Begrippenlijst tentamen MCO
Hoofdstuk 4
- Induction → Een redeneermethode waarbij je van specifieke
observaties naar een algemene theorie gaat.
- Deduction → Een redeneermethode waarbij je vanuit een algemene
theorie specifieke verwachtingen of hypothesen afleidt.
- Theory → Een gestructureerde set van ideeën die relaties tussen
variabelen verklaart en voorspellingen doet.
- Hypothesis → Een toetsbare voorspelling over een verband tussen
variabelen, gebaseerd op een theorie.
- Falsifiable → Een eigenschap van een hypothese waarbij deze
weerlegd kan worden door empirisch bewijs.
- Operationalized → Het proces waarbij een abstract concept meetbaar
wordt gemaakt door specifieke indicatoren te definiëren.
- Inferential statistics → Statistische methoden waarmee je conclusies
trekt over een populatie op basis van een steekproef.
- Null hypothesis → De aanname dat er geen verband of effect is
tussen variabelen in een onderzoek (H₀).
- Saturation → Het punt in kwalitatief onderzoek waarop extra data
geen nieuwe inzichten meer oplevert.
Hoofdstuk 5
- IRB (Institutional Review Board) → Een ethische commissie die
onderzoek beoordeelt om te zorgen dat deelnemers beschermd worden
en dat de studie voldoet aan ethische richtlijnen.
- Voluntary participation → Het principe dat
deelnemers vrijwillig meedoen aan een onderzoek en zich op elk
moment mogen terugtrekken zonder consequenties.
- Informed consent → Deelnemers moeten vooraf volledige
informatie krijgen over het onderzoek en expliciet toestemming geven
voor hun deelname.
- Anonymity → De identiteit van deelnemers wordt niet vastgelegd of
kan niet gekoppeld worden aan hun antwoorden.
- Confidentiality → De identiteit van deelnemers is bekend bij de
onderzoeker, maar wordt niet openbaar gemaakt.
- Debriefing → Na afloop van een onderzoek worden
deelnemers geïnformeerd over het doel, de methoden en eventuele
misleiding die is gebruikt.
- Plagiarism → Het overnemen van de ideeën, teksten of
onderzoeksresultaten van anderen zonder correcte bronvermelding,
wat als een ernstig ethisch misdrijf wordt beschouwd.
, Hoofdstuk 6
- Conceptualization → Het proces van het definiëren en verduidelijken
van abstracte concepten voor onderzoek.
- Concept → Een abstract idee of fenomeen dat in onderzoek wordt
bestudeerd en geoperationaliseerd.
- Indicators → Meetbare signalen of kenmerken die worden gebruikt om
een concept te meten.
- Dimensions → Specifieke facetten of aspecten van een concept die
afzonderlijk kunnen worden gemeten.
- Reification → De fout om abstracte concepten te behandelen alsof ze
objectief en tastbaar zijn.
- Operationalization → Het proces waarbij een concept wordt omgezet
in meetbare variabelen en methoden.
- Nominal-level measurement → Meting waarbij variabelen in
categorieën worden geplaatst zonder onderlinge rangorde (bijv.
geslacht, haarkleur).
- Ordinal-level measurement → Meting waarbij variabelen in een
logische volgorde worden gerangschikt, maar zonder gelijke
tussenafstanden (bijv. opleidingsniveau).
- Ratio-level measurement → Meting met gelijke afstanden tussen
waarden en een absoluut nulpunt (bijv. leeftijd, lengte).
- Measurement reliability → De mate waarin een
meetinstrument consistente resultaten oplevert bij herhaalde
metingen.
- Test-retest reliability → De betrouwbaarheid van een meting getest
door dezelfde test op verschillende momenten te herhalen.
- Alternate-form reliability → Betrouwbaarheid beoordeeld door
twee verschillende versies van een test te vergelijken.
- Split-half reliability → Betrouwbaarheid gemeten door een vragenlijst
in tweeën te splitsen en de resultaten te vergelijken.
- Item-total reliability → Betrouwbaarheid bepaald door elk individueel
item in een test te vergelijken met de totale score.
- Inter-observer agreement → De mate waarin verschillende
onderzoekers of beoordelaars hetzelfde resultaat vinden bij
observaties.
- Measurement validity → De mate waarin een meetinstrument
echt meet wat het zou moeten meten.
- Content validity → Geeft aan of een test alle relevante aspecten van
een concept meet.
- Face validity → De mate waarin een test op het eerste gezicht logisch
en valide lijkt.
- Expert panel validity → De validiteit beoordeeld door deskundigen in
het vakgebied.
Hoofdstuk 4
- Induction → Een redeneermethode waarbij je van specifieke
observaties naar een algemene theorie gaat.
- Deduction → Een redeneermethode waarbij je vanuit een algemene
theorie specifieke verwachtingen of hypothesen afleidt.
- Theory → Een gestructureerde set van ideeën die relaties tussen
variabelen verklaart en voorspellingen doet.
- Hypothesis → Een toetsbare voorspelling over een verband tussen
variabelen, gebaseerd op een theorie.
- Falsifiable → Een eigenschap van een hypothese waarbij deze
weerlegd kan worden door empirisch bewijs.
- Operationalized → Het proces waarbij een abstract concept meetbaar
wordt gemaakt door specifieke indicatoren te definiëren.
- Inferential statistics → Statistische methoden waarmee je conclusies
trekt over een populatie op basis van een steekproef.
- Null hypothesis → De aanname dat er geen verband of effect is
tussen variabelen in een onderzoek (H₀).
- Saturation → Het punt in kwalitatief onderzoek waarop extra data
geen nieuwe inzichten meer oplevert.
Hoofdstuk 5
- IRB (Institutional Review Board) → Een ethische commissie die
onderzoek beoordeelt om te zorgen dat deelnemers beschermd worden
en dat de studie voldoet aan ethische richtlijnen.
- Voluntary participation → Het principe dat
deelnemers vrijwillig meedoen aan een onderzoek en zich op elk
moment mogen terugtrekken zonder consequenties.
- Informed consent → Deelnemers moeten vooraf volledige
informatie krijgen over het onderzoek en expliciet toestemming geven
voor hun deelname.
- Anonymity → De identiteit van deelnemers wordt niet vastgelegd of
kan niet gekoppeld worden aan hun antwoorden.
- Confidentiality → De identiteit van deelnemers is bekend bij de
onderzoeker, maar wordt niet openbaar gemaakt.
- Debriefing → Na afloop van een onderzoek worden
deelnemers geïnformeerd over het doel, de methoden en eventuele
misleiding die is gebruikt.
- Plagiarism → Het overnemen van de ideeën, teksten of
onderzoeksresultaten van anderen zonder correcte bronvermelding,
wat als een ernstig ethisch misdrijf wordt beschouwd.
, Hoofdstuk 6
- Conceptualization → Het proces van het definiëren en verduidelijken
van abstracte concepten voor onderzoek.
- Concept → Een abstract idee of fenomeen dat in onderzoek wordt
bestudeerd en geoperationaliseerd.
- Indicators → Meetbare signalen of kenmerken die worden gebruikt om
een concept te meten.
- Dimensions → Specifieke facetten of aspecten van een concept die
afzonderlijk kunnen worden gemeten.
- Reification → De fout om abstracte concepten te behandelen alsof ze
objectief en tastbaar zijn.
- Operationalization → Het proces waarbij een concept wordt omgezet
in meetbare variabelen en methoden.
- Nominal-level measurement → Meting waarbij variabelen in
categorieën worden geplaatst zonder onderlinge rangorde (bijv.
geslacht, haarkleur).
- Ordinal-level measurement → Meting waarbij variabelen in een
logische volgorde worden gerangschikt, maar zonder gelijke
tussenafstanden (bijv. opleidingsniveau).
- Ratio-level measurement → Meting met gelijke afstanden tussen
waarden en een absoluut nulpunt (bijv. leeftijd, lengte).
- Measurement reliability → De mate waarin een
meetinstrument consistente resultaten oplevert bij herhaalde
metingen.
- Test-retest reliability → De betrouwbaarheid van een meting getest
door dezelfde test op verschillende momenten te herhalen.
- Alternate-form reliability → Betrouwbaarheid beoordeeld door
twee verschillende versies van een test te vergelijken.
- Split-half reliability → Betrouwbaarheid gemeten door een vragenlijst
in tweeën te splitsen en de resultaten te vergelijken.
- Item-total reliability → Betrouwbaarheid bepaald door elk individueel
item in een test te vergelijken met de totale score.
- Inter-observer agreement → De mate waarin verschillende
onderzoekers of beoordelaars hetzelfde resultaat vinden bij
observaties.
- Measurement validity → De mate waarin een meetinstrument
echt meet wat het zou moeten meten.
- Content validity → Geeft aan of een test alle relevante aspecten van
een concept meet.
- Face validity → De mate waarin een test op het eerste gezicht logisch
en valide lijkt.
- Expert panel validity → De validiteit beoordeeld door deskundigen in
het vakgebied.