2. DE KERN VH ECONOMISCH PROBLEEM: SCHAARSTE VERPLICHT TOT KIEZEN
2.1 SCHAARSTE.
Het hoofdprobleem in de economie is schaarste, omdat er niet genoeg middelen zijn om aan alle
menselijke wensen te voldoen. Mensen willen veel, maar er zijn beperkte grondstoffen, menselijke
arbeid en machines beschikbaar. Om aan die wensen te voldoen, moeten we dingen produceren met
behulp van natuurlijke hulpbronnen, arbeid en kapitaal (geld, machines). Aangezien deze middelen
beperkt zijn, ontstaat het economische probleem, waarbij we slimme keuzes moeten maken over hoe
we ze het beste kunnen gebruiken om aan zoveel mogelijk behoeften te voldoen.
Natuur: Grondstoffen, water, energiebronnen.
Arbeid: Mensen die werken om dingen te maken.
Kapitaal: Geld, machines, fabrieken.
Productiefactoren zijn beperkt maar de behoeftes vd mensen groeien
Economische goederen en diensten hebben 2 kenmerken:
1) Ze zijn nuttig: ze voldoen aan een behoeft (creëren zo welvaart)
2) Ze zijn schaars: er moeten tijd en productiefactoren voor opgeofferd worden
Schaarste: de spanning die ontstaat tussen de behoeften en middelen om die te bevredigen
De schaarste verplicht ons te kiezen
Het kost tijd en productiefactoren om aan de behoefte te voldoen (inspanning)
Voorbeeld pagina 18-19 (brood)
2.2 ECONOMISCH HANDELEN IS KIEZEN
In de economie moeten we keuzes maken, en elke keuze heeft voor- en nadelen. Het gezegde "kiezen
is verliezen" betekent dat wanneer je iets kiest, je iets anders opgeeft.
Baten: goede dingen van een keuze, zoals dingen die je blij maken of doelen die je bereikt.
Offers: minder leuke kanten van een keuze, zoals dingen die je moet laten vallen of niet meer kunt
doen.
Opportuniteitskosten: wat je misloopt omdat je niet voor iets anders hebt gekozen. Als iemand
bijvoorbeeld stopt met werken, missen ze het geld en de voldoening van hun baan.
Dit idee herinnert ons eraan om goed na te denken over de voordelen en nadelen voordat we
beslissingen nemen in de economie.
3. BEHOEFTEN
Economie gaat over hoe mensen slimme keuzes maken om gelukkig te zijn, ook al zijn er niet genoeg
spullen voor iedereen om alles te hebben wat ze willen. Het doel is om een goed en comfortabel
leven na te streven.
1
,3.1 SOORTEN BEHOEFTEN
Er zijn twee soorten behoeften:
1) Individuele behoeften: Dit zijn de dingen die een persoon nodig heeft, zoals basisbehoeften
(eten, drinken, kleding), de behoefte aan veiligheid (zich vandaag en morgen veilig voelen,
bescherming tegen geweld), en minder dringende behoeften die het leven leuker maken
(telefoon, vakantie, cultuur, sport).
2) Collectieve behoeften: dingen die de hele gemeenschap nodig heeft. Samen bepalen we
hoeveel geld en middelen hiervoor nodig zijn en wie ervoor betaalt. Denk aan zaken als
sociale bescherming, landsverdediging, rechtszekerheid, ruimtelijke ordening, wegen en
onderwijs.
3.2 KENMERKEN VAN BEHOEFTEN
Behoeften hebben een paar eigenschappen:
- Voortdurende aandacht: Sommige behoeften, zoals eten, moeten altijd worden vervuld.
- Altijd nieuwe wensen: Als één behoefte wordt vervuld, komt er vaak een nieuwe.
- Verschillend belangrijk: Wat belangrijk is voor jou, kan voor een ander minder belangrijk zijn.
- Groeiend verlangen: Als we meer hebben, willen we vaak meer. Maar meer hebben maakt
niet altijd gelukkiger.
Mensen blijven rijker worden maar worden niet per sé gelukkiger
4. ECONOMISCHE GOEDEREN
4.1 KENMERKEN
Zie pagina 1 samenvatting
4.2 SOORTEN GOEDEREN
1) Consumptiegoederen: Deze zijn bedoeld voor direct gebruik of consumptie door de
consument. Voorbeelden hiervan zijn brood, shampoo, jeans en smartphones.
2) Kapitaalgoederen: Dit zijn door mensen gemaakte productiemiddelen die indirect bijdragen
aan behoeftebevrediging. Voorbeelden zijn robots in een autofabriek, vrachtwagens en
schoolgebouwen. Sommige goederen, zoals auto's of computers, kunnen zowel
kapitaalgoederen zijn (bij bedrijfsgebruik) als consumptiegoederen (bij gezinsgebruik).
(sommige goederen kunnen voor zowel consumptie als voor productie van andere goederen gebruikt
worden bv een auto of een pc is een kapitaalgoed als hij door een bedrijf gekocht wordt, een
consumptiegoed als een gezin de aankoop doet)
3) Duurzame goederen: Meerdere keren te gebruiken, zoals auto's, zetels en gsm's.
4) Niet-duurzame goederen: Eén keer te gebruiken, zoals sigaretten en brood.
5) Finale goederen: Afgewerkte producten die direct als consumptie- of kapitaalgoed kunnen
dienen.
6) Intermediaire goederen: Gebruikt in het productieproces om bij te dragen aan de productie
van finale goederen, bijvoorbeeld ertsen en staalplaten.
7) Individuele goederen: Op basis van individuele voorkeuren gekocht en eigendom van een
persoon, zoals vlees, fietsen of huishoudapparaten.
8) Collectieve goederen: Niet individueel te bezitten of te koop; beschikbaar voor iedereen en
vaak door de overheid aangeboden.
2
, HOOFDSTUK 2
2. DE VRIJEMARKTECONOMIE
2.1 BESCHRIJVING
2.1.1 VISIE
Liberaal principe (Adam Smith):
- Individuele vrijheid: Iedereen is vrij om te doen wat ze willen.
- Eigenbelang als algemeen belang: Als mensen hun eigen belangen nastreven, draagt dit
automatisch bij aan het algemeen belang.
- Onzichtbare hand: Het idee dat individueel streven naar eigen voordeel wordt geleid door
een onzichtbare kracht, wat leidt tot algemeen welzijn.
3. DE CENTRAAL GELEIDE OF GEPLANDE ECONOMIE
3.1 BESCHRIJVING
3.1.1 VISIE
Communistisch principe (Karl Marx en Vladimir Lenin):
- Gemeenschapsbelang: Gemeenschap staat voorop.
- Samenwerking voor overleving: Mensen werken samen voor gemeenschappelijk overleven.
- Collectiviteit primeert: Gemeenschappelijk belang gaat boven individueel belang.
- Overheidsplanning: De overheid regelt alles via een groot economisch plan.
- Gemeenschappelijk eigendom: Productiemiddelen zijn van de gemeenschap, niet van
individuen.
4. DE GEMENGDE ECONOMIE EN/OF DE SOCIALE MARKTECONOMIE
Gemengde economie: mag iedereen vrij handelen, maar als er problemen zijn, komt de overheid
helpen. Het is een mix van eigen keuzes maken en hulp van de overheid als dat nodig is.
4.2 KENMERKEN
- Basis: Mensen kunnen bedrijven starten, dingen bezitten en er is competitie.
- Overheidsingrijpen: Soms maakt de overheid regels en belastingen om eerlijk te blijven. Ze
regelt ook diensten en algemene voorzieningen.
- Overlegeconomie: Mensen praten samen over werk en bedrijven om het eens te worden.
- Politieke houding: Sommige politici willen meer markt, anderen willen meer overheid. Het
hangt af van hun ideeën.
Hoe rechtser -> hoe meer markt (dus hoe minder de overheid moet ingrijpen, gewoon de kerntaken)
Hoe linkser -> hoe meer overheid
Hoe verhoudt de politiek zich tot overheidsingrijpen?
voorbeeld
HOOFDSTUK 3
3