Moleculaire celbiologie - H.5 – 20/09/2017
Erfelijk materiaal is opgeslagen in chromosomen. Deze chromosomen worden zichtbaar
tijdens de celdeling. Uit een test met muizen werd duidelijk dodelijke cellen nog steeds
erfelijk materiaal bezitten en dit DNA ook tot expressie kan komen in andere (levende) cellen.
Watson & Crick hebben het DNA model ontworpen.
DNA is een dubbele helix met twee complementaire strengen die opgebouwd zijn uit
nucleotide.
Nucleotide
Nucleotide: Suiker + base + fosfaat
Nuceloside: Suiker + base
Fosfaatgroep: negatief geladen, als eiwitten binden moeten
ze vaak postief zijn (elektrostatische interactie). De
bindingen tussen fosfaatgroepen bevatten veel energie.
Suikergroep: bij koolstof atoom nummer 2 zit bij RNA
een OH groep en bij DNA alleen een H.
Verschillende basen:
Uracil zit niet in DNA. Als cytosine dan een NH2 groep verliest, dan ontstaat de base uracil,
en omdat deze niet thuishoort in DNA herkend het lichaam het meteen en herstelt de fout.
Elke nucleotide zit aan elkaar door middel van de fosfordiesterbinding. Elke streng heeft ook
polariteit in de 5’ naar 3’ richting. Fosfaat domineert de lading van het DNA (die negatief is).
Verschillend aantal waterstofbruggen tussen de verschillende
basen maar de lengte van die bindingen is wel gelijk. De G-C
binding is sterker dan de A-T binding. Als de bases niet aan de
juiste complementaire base gekoppeld is, dan krijg je geen
regelmatige structuur omdat je de nucleotide dan anders moet
gaan draaien om de juiste lengte binding te creëren.
Erfelijk materiaal is opgeslagen in chromosomen. Deze chromosomen worden zichtbaar
tijdens de celdeling. Uit een test met muizen werd duidelijk dodelijke cellen nog steeds
erfelijk materiaal bezitten en dit DNA ook tot expressie kan komen in andere (levende) cellen.
Watson & Crick hebben het DNA model ontworpen.
DNA is een dubbele helix met twee complementaire strengen die opgebouwd zijn uit
nucleotide.
Nucleotide
Nucleotide: Suiker + base + fosfaat
Nuceloside: Suiker + base
Fosfaatgroep: negatief geladen, als eiwitten binden moeten
ze vaak postief zijn (elektrostatische interactie). De
bindingen tussen fosfaatgroepen bevatten veel energie.
Suikergroep: bij koolstof atoom nummer 2 zit bij RNA
een OH groep en bij DNA alleen een H.
Verschillende basen:
Uracil zit niet in DNA. Als cytosine dan een NH2 groep verliest, dan ontstaat de base uracil,
en omdat deze niet thuishoort in DNA herkend het lichaam het meteen en herstelt de fout.
Elke nucleotide zit aan elkaar door middel van de fosfordiesterbinding. Elke streng heeft ook
polariteit in de 5’ naar 3’ richting. Fosfaat domineert de lading van het DNA (die negatief is).
Verschillend aantal waterstofbruggen tussen de verschillende
basen maar de lengte van die bindingen is wel gelijk. De G-C
binding is sterker dan de A-T binding. Als de bases niet aan de
juiste complementaire base gekoppeld is, dan krijg je geen
regelmatige structuur omdat je de nucleotide dan anders moet
gaan draaien om de juiste lengte binding te creëren.