Forensisch Bewijs Deeltoets I
Iris Van de Voort, 2689931
1a. De forensisch arts (FA) komt ter plaatse om met overlijdensonderzoek verschillende dingen vast
te stellen: is het een natuurlijke dood of niet? De FA kan sporen veilig te stellen, letsel en identiteit
vast te stellen en tijd van overlijden bepalen. Het is handig als dit gebeurt nadat alle sporen zijn
veiliggesteld door de FR. De aard en oorzaak van overlijden wordt onderzocht door de FA wat kan
bijdragen aan de waarschijnlijkheid van de verschillende scenario’s over wat er gebeurt zou kunnen
zijn. In deze casus zou de FA het lichaam op letsel moeten controleren. Is de hoofdwond de oorzaak
van het overlijden, of is er een andere doodsoorzaak. Is er letsel dat duidt op aanwezigheid van een
dader of is al het letsel letsel dat veroorzaakt kan zijn door een val?
Forensisch rechercheurs (FR) moeten eerst zorgen dat alleen toegang tot de PD worden gegeven aan
de personen die daar ook daadwerkelijk nodig zijn, om contaminatie van sporen minimaal te houden.
Vervolgens moet er worden beredeneert wat de normale situatie op locatie is. Daarna kan worden
bekeken wat er afwijkt van ‘het normale’. Het is van belang om zo min mogelijk aannames te hebben
over wat er gebeurt zou kunnen zijn. Aannames kunnen leiden tot het missen van belangrijke sporen.
Het beste is om wisselend bottom-up en top-down te werk te gaan. Enige feitelijke voorinformatie
die aan de rechercheurs kan worden gegeven kan handig zijn zodat de rechercheurs niet te veel zelf
gaan interpreteren. In deze casus zou het fijn zijn om te weten in wat voor pand de persoon is
gevonden om te kunnen bepalen wat de normale situatie hier is.
Als we naar de foto kijken is te zien dat een kastje openstaat, lades missen uit een ladekast, er een
trapje rechts staat, kabels over de grond en over het lichaam heen liggen en op er verkleuring in de
vloerbedekking is te zien. Er ligt een dekbed met vlekken over het slachtoffer en er is een hoofdwond
met bloed te zien. De FR moet bedenken of de rommel normaal is voor dit slachtoffer of het resultaat
kan zijn van een overval/worsteling. Daarnaast moet worden achterhaalt of het dekbed al over het
slachtoffer heen lag bij ontdekking of daarna pas is toegedekt. Tijdens het oriënteren op de ruimte is
het belangrijk om meerdere opties voor scenario’s in het hoofd te houden en de ruimte te zien als
een ruimte vol producten die gebruikt kunnen zijn (door een eventuele verdachte). De FR moet
kijken welke sporen te zien en vinden zijn en hoe eventuele onzichtbare sporen zichtbaar gemaakt
kunnen worden. Daarna moet worden bepaald welke sporen worden meegenomen of bemonsterd,
hoe en met welke methode deze worden meegenomen. Welke sporen zijn onderscheidend tussen
twee scenario’s en zeggen iets over een eventueel delict dat hier heeft plaatsgevonden. Ook
falsifiërende sporen zijn van belang. Dan wordt dit uitgevoerd door deze sporen mee te nemen en
vervolgens wordt dit afgesloten door nog een tweede keer te kijken of alles is meegenomen.
1b. Er is altijd een risico op denkfouten bij de FR. Informatie die de FR vooraf krijgt, kan een
verwachting creëren wat kan leiden tot confirmation bias (zoeken naar verifiërend bewijs) en
selective attention (minder aandacht schenken aan falsifiërend bewijs). Bij het maken van een
beslissing kan er bias ontstaat op micro (niveau van PD: welke sporen worden relevant geacht?) ,
meso (niveau van rechercheur: bijvoorbeeld invloed van opleiding en kennis) en macro niveau
(niveau van de organisatie: standaard procedures en bijvoorbeeld hoeveel sporen doorgaans worden
onderzocht). Bewustzijn hierover is essentieel in het minimaliseren van biasses en het voorkomen
van tunnelvisie.
Iris Van de Voort, 2689931
1a. De forensisch arts (FA) komt ter plaatse om met overlijdensonderzoek verschillende dingen vast
te stellen: is het een natuurlijke dood of niet? De FA kan sporen veilig te stellen, letsel en identiteit
vast te stellen en tijd van overlijden bepalen. Het is handig als dit gebeurt nadat alle sporen zijn
veiliggesteld door de FR. De aard en oorzaak van overlijden wordt onderzocht door de FA wat kan
bijdragen aan de waarschijnlijkheid van de verschillende scenario’s over wat er gebeurt zou kunnen
zijn. In deze casus zou de FA het lichaam op letsel moeten controleren. Is de hoofdwond de oorzaak
van het overlijden, of is er een andere doodsoorzaak. Is er letsel dat duidt op aanwezigheid van een
dader of is al het letsel letsel dat veroorzaakt kan zijn door een val?
Forensisch rechercheurs (FR) moeten eerst zorgen dat alleen toegang tot de PD worden gegeven aan
de personen die daar ook daadwerkelijk nodig zijn, om contaminatie van sporen minimaal te houden.
Vervolgens moet er worden beredeneert wat de normale situatie op locatie is. Daarna kan worden
bekeken wat er afwijkt van ‘het normale’. Het is van belang om zo min mogelijk aannames te hebben
over wat er gebeurt zou kunnen zijn. Aannames kunnen leiden tot het missen van belangrijke sporen.
Het beste is om wisselend bottom-up en top-down te werk te gaan. Enige feitelijke voorinformatie
die aan de rechercheurs kan worden gegeven kan handig zijn zodat de rechercheurs niet te veel zelf
gaan interpreteren. In deze casus zou het fijn zijn om te weten in wat voor pand de persoon is
gevonden om te kunnen bepalen wat de normale situatie hier is.
Als we naar de foto kijken is te zien dat een kastje openstaat, lades missen uit een ladekast, er een
trapje rechts staat, kabels over de grond en over het lichaam heen liggen en op er verkleuring in de
vloerbedekking is te zien. Er ligt een dekbed met vlekken over het slachtoffer en er is een hoofdwond
met bloed te zien. De FR moet bedenken of de rommel normaal is voor dit slachtoffer of het resultaat
kan zijn van een overval/worsteling. Daarnaast moet worden achterhaalt of het dekbed al over het
slachtoffer heen lag bij ontdekking of daarna pas is toegedekt. Tijdens het oriënteren op de ruimte is
het belangrijk om meerdere opties voor scenario’s in het hoofd te houden en de ruimte te zien als
een ruimte vol producten die gebruikt kunnen zijn (door een eventuele verdachte). De FR moet
kijken welke sporen te zien en vinden zijn en hoe eventuele onzichtbare sporen zichtbaar gemaakt
kunnen worden. Daarna moet worden bepaald welke sporen worden meegenomen of bemonsterd,
hoe en met welke methode deze worden meegenomen. Welke sporen zijn onderscheidend tussen
twee scenario’s en zeggen iets over een eventueel delict dat hier heeft plaatsgevonden. Ook
falsifiërende sporen zijn van belang. Dan wordt dit uitgevoerd door deze sporen mee te nemen en
vervolgens wordt dit afgesloten door nog een tweede keer te kijken of alles is meegenomen.
1b. Er is altijd een risico op denkfouten bij de FR. Informatie die de FR vooraf krijgt, kan een
verwachting creëren wat kan leiden tot confirmation bias (zoeken naar verifiërend bewijs) en
selective attention (minder aandacht schenken aan falsifiërend bewijs). Bij het maken van een
beslissing kan er bias ontstaat op micro (niveau van PD: welke sporen worden relevant geacht?) ,
meso (niveau van rechercheur: bijvoorbeeld invloed van opleiding en kennis) en macro niveau
(niveau van de organisatie: standaard procedures en bijvoorbeeld hoeveel sporen doorgaans worden
onderzocht). Bewustzijn hierover is essentieel in het minimaliseren van biasses en het voorkomen
van tunnelvisie.