gedreven
2. Ecologische uitputting
3. Dehumanisering – zoals de winst die techbedrijven maken op ons, we worden een of een
omgezet in data
“Otherness of the future” – mensen gaan anders naar de toekomst kijken dan in de eerste moderniteit,
we zien de wereld niet meer als beheersbaar en maakbaar, en we krijgen voor het eerst het idee dat de
volgende generatie het niet beter gaat hebben dan onze eigen generatie. Dit komt door de onbedoelde
neveneffecten. We vinden ook niet meer dat er maar 1 soort kennis is, er is meer dan enkel
wetenschappelijke (natuurkundig-achtige) kennis. Dit is ook het einde van het beheersbare denken. De
fundamentele onderlinge onderscheidingen vervagen: binnenland / buitenland, publiek / privaat, natuur /
samenleving.
Onbedoelde neveneffecten
1. Individualisering: burn-out
2. Ecologische problematiek
3. Sociale problematiek, gaan we eenzaamheid tegemoet?
4. Beheersingsproblematiek
5. De moderniteit verliest zijn eigen doel (telos), streven we nog wel naar het juiste doel? Zetten we
wel de juiste middelen in om dat doel te bereiken?