Bewustzijnsfilosofie
Inhoudsopgave
Alle Begrippen + Belangrijke Namen Bewustzijnsfilosofie.................................1
Begrippenlijst Deel 1 (Midterm)......................................................................2
Begrippenlijst deel 2 (Endterm)......................................................................5
Namenlijst..................................................................................................... 9
Deel 1............................................................................................................................. 9
Deel 2............................................................................................................................. 9
1
, Begrippenlijst Deel 1 (Midterm)
Mind-body problem: zijn lichaam en geest twee verschillende dingen die onafhankelijk van
elkaar bestaan en functioneren? Hoe interacteren ze dan?
Bewuste ervaring: what-it-is-likeness
Qualia: what-it-is-likeness. Wij weten niet hoe het is om iemand anders te zijn, maar kunnen
het ons wel voorstellen.
Cognitie: propositionele attitudes (PA's) zijn houdingen tegenover een propositie. Cognities
hebben intentionaliteit, ze gaan ergens over.
Emoties: combinatie van een bewuste ervaring en een cognitieve toestand. Emoties hebben
dus zowel een kwalitatief karakter als intentionaliteit.
Substantiedualisme: de geest bestaat onafhankelijk van het lichaam en vice versa, maar zijn
wel nauw met elkaar verbonden. Ze nemen dezelfde plek in de ruimte in, en botsen telkens
tegen elkaar waardoor beweging in de fysische wereld ontstaat.
Substantie: hetgeen dat op zichzelf kan bestaan
Denkende substantie: res cogitans
Uitgebreide substantie: res extensa
Interactieprobleem: hoe kan een geest zonder uitgebreidheid een materieel lichaam
besturen, en hoe kan fysieke pijn ook voor pijn in de geest zorgen?
Patrick Swayze probleem: hoe kan een niet fysische substantie botsen met de fysische
substantie.
Occasionalisme: alleen god is de ware oorzaak van de dingen in de wereld. Het lijkt slechts
dat ik mijn hand op wil steken, maar mijn wens is de gelegenheid voor god om mijn arm op
te steken.
Parallelisme: als we twee klokken hebben die synchroon lopen, dan komt dat doordat ze zo
gemaakt zijn. Dit geld ook voor lichaam en geest.
Monisme: er bestaat maar één substantie. Hieronder vallen idealisme, behaviorisme en
materialisme.
Idealisme: de materiele wereld is afhankelijk van de geest. Zijn is waargenomen worden
(Esse est percipi). Fysische objecten bestaan alleen als ze waargenomen worden.
De geestminnaar (Philonous): ontkent het bestaan van materiele substantie, maar niet van
materie. Er is geen materiele substantie omdat er alleen een geestelijke materie is, maar er is
wel materie omdat je dit waarneemt met de geest.
De materiele man (Hylas): verdedigt het idee van materiele substantie, dus objectieve,
fysieke realiteit bestaat buiten de geest. Er bestaan dingen onafhankelijk van de menselijke
waarneming.
Primaire eigenschappen: eigenschap die een ding echt heeft, onafhankelijk van de persoon
die het waarneemt (temperatuur). Bedacht door Locke.
Secundaire eigenschap: eigenschappen die afhankelijk zijn van waarneming (warm/koud).
Behaviorisme: we kunnen geen onobserverbare mentale entiteiten accepteren en dus ook
geen woorden gebruiken die verwijzen naar dat soort zaken.
Black box: input (stimuli) gaat de black box in, output (gedrag) komt eruit. Er wordt niet
gesproken over wat er in de black box gebeurt. Dit geld ook voor het lichaam.
Psychologisch behaviorisme: human thought is human behavior. Het doel is voorspelling en
controle over gedrag.
Filosofisch behaviorisme: alleen hetgeen dat observeerbaar is levert geldige
werenschappelijke kennis op.
2